ECLI:NL:HR:2026:1721

Datum uitspraak
27-10-2026
Instantie
Hoge Raad
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
25/00997
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Diefstal uit woning, art. 311.1.3 Sr. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade aan minderjarige bewoners van woning t.g.v. diefstal van verschillende persoonlijke voorwerpen en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Is sprake van aantasting in persoon “op andere wijze” a.b.i. art. 6:106.b BW? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2026:822 m.b.t. vraag wanneer sprake is van aantasting in persoon “op andere wijze” a.b.i. art. 6:106.b BW. Hof heeft geoordeeld dat bewezenverklaarde diefstal uit woning heeft geleid tot ontstaan van immateriële schade bij elk van de 3 t.t.v. dat feit minderjarige kinderen van b.p. Met zijn oordeel dat, gelet op aard en ernst van normaantasting en met concrete gegevens onderbouwde gevolgen daarvan voor destijds jonge kinderen, sprake is van aantasting in persoon “op andere wijze” heeft hof toepassing gegeven aan de in HR:2026:882 (in rechtsoverweging 3.5.5) als tweede aangeduide categorie. In het licht van wat hiervoor is vooropgesteld is dat oordeel, ook als in aanmerking wordt genomen wat hof heeft vastgesteld over gevolgen die diefstal uit woning voor elk van kinderen heeft gehad, niet toereikend gemotiveerd. Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. vordering b.p. en oplegging van schadevergoedingsmaatregel.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/00997

Datum 27 oktober 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 maart 2025, nummer 20-000288-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.H. Jebbink bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de vordering van de [benadeelde] en de daarmee samenhangende opgelegde schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’sHertogenbosch opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de [benadeelde] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel wegens het in de zaak met parketnummer 01-246310-22 onder 1 bewezenverklaarde.

2.2

Ten laste van de verdachte is in die zaak onder 1 bewezenverklaard dat hij:

“Op 20 september 2022 te [plaats] , tussen 03.00 uur en 04.00 uur, in een woning op de [a-straat 1] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een autosleutel en een elektrische fiets en twee oxboards en een tas inhoudende een portemonnee en paspoort en bankpasjes die, geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.”

2.3.1

Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de [benadeelde] van 27 november 2022, met bijlagen. Dit verzoek houdt onder meer in:

“Omschrijving immateriële schade Bedrag Bijlage

Zowel ik, [benadeelde] , als mijn vrouw 350 4, 5, 6

en kinderen ondervinden al sinds de inbraak 350

angsten, een onveilig gevoel in huis, wat met 350

name op de kinderen veel invloed heeft. 350

Onze oudste dochter van 18 heeft inmiddels 350

externe hulp aangevraagd. Ze is ’s avonds bang, 350

durft niet meer alleen op te passen

(ook niet bij oppasadresjes). Onze dochter

van 14 heeft op school een contactpersoon gezocht.

Voor onze zoon van 14 hebben we via school

iemand waar hij mee kan praten omdat hij aangaf

nachtmerries te hebben en erover zat te piekeren.

Het leed wat een inbraak verzorgd bij de kinderen

is onbeschrijvelijk. Ook de schoolresultaten lijden eronder.

Totaal immateriële schade € 2100”

2.3.2

De bijlagen bij het ‘Verzoek tot schadevergoeding’ houden onder meer in:

- Een e-mail van 1 november, met als inhoud:

“ [betrokkene 1]

[betrokkene 2] < [e-mailadres 1] >

Aan: [betrokkene 3] < [e-mailadres 2] >, [betrokkene 4] < [e-mailadres 3] >

Goede morgen,

Wij halen [betrokkene 1] 13:15 op van school, zou hij dan voor school kunnen staan?

Slachtofferhulp komt praten. Ivm de inbraak van half september.

[betrokkene 1] heeft zijn gedachten erop gezet om erbij te zijn omdat hij hulp wil, hij geeft aan zich op school moeilijker kan concentreren omdat hij steeds aan de inbraak denkt.

Ik weet niet of er op school evt ook iemand is die hem zou kunnen helpen?

Groetjes [betrokkene 2] ”

- Een ongedateerde tekst, luidende:

“Hoi [betrokkene 2] , wat een heftige ervaring! Jeetje! Ik snap dat [betrokkene 5] hier last van heeft. Ik ga even navragen of we hier iets in kunnen betekenen en ik laat het jullie snel weten. Ik ben blij dat ik het weet, dan kan ik [betrokkene 5] een beetje extra in de gaten houden. Groetjes van [betrokkene 6] ”

2.3.3

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2025 heeft de benadeelde partij daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde spreekaantekeningen. Deze spreekaantekeningen houden onder meer in:

“Daar staan we weer. Voor mij voor de tweede keer in de rechtbank vanwege de inbraak bij ons thuis op 20 september 2022. Nu 2,5 jaar na de inbraak en nog steeds ondervind ik en mijn gezin de gevolgen hiervan.

Ik wil niet de brief van 11 januari 2023 herhalen gezien hier al een kopie van is gemaakt en aan het dossier is toegevoegd. Wel wil ik aanhalen dat destijds al is vastgesteld dat mijn kinderen duidelijk last hebben ondervonden van de inbraak en met hulp van ons, school, [A] jeugdzorg en derden ieder een weg heeft moeten vinden om met de inbraak om te gaan.

Het heeft mij en mijn vrouw pijn gedaan om te zien dat hun wereld door de inbraak is veranderd. Dat wat eerst een veilig thuis leek te zijn dit door een individu is aangetast. Een wildvreemd iemand die zomaar ons domein binnensluipt. Hoe angstaanjagend is dat. Alleen voor ons als volwassen mensen is dit al een naar gevoel, laat staan voor onze kinderen van toentertijd 7, 12, 14 en 18 die op het moment van de inbraak allen thuis waren.

Het gevolg is dat onze kinderen zelfs vandaag de dag nog niet graag alleen slapen. Om een voorbeeld te noemen: Mijn oudste dochter, inmiddels 20, studeert in België, is op kamers en heeft enorm veel moeite met alleen slapen waardoor ze ieder weekend en op woensdagen terug naar huis komt.”

2.3.4

De in die spreekaantekeningen genoemde brief van 11 januari 2023 is volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 11 januari 2023 door de benadeelde partij op de terechtzitting voorgedragen en houdt onder meer in:

“Als het je niet gebeurd sta je er niet zo bij stil maar een inbraak in huis heeft toch behoorlijk wat impact. In eerste instantie natuurlijk voor de kinderen waarvan met een daad hun gevoel van veiligheid behoorlijk is aangetast.

Ieder uit zich dat op zijn eigen manier. Om een paar voorbeelden te noemen: Onze zoon van 7 durft niet meer alleen in bed te slapen. Onze andere zoon (12 jaar oud) die normaal niet zo’n prater is verteld ons toch last te hebben van de inbraak en heeft inmiddels een begeleider op school die hem hierbij extra ondersteund. Dochter [betrokkene 5] heeft inmiddels ook een vertrouwenspersoon toegewezen op school – en behaalt sinds de inbraak mindere schoolresultaten. En de oudste [betrokkene 7] is maar 18 en durft niet meer alleen op te passen. “Wat nou als er weer een inbreker komt?” vraagt mijn zoon van 12. Ze durven soms niet eens alleen naar het toilet of alleen naar boven. (...)

Een inbreker. Het is makkelijk gezegd. Je spullen meenemen is nog wel het minste vergrijp maar het gevoel van veiligheid wegnemen bij mijn kinderen en vrouw is gewoon ronduit misdadig. Buiten dat heeft het meenemen van spullen van mijn kinderen natuurlijk ook veel impact op ze. ‘Papa, mijn elektrische step is weg’... Die had hij net voor zijn verjaardag gekregen.”

2.3.5

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2025 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Hoewel de vordering invoelbaar is, juridisch standpunt niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van partner en volwassen kind blijkt niet dat benadeelde is gemachtigd.

Ten aanzien van partner en benadeelde en de kinderen voorts onvoldoende onderbouwd en onvoldoende toereikend om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 BW. Hoewel de verdediging wil aannemen dat het meer dan buitengewoon vervelend is geweest, moet juridisch gezien naar objectieve maatstaven psychische schade worden vastgesteld. Een wettelijke grondslag voor toewijzing ontbreekt derhalve mijns inziens.”

2.3.6

Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard voor zover daarin vergoeding wordt gevorderd van door de echtgenote en de meerderjarige dochter van de benadeelde partij geleden schade, omdat niet is gebleken dat de benadeelde partij gerechtigd of gemachtigd was namens hen een vordering tot vergoeding van schade in te dienen. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn drie minderjarige kinderen tot vergoeding van de door dezen geleden immateriële schade toegewezen voor een totaalbedrag van € 1.050 en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de door hemzelf geleden immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen:

“Ten aanzien van de immateriële schade

(...)

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Dit is onder meer het geval bij aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De benadeelde partij heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij en zijn gezinsleden ten gevolge van de diefstal in/uit de woning kampen met gevoelens van angst en onveiligheid. Voor met name de kinderen heeft dit incident een behoorlijke impact gehad, omdat zij onder meer last hebben van nachtmerries, piekeren, niet alleen durven slapen en daarvoor (professionele) hulp krijgen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij naar voren gebracht dat vorenomschreven gevolgen, voor met name de kinderen, tot op heden voortbestaan.

Met - en waar nodig in aanvulling op - de rechtbank overweegt het hof dat met een diefstal in/uit een woning een inbreuk wordt gemaakt op het recht op eerbiediging van de privésfeer. Dergelijke feiten kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de bewoners. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg toegelicht dat de jongste zoon niet meer alleen durft te slapen, de oudste zoon een begeleider op school heeft die hem extra ondersteunt en de jongste dochter op school een vertrouwenspersoon toegewezen heeft gekregen en sinds dit incident mindere schoolresultaten behaalt. Ter onderbouwing hiervan zijn verschillende stukken als bijlage bij de schriftelijke vordering gevoegd. Gelet op de aard en de ernst van de normaantasting en de met concrete gegevens onderbouwde gevolgen daarvan voor de destijds jonge kinderen, is het hof van oordeel dat (voor wat betreft de kinderen) sprake is van aantasting van de persoon ‘op andere wijze’. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de aard van het delict, de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden alsmede - in het bijzonder - de destijds jeugdige leeftijd van de slachtoffers. Het hof begroot de als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks veroorzaakte immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 350,00 per kind.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat van een aantasting in de persoon op bovenbedoelde wijze echter geen sprake is als het gaat om de benadeelde partij. Hoe invoelbaar de gevoelens voor hem ook moge zijn, kan bij gebrek aan een nadere onderbouwing van de gevolgen van het incident voor hem, naar het oordeel van het hof niet zonder meer gesproken worden van een aantasting van de persoon ‘op een andere wijze'.

Resumerend wordt de vordering toegewezen tot een totaalbedrag van € 1.050,00, als vergoeding van immateriële schade. Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 2022, zijnde de datum delict waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.”

2.4

Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”

2.5

In zijn arrest van 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822 heeft de Hoge Raad over de vordering van een benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ onder meer overwogen:

“3.4 In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade

(...)

2.4.5

Van (...) aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

(...)

2.8.1

Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.

2.8.2

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

2.8.3

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. artikel 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.

(...)

2.8.7 (...)

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.”

3.5.1

Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde hoe de algemene regels over het stellen en betwisten van feiten die hiervoor in 3.4 (onder 2.8.1 tot en met 2.8.7) zijn weergegeven, moeten worden toegepast in elk van de hiervoor in 3.4 (onder 2.4.5) weergegeven drie categorieën van gevallen waarin de rechter moet oordelen over een vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

3.5.2

Uitgangspunt daarbij is dat – anders dan geldt voor vermogensschade – slechts aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade (nadeel dat niet in vermogensschade bestaat) voor zover de wet bepaalt dat die schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze wettelijke beperking van het recht op schadevergoeding brengt mee dat als de rechter een vergoeding van immateriële schade toekent, de grondslag daarvoor aandacht verdient.

3.5.3

De hiervoor in 3.4 (onder 2.4.5) weergegeven rechtsoverweging heeft betrekking op de beoordeling van een vordering van een benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Het gaat hier dus om immateriële schade die niet voortvloeit uit lichamelijk letsel of aantasting van de eer of goede naam van de benadeelde.

3.5.4

De eerste van de drie in 3.5.1 bedoelde categorieën betreft gevallen waarin sprake is van geestelijk letsel. Als de benadeelde zich beroept op het bestaan van geestelijk letsel zal hij, ook als het bestaan van dat geestelijk letsel niet door de verdachte wordt betwist, voldoende concrete gegevens moeten verschaffen waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan, zodat de rechter het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan vaststellen. Doorgaans zal het dan gaan om een rapportage van een deskundige, zoals een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog. Niet is vereist dat in die rapportage een diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld; voldoende kan zijn dat daaruit blijkt van geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.

Een aan de rechtspraak ontleend voorbeeld waarin sprake was van geestelijk letsel:

- een door een psychiater vastgestelde posttraumatische stress-stoornis na een diefstal met geweld en bedreiging met geweld uit een winkel waarin de benadeelde partij werkzaam is.1

3.5.5

De tweede categorie betreft gevallen waarin het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden aangenomen, maar waarin de aard en de ernst a) van de normschending en b) van de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Het gaat hierbij om een weging van deze factoren bezien in onderlinge samenhang, waarbij, naarmate de aard en de ernst van de normschending ingrijpender zijn, een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. Daarbij is het in beginsel aan de benadeelde partij om de vordering met concrete gegevens te onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad, omdat de aard en de ernst van de normschending zelf doorgaans kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens over het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit.Als de door de benadeelde partij gestelde gevolgen niet worden betwist, kan de rechter uitgaan van de juistheid daarvan. Voor zover de door de benadeelde partij gestelde gevolgen door of namens de verdachte wel worden betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer kunnen beoordelen of de gevolgen in voldoende mate zijn komen vast te staan. Als dat niet het geval is, kan de rechter, behoudens in de gevallen bedoeld in 3.5.6, geen aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ aannemen. Datzelfde geldt als de benadeelde partij onvoldoende heeft gesteld over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.

Aan de rechtspraak ontleende voorbeelden van een aantasting in de persoon in deze tweede categorie:

- verlies van vertrouwen in anderen, beëindiging van sociale contacten en imagoschade als gevolg van langdurige en intensieve belaging;2

- angst en gevoelens van onzekerheid na belaging;3

- zich onveilig voelen op het werk en het ondergaan van EMDR-behandelingen in verband met een overval en bedreiging met een wapen;4

- grote emotionele gevolgen en last daarvan tijdens de uitoefening van de werkzaamheden als gevolg van vrees voor het leven na op de snelweg met hoge snelheid in een politieauto van de weg te zijn gedrukt.5

3.5.6

Naast de twee hiervoor besproken categorieën kan in uitzonderlijke gevallen ook een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending. In deze – in 3.5.1 als derde aangeduide – categorie gaat het om gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Van de benadeelde partij wordt dan niet verlangd dat zij concrete gegevens aanvoert over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.

Aan de rechtspraak ontleende voorbeelden van een aantasting in de persoon in deze derde categorie:

- verkrachting waarbij sprake was van geweld, andere feitelijkheden en bedreiging met geweld;6

- woningoverval waarbij de slachtoffers zijn vastgebonden, hun monden zijn vastgeplakt, zij met een vuurwapen zijn bedreigd en een van de benadeelden een klap in zijn nek heeft gekregen en is bedreigd met het afsnijden van zijn geslachtsdeel;7

- verkrachting van een 16-jarig meisje na het heimelijk toedienen van GHB.8”

2.6

Het hof heeft geoordeeld dat de bewezenverklaarde diefstal uit een woning heeft geleid tot het ontstaan van immateriële schade bij elk van de drie ten tijde van dat feit minderjarige kinderen van de benadeelde partij. Met zijn oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de normaantasting en de met concrete gegevens onderbouwde gevolgen daarvan voor de destijds jonge kinderen sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ heeft het hof toepassing gegeven aan de in het onder 2.5 weergegeven arrest, in rechtsoverweging 3.5.5 als tweede aangeduide categorie. In het licht van wat onder 2.5 is vooropgesteld is dat oordeel, ook als in aanmerking wordt genomen wat het hof heeft vastgesteld over de gevolgen die de diefstal uit de woning voor elk van die kinderen heeft gehad, niet toereikend gemotiveerd. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de door de benadeelde partij als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen gevorderde immateriële schadevergoeding en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »