RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/456794 / HA ZA 25-378
Vonnis in incident en in hoofdzaak van 30 september 2026
in de zaak van
[bedrijf 1] ,
gevestigd te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.G. Verburg,
tegen
LIANDER N.V.,
gevestigd te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Liander,
advocaat: mr. M. Jongejans.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 februari 2026,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 juni 2026.
Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.
2 De zaak in het kort
In 2023 heeft [eiser] bij Liander een aanvraag ingediend om haar transportvermogen met 550 kW te verhogen. Liander heeft die aanvraag niet gehonoreerd, met als reden dat zij op dat moment geen capaciteit beschikbaar had. In kort geding heeft [eiser] gevorderd dat Liander haar een aanbod moet doen. De voorzieningenrechter heeft die vordering toegewezen, maar in hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en de vordering alsnog afgewezen. In deze bodemprocedure vordert [eiser] opnieuw dat Liander haar een aanbod doet om haar transportvermogen met 550 kW te verhogen. De rechtbank wijst de vordering af, omdat Liander voldoende heeft onderbouwd dat geen capaciteit beschikbaar is.
3 De feiten
[eiser] is producent van levensmiddelen en exploiteert een fabriek aan [adres] in Heerenveen. Voor haar fabriek heeft zij elektriciteit nodig, waarvoor zij is aangesloten op het elektriciteitsnetwerk van Liander. Liander was tot 1 januari 2026 netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet 1998 en per 1 januari 2026 distributiesysteembeheerder in de zin van de Energiewet. Zij is onder meer belast met het transporteren van elektriciteit.
[eiser] wenste haar productiecapaciteit uit te breiden en heeft Liander daartoe op 10 januari 2023 verzocht om haar aansluiting te verzwaren naar een zogenoemde AC6a-aansluiting, die een capaciteit heeft van 2 tot 5 Mega Volt Ampère (hierna: MVA), en om het gecontracteerd transportvermogen (hierna: GTV) te verhogen naar 2.250 kW.
Op 8 juni 2023 heeft [eiser] van Liander een offerte ontvangen voor de verzwaring van de aansluiting en een nieuwe aansluit- en transportovereenkomst (hierna: ATO) voor een GTV van 2.250 kW. De offerte heeft [eiser] op 19 juni 2023 ondertekend retour gestuurd. Diezelfde dag heeft zij Liander verzocht om haar GTV te verhogen naar 2.800 kW. In afwachting daarvan heeft zij op 23 juni 2023 wel alvast de ATO ondertekend voor een GTV van 2.250 kW. In artikel 2.2 van deze ATO staat:
Indien de afnemer -voor zover mogelijk- een grotere hoeveelheid elektriciteit laat transporteren dan overeenstemt met de omvang van het gecontracteerde transportvermogen, zal volgens de geldende condities het gecontracteerde transportvermogen worden aangepast, onverminderd het recht van de netbeheerder de afnemer een aanvullende vergoeding in rekening te brengen voor het reeds geleverde transportvermogen. (…)
Op 29 juni 2023 heeft Liander aan [eiser] medegedeeld het extra vermogen naar 2.800 kW vooralsnog niet toe te kunnen kennen, omdat de winterbelastingpiek te hoog is in het schakelstation waarop [eiser] is aangesloten:
“Het schaarsteniveau van SS Pim Mulier zal door deze GTV wijziging worden verhoogd naar oranje. Naar verwachting komt er vermogen beschikbaar wanneer de oostzijde van Heerenveen wordt overgenomen op 20 kV backbones in 2025. Er loopt een studie voor de verzwaring van SS Pim Mulier, de voedingskabels dienen verzwaard te worden.”
Na telefonisch overleg tussen partijen op 6 juli 2023 heeft Liander [eiser] het volgende bericht:
-
“Het gevraagde vermogen van 2.800 kW is beschikbaar zodra Liander de netverzwaring in dit gebied heeft uitgevoerd (planning Q4 – 2024);
-
Na de netverzwaring komt er ook veld vrij waardoor jullie een dubbel (N-1) voeding kunnen krijgen (planning Q4 – 2024);
-
Start uitvoering civiel (kabel) werk: in de loop van 2024 en verwachte oplevering van de gevraagde aansluiting zal in de tweede helft van 2024 zijn.”
Op 31 augustus 2024 heeft [eiser] Liander geïnformeerd dat zij ervan uitgaat dat zij in de tweede helft van 2024 de nieuwe aansluiting krijgt en dat zij de planning voor de uitbreiding van haar fabriek laat samenvallen met de planning van Liander voor de verzwaarde aansluiting. Diezelfde dag heeft Liander haar bevestigd dat zij bezig is met de voorbereiding van de verzwaring en dat zij nog steeds toewerkt ‘naar onderstaande planning’.
Aan het eind van de zomer van 2024 heeft Liander de aansluiting verzwaard en vanaf 2 september 2024 maakt [eiser] gebruik van een GTV van 2.250 kW. In haar e-mail van diezelfde dag heeft Liander gemeld dat [eiser] voor het overige door haar gewenste deel op de wachtlijst staat ‘zolang het elektriciteitsnet niet verder is uitgebreid'.
Op het schakelstation Pim Mulier was ook een ijzergieterij aangesloten. Deze ijzergieterij beschikte over een grootverbruikaansluiting in de categorie AC5 met een GTV van 960 kW. De ijzergieterij is in januari 2023 failliet gegaan. Partijen hebben met elkaar gesproken over de vrijgekomen capaciteit. Uit een interne e-mail van Liander van 10 oktober 2024, die in het bezit is van [eiser] , blijkt het volgende:
“Er is een nieuwe eigenaar voor het perceel van de oude ijzergieterij. Hier zit een aansluiting (AC5) – waarschijnlijk voormalig AC6 (?) want die hangt rechtsreeks aan Pim Mulier.
De nieuwe eigenaar is een timmerfabriek en heeft feitelijk een KV aansluiting voldoende. De mutatie gaat in gang gezet worden. Als we dit weten, kan er dan 2800kW eindejaar naar [eiser] ? Die willen een stap maken van 2250 naar 2800kW en dat vermogen zit ruimschoots in de AC5 GTV van de ex-gieterij.”
Op 12 december 2024 heeft (de advocaat van) [eiser] Liander een sommatiebrief gestuurd. Nadat het door [eiser] gewenste effect daarvan uitbleef is zij eind 2024 een kortgedingprocedure gestart. In eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter de vordering van [eiser] om een gebod tot het doen van een aanbod toegewezen. In tweede aanleg heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van [eiser] alsnog afgewezen.
Liander heeft onderzoek verricht naar de mogelijkheid om congestiemanagement toe te passen bij schakelstation Pim Mulier en de resultaten daarvan in april 2025 gepubliceerd (hierna: het CMO). In dit onderzoek concludeert zij dat daartoe vooralsnog geen mogelijkheid bestaat:
“In congestiegebied Heerenveen Pim Mulier gevoed door verdeelstations en middenspanningskabels is voor afname van elektriciteit de grens bereikt van de technische transportcapaciteit van de netwerkcomponenten en van de spanningshuishouding. Hierdoor is er sprake van congestie. Het gevolg is dat we op dit moment niet in alle gevraagde transportcapaciteit kunnen voorzien voor de afname van elektriciteit. Behalve door een tekort aan transportvermogen en/of spanningsproblematiek op het station kan congestie ontstaan wanneer er een tekort is aan transportvermogen en/of spanningsproblematiek is in het distributienet. Zo kunnen zowel nieuwe transportaanvragen als het huidige transportvermogen in combinatie met autonome groei (door bijvoorbeeld zonnepanelen en elektrische warmtepompen) zorgen voor congestie, nu en in de toekomst.
Op 14 oktober 2021 heeft Liander een vooraankondiging voor congestie gedaan voor dit congestiegebied. Nieuwe transportaanvragen plaatsen we sinds de vooraankondiging van congestie op onze wachtlijst.
(..)
In dit congestiegebied is er sprake van spanningscongestie. Dit kan zowel op het verdeelstation als in het distributienet ontstaan en is niet samen te vatten in een tabel van aanwezige- en gevraagde transportcapaciteit. De transportcapaciteit wordt hier niet bepaald door de stroomhoogte, maar door de spanning. De spanning in dit congestiegebied is beperkend voor de transportcapaciteit. Om deze reden wordt in dit onderzoek niet naar de technische transportcapaciteit voor verbruik gekeken. De technische transportcapaciteit is niet bepalend voor de spanningsproblematiek en biedt om die reden geen handvat voor congestiemanagement mogelijkheden.
(…)
Op basis van de nieuwe transportaanvragen die bij ons bekend zijn, komen wij tot de volgende prognose voor de transportbehoefte in het congestiegebied. De aanwezige transportcapaciteit voor het laatste jaar van congestie is 13,4 MVA, de benodigde transportcapaciteit voor het laatste jaar van congestie is 17,1 MVA en de gevraagde transportcapaciteit voor het laatste jaar van congestie is 2,1 MVA. Het beschikbaar transportvermogen is dan -3,7 MVA.”
Partijen hebben met elkaar gesproken over mogelijke oplossingen van hun geschil, waaronder de mogelijkheid van een capaciteitsbeperkingscontract, maar zijn niet tot een regeling gekomen.
4 Het geschil
in het incident
[eiser] verzoekt – samengevat, versterkt met een dwangsom en vermeerderd met kosten – Liander te veroordelen om binnen tien dagen na het vonnis in incident inzage te geven in of afschrift te verstrekken van de volgende informatie:
-
Studie Qirion,
-
Meetgegevens 2023 en 2024 op basis van gemeten kwartierwaarden,
-
Meetgegevens 2025 en het eerste kwartaal van 2026 op basis van kwartierwaarden,
-
Grafieken transportprognoses op kwartierbasis,
-
Aanvragen GTV-wijzigingen,
-
Aanvragen klantontwikkeling,
-
Aanvragen gebiedsontwikkeling,
-
Profielen.
Aan haar verzoek legt [eiser] artikel 194 Rv ten grondslag. Zij stelt dat tussen partijen zowel een contractuele als wettelijke rechtsbetrekking bestaat, waarbij zij verwijst naar de tussen partijen gesloten ATO en artikel 24 lid 1 Elektriciteitswet. Zij stelt dat Liander over de gevraagde gegevens beschikt, althans gemakkelijk kan beschikken en dat zij die ook voldoende concreet heeft omschreven. Zij wenst met de informatie het verweer van Liander in de hoofdzaak te kunnen verifiëren. Daarnaast stelt zij dat Liander op grond van artikel 79 lid 3 Elektriciteitswet, artikel 3.77 lid 3 Energiewet en artikel 31 lid 3 Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 verplicht is om informatie te verschaffen die [eiser] voor efficiënte toegang tot het systeem en het gebruik daarvan nodig zal hebben. Ze wenst met de gevraagde informatie meer inzicht te krijgen in de aanwezige transportcapaciteit (verzoek 1), de benodigde transportcapaciteit (verzoeken 2, 3 en 8), de beschikbare transportcapaciteit (verzoek 4) en haar plek in de wachtrij (verzoeken 5, 6 en 7).
Liander concludeert tot afwijzing van het verzoek. Zij betwist dat zij verplicht is inzage te geven in of afschrift te verstrekken van de gevraagde gegevens en ook overigens dat aan de vereisten daarvoor is voldaan.
in de hoofdzaak
[eiser] vordert – samengevat, versterkt met een dwangsom en vermeerderd met rente en kosten – Liander te veroordelen om haar uiterlijk binnen zeven dagen na dit vonnis een aanbod te doen voor 550 kW transportvermogen voor afname op haar bestaande aansluiting op het openbare elektriciteitsnet in aanvulling op het transportvermogen van 2.250 kW waarover zij al beschikt, waarbij in het aanbod is opgenomen dat [eiser] met onmiddellijke ingang op haar bestaande aansluiting een totaal transportvermogen voor afname van 2.800 kW kan contracteren en gebruiken en waarbij in het aanbod ten aanzien van de beschikbaarheid van het totale GTV van 2.800 kW voor [eiser] geen beperkingen zijn opgenomen.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat Liander op grond van artikel 24 lid 1 Elektriciteitswet verplicht is om degene die daarom verzoekt een aanbod te doen om elektriciteit te transporteren. Haar aanvraag hiertoe uit 2023 heeft Liander echter afgewezen. Zij stelt dat Liander nogmaals een aanbod moet doen, omdat de aanvraag destijds ten onrechte is geweigerd.
Liander concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Zij stelt dat zij mag weigeren [eiser] een aanbod te doen tot het transporteren van elektriciteit, nu daarvoor op het net onvoldoende capaciteit beschikbaar is.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling in incident
Nadat Liander haar conclusie van antwoord in deze zaak had genomen, heeft [eiser] het onderhavige incident ingesteld. Daarin heeft zij kort gezegd gevraagd om inzage in of afschrift van de (meet)gegevens waarop Liander bij conclusie van antwoord haar weigering tot het transporteren van elektriciteit heeft gebaseerd. Indien dit inzageverzoek wordt toegewezen, kan dat gevolgen hebben voor het verloop van de procedure in de hoofdzaak. De rechtbank ziet daarom aanleiding het incident als eerste te beoordelen.
Juridisch kader
Op grond van artikel 194 lid 1 Rv heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking in beginsel recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Uitgangspunt is dat het verzoek moet worden toegewezen als tegenover de wederpartij recht op inzage bestaat (‘toewijzen, tenzij’).1 Het inzagerecht beoogt enerzijds het ontstaan van een informatie-asymmetrie te voorkomen, maar anderzijds ook dat informatie moet worden gedeeld die niet relevant is voor de oplossing van het geschil of waarbij geen concreet belang aanwezig is.2 Een duidelijk verband tussen de verlangde informatie en een concrete vordering moet bestaan om zogenaamde fishing expeditions te voorkomen. De informatie moet dienen ter onderbouwing van een zaak en niet om deze op te zetten. Van onvoldoende belang is ook sprake indien de verzoeker niet duidelijk vermeldt wat hij met de gevraagde informatie wil bereiken of niet concreet omschrijft welk geschil aan het verzoek ten grondslag ligt.
Daarnaast bestaan er specifieke regelingen over het verstrekken van informatie. [eiser] doet in dat kader onder andere een beroep op de Elektriciteitswet. De Elektriciteitswet is inmiddels vervangen door de Energiewet. Artikel 7.51 lid 1 Energiewet regelt het overgangsrecht dat van toepassing is op aanhangige procedures: aanvragen tot en verzoeken om het nemen van besluiten op grond van de Elektriciteitswet (en bezwaren daartegen) die aanhangig waren op het tijdstip van inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling van de Energiewet worden geacht met ingang van dat tijdstip van rechtswege aanvragen, verzoeken en bezwaren te zijn op grond van de Energiewet. In deze procedure vordert [eiser] in de hoofdzaak een gebod tot het doen van een aanbod tot transport door Liander. De rechtbank houdt het ervoor dat [eiser] hiermee een besluit van Liander wenst te bewerkstelligen. Deze procedure is gestart toen de Elektriciteitswet nog gold. De rechtbank begrijpt het overgangsrecht aldus dat zij de onderhavige vordering dient te beoordelen op basis van de Energiewet. Artikel 3.77 Energiewet en artikel 31 lid 3 Elektriciteitsrichtlijn bevatten een enigszins met de Elektriciteitswet vergelijkbare regeling voor het openbaar maken van informatie. Op grond van die bepalingen verstrekt een distributiesysteembeheerder (voorheen netbeheerder) aangeslotenen informatie die ze nodig hebben voor een efficiënte toegang tot het systeem inclusief en het gebruik daarvan.
Geen belang bij gevraagde gegevens
Toepassing van dit toetsingskader leidt ertoe dat het verzoek om inzage in of afschrift van de gevraagde gegevens zal worden afgewezen, nu [eiser] daarbij onvoldoende belang heeft. Het inzagerecht dient er niet toe om het verweer van Liander te verifiëren. Het is daarmee niet duidelijk hoe deze informatie haar rechtspositie nader kan bepalen, hoe de gegevens kunnen bijdragen aan een oplossing van het geschil of wat het verband is met de door haar ingestelde vordering. Dit geldt met name nu zij dit incident heeft ingesteld na het uitbrengen van haar dagvaarding en nadat de conclusie van antwoord in de hoofdzaak al was genomen. Voor nadere onderbouwing van haar standpunten bestaat in beginsel enkel aanleiding indien artikel 22 en 150 Rv dat meebrengen. Het is op grond van artikel 149 lid 1 Rv en artikel 21 Rv echter in de eerste plaats aan partijen om hun standpunten te onderbouwen. [eiser] heeft er kennelijk bewust voor gekozen om dit verzoek niet voorafgaand aan deze procedure of bij dagvaarding in te stellen, terwijl daarvoor mogelijk wel aanleiding bestond. De weigering van Liander was haar op dat moment immers al bekend, net als de reden daarvoor. [eiser] had ervoor kunnen kiezen die gegevens in een eerder stadium op te vragen, zodat zij die ter onderbouwing van haar vordering in deze procedure had kunnen inbrengen. Zij heeft dat echter niet gedaan. Het is daarmee onduidelijk welk belang [eiser] in deze fase van de procedure nog heeft bij het verkrijgen van de gegevens.
Het voorgaande geldt ook indien zij de gegevens wenst te verkrijgen voor het inbrengen daarvan in een eventueel nog te starten procedure. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] gesuggereerd dat te willen doen indien van een vonnis in deze zaak hoger beroep wordt ingesteld. Daarmee draagt de informatie echter nog niet bij aan haar rechtspositie in de onderhavige procedure. Het is in het kader van deze procedure prematuur om het verzoek voor een later doel te kunnen beoordelen, nu niet duidelijk is of hoger beroep zal worden ingesteld en wat de aard en omvang van die procedure zullen zijn. Voor het opbouwen van een zaak in een mogelijk nog te starten procedure is het inzagerecht niet bedoeld.
Ook als [eiser] nog wel in de gelegenheid zou worden gesteld om de gevraagde gegevens in deze procedure in te brengen, is niet duidelijk welk belang zij bij die gegevens heeft. Voor zover [eiser] met de informatie zou willen aantonen dat het standpunt van Liander dat sprake is van onvoldoende capaciteit onjuist is, leidt dit namelijk niet zonder meer tot het oordeel dat Liander [eiser] een aanbod moet c.q. had moeten doen. Zoals Liander onweersproken heeft aangevoerd betrekt zij bij haar afweging meer factoren dan enkel die waarop de verzoeken van [eiser] zich richten, waaronder bijvoorbeeld de te hanteren veiligheidsmarges. Over de uitvoering van haar wettelijke taken legt Liander bovendien verantwoording af aan de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb). [eiser] heeft niet toegelicht of en zo ja, in hoeverre in de afweging van Liander nog ruimte is voor inbreng van individuele aanvragers, terwijl Liander weerspreekt dat die ruimte bestaat. Een bezwaar of beroep tegen de weigering van Liander ligt in deze procedure niet voor, terwijl ook niet is toegelicht welke ruimte er bij de ACM en het CBb is voor inbreng van individuele aanvragers.
Daarnaast heeft [eiser] ten aanzien van de verzoeken 1, 2 en 4 niet toegelicht waarom de door Liander bij conclusie van antwoord verstrekte screenshots en afbeeldingen ontoereikend zijn en gedetailleerder informatie nodig is. Daar komt bij dat Liander haar weigering uit 2023 heeft gemotiveerd en [eiser] niet heeft toegelicht dat en waarom de destijds verstrekte informatie onvoldoende is geweest. Ook om die reden ontbreekt belang.
Het beroep van [eiser] op artikel 3.77 Energiewet en artikel 31 Elektriciteitsrichtlijn kan evenmin leiden tot toewijzing van haar verzoek. Ze heeft in het geheel niet onderbouwd waarom zij de gevraagde gegevens nodig heeft voor efficiënte toegang tot het systeem en het gebruik daarvan.
6 De beoordeling in de hoofdzaak
Kern van het geschil tussen partijen in de hoofdzaak is de vraag of Liander is gehouden extra elektriciteit voor [eiser] te transporteren of dat de capaciteit op het net daarvoor onvoldoende is waardoor zij mag weigeren om een aanbod tot transport te doen. Op de beoordeling van die vraag is zoals hiervoor overwogen de Energiewet (voorheen de Elektriciteitswet) van toepassing.
Juridisch kader
Op grond van artikel 3.46 lid 1 Energiewet doet een distributiesysteembeheerder op verzoek een aanbod tot het verzorgen van transport van elektriciteit over zijn systeem. Op grond van lid 2 kan een distributiesysteembeheerder het doen van een aanbod weigeren, indien en voor zo lang er voor het verzochte transport op grond van objectieve en technische criteria aantoonbaar onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op zijn systeem. De distributiesysteembeheerder neemt passende maatregelen om zo spoedig mogelijk een aanbod te doen. Deze regeling is in zoverre vergelijkbaar met het voorheen geldende artikel 24 Elektriciteitswet.
De transportvoorwaarden en in het bijzonder de voorwaarden voor het toekennen van transportrechten onder de Energiewet zijn nader uitgewerkt in (paragraaf 7.2 van) de Systeemcode elektriciteit. Die code heeft met de inwerkingtreding van de Energiewet de Netcode elektriciteit vervangen.3 De Systeemcode elektriciteit bevat geen overgangsrecht voor aanvragen die waren gedaan op grond van de Elektriciteitswet, waarvan de Netcode elektriciteit een uitwerking was. De rechtbank houdt het er daarom voor dat de Systeemcode elektriciteit vanaf de inwerkingtreding daarvan van toepassing is op lopende aanvragen en procedures daarover, zoals de onderhavige procedure.
Op grond van artikel 7.13 lid 2 Systeemcode elektriciteit beoordeelt de systeembeheerder bij elke aanvraag om het doen van een aanbod voor het uitvoeren van transport de toereikendheid van de in het systeem beschikbare transportcapaciteit om te voldoen aan de gevraagde transportcapaciteit. De beschikbare transportcapaciteit is het deel van de aanwezige transportcapaciteit dat niet wordt ingezet om aan de benodigde transportcapaciteit te voldoen en is gelijk aan het verschil tussen de aanwezige transportcapaciteit en de benodigde transportcapaciteit (artikel 7.14 lid 4 Systeemcode elektriciteit). Bij de beoordeling van de aanwezige transportcapaciteit hanteert de systeembeheerder op grond van artikel 7.14 lid 1 Systeemcode elektriciteit (a) de technische capaciteit van het systeem en (b) de systeemontwerpcriteria en operationele veiligheidsgrenzen. Bij de beoordeling van de benodigde transportcapaciteit hanteert de systeembeheerder, samengevat, de volgende aspecten: (a) de periode waarover de beoordeling benodigd is, (b) het totaal van het GTV voor afname of voor invoeding, (c) het meest aannemelijke profiel voor de belasting van het beperkende systeemelement, (d) informatie die hij van aanvragers ontvangt die een elektriciteitsproductie-eenheid hebben, (e) de mogelijkheden om fysieke congestie op te lossen en (f) overheidsbeleid dat van invloed is op de inrichting van het systeem. De beoordeling van de aanwezige en benodigde transportcapaciteit werkt de systeembeheerder uit in scenario’s (lid 3). Wanneer de benodigde transportcapaciteit, inclusief de eventuele gevraagde transportcapaciteit, de aanwezige transportcapaciteit overschrijdt, maakt de systeembeheerder een inschatting van de hoeveelheid niet te transporteren elektriciteit inclusief onzekerheidsmarge (lid 5).
Indien bij een verzoek als bedoeld in artikel 3.46 lid 1 Energiewet de gevraagde transportcapaciteit de beschikbare transportcapaciteit overschrijdt, onderzoekt de systeembeheerder op grond van artikel 7.15 lid 1 Systeemcode elektriciteit de mogelijkheden om op korte termijn de gevraagde transportcapaciteit en beschikbare transportcapaciteit met elkaar in overeenstemming te brengen. De systeembeheerder onderzoekt daartoe, samengevat en voor zover hier relevant, (a) de mogelijkheid om de gevraagde transportcapaciteit te verlagen, (b) de mogelijkheid om de beschikbare transportcapaciteit te vergroten, (c) de mogelijkheid om fysieke congestie op te lossen en (d) de mogelijkheid om congestiemanagement toe te passen. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de gevraagde transportcapaciteit in overeenstemming kan worden gebracht met de beschikbare transportcapaciteit, voert de systeembeheerder dit zo snel mogelijk uit (lid 2). Indien uit dit onderzoek blijkt dat dit niet mogelijk is, is de systeembeheerder niet verplicht een aanbod te doen als bedoeld in artikel 3.46 lid 1 Energiewet. De aanvrager krijgt in dat geval de mogelijkheid om zijn verzoek aan de wel beschikbare transportcapaciteit aan te passen. De systeembeheerder motiveert schriftelijk aan de verzoeker dat hij geen aanbod doet voor het uitvoeren van transport (lid 4).
Ten tijde van het indienen van de dagvaarding en de conclusie van antwoord was de Elektriciteitswet en de daaraan gekoppelde Netcode elektriciteit van toepassing. Op die regelingen hebben partijen hun standpunten gebaseerd. Ten tijde van de mondelinge behandeling waren deze regelingen vervangen door de Energiewet en de daaraan gekoppelde Systeemcode elektriciteit. Partijen hebben, hoewel daartoe voorafgaand aan en ten tijde van de mondelinge behandeling wel gelegenheid bestond en dit punt tijdens de mondelinge behandeling ook aan de orde is gesteld, hun standpunten naar aanleiding van deze wetswijzingen niet aangepast of aangevuld. De rechtbank gaat er voor de beoordeling dan ook van uit dat hun standpunten inhoudelijk niet zijn gewijzigd en past ambtshalve de nieuwe regelingen toe, die op de relevante onderdelen vergelijkbaar zijn met de oude.
Het peilmoment
Tussen partijen is niet in geschil dat Liander op grond van artikel 3.46 lid 1 Energiewet in beginsel is gehouden om [eiser] een aanbod te doen voor het transporteren van elektriciteit over haar net. Liander beroept zich echter op het tweede lid en stelt dat zij transport mag weigeren, nu volgens haar sprake is van onvoldoende capaciteit. Gelet op artikel 150 Rv draagt zij hiervan de bewijslast.
Ingevolge artikel 3.46 lid 2 Energiewet mag Liander het doen van een aanbod weigeren bij aantoonbaar onvoldoende capaciteit. De nadere uitwerking in de Systeemcode elektriciteit komt erop neer dat Liander dient te beoordelen welke transportcapaciteit beschikbaar is. Daarvoor moet zij enerzijds beoordelen welke transportcapaciteit aanwezig is op het net waarop [eiser] is aangesloten en anderzijds welk deel daarvan al benodigd is, berekend op basis van onder andere alle GTV’s en profielen voor de belasting van het net. Wat overblijft, is de beschikbare transportcapaciteit. Pas als Liander na die beoordeling én nader onderzoek naar andere mogelijkheden (zoals het verlagen van de gevraagde capaciteit en het verhogen van de beschikbare capaciteit) tot de conclusie komt dat geen capaciteit beschikbaar is, hoeft zij [eiser] geen aanbod te doen.
Het moment waarop de vordering van [eiser] moet worden beoordeeld ligt in het verleden. Weliswaar heeft zij het gebod tot het doen van een aanbod nu bij dagvaarding ingesteld, maar daarmee heeft zij enkel willen bewerkstelligen dat haar eerdere aanvraag uit 2023 alsnog wordt toegekend. In feite ligt daarmee de vraag voor of Liander haar destijds ten onrechte geen aanbod heeft gedaan. Hieraan doet niet af dat Liander de aanvraag destijds alleen voorlopig heeft geweigerd in afwachting van het congestieonderzoek dat op dat moment nog niet was afgerond. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij toegelicht dat zij doorlopend blijft onderzoeken wat de mogelijkheden zijn en dat [eiser] haar plek in de wachtrij behoudt, ondanks dat zij in deze procedure opnieuw verzoekt om een aanbod. Bij die beoordeling kijkt zij juist naar de actuele situatie en de verwachtingen op dat moment. Dat is echter een andere beoordeling dan die [eiser] nu van de rechtbank vraagt, te weten of het destijds goed is gegaan. De vordering moet daarom worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals deze zich destijds, te weten ten tijde van de (voorlopige) weigering van de aanvraag op 29 juni 2023, voordeden.4
De aanwezige transportcapaciteit
Tussen partijen is evenmin in geschil dat voor de beoordeling van de aanvraag van [eiser] de beschikbare transportcapaciteit van het schakelstation Pim Mulier moet worden beoordeeld, via welk station [eiser] is aangesloten op het net van Liander. Daarvoor moet allereerst worden beoordeeld wat de aanwezige transportcapaciteit is bij dat station. Tussen partijen is in geschil of Liander van de juiste hoeveelheid MVA is uitgegaan.
Liander heeft toegelicht dat het schakelstation Pim Mulier bestaat uit een 10kV-installatie die wordt gevoed door vier kabelketens. Voor de berekening van de aanwezige transportcapaciteit heeft zij het maximaal toelaatbare vermogen van deze kabelketens bij storing of onderhoud getoetst. Dit vermogen heeft zij laten onderzoeken door Qirion en de resultaten van die ketenstudie heeft ze voor iedere kabelketen schematisch weergegeven. Daarbij heeft zij de sterkste keten uitgezet om een verplichte storingsreserve aan te houden; indien die keten immers in storing zou gaan kan dat vermogen niet worden opgevangen door een van de zwakkere ketens. Uit dat onderzoek komt een gezamenlijk maximaal vermogen van 12,62 MVA. De technische limiet heeft Liander vervolgens naar boven toe bijgesteld naar 13,4 MVA, omdat het station minder productie (opname door het net) kent dan afname (levering door het net) aldus steeds Liander in haar conclusie van antwoord en in het CMO.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Liander de aanwezige transportcapaciteit hiermee voldoende onderbouwd. De enkele omstandigheid dat de gegevens voor [eiser] niet volledig verifieerbaar zouden zijn betekent niet dat de gegevens onjuist zijn. Liander is ook niet gehouden over elk onderdeel verantwoording af te leggen aan [eiser] ; de ACM is immers de toezichthoudende instantie. Liander heeft het vermogen bovendien door een derde partij laten toetsen. [eiser] heeft niet duidelijk gemaakt wat er aan de berekening schort, anders dan haar enkele niet onderbouwde standpunt tijdens de mondelinge behandeling dat Liander 0,74 MVA niet heeft verantwoord en dat Liander niet is gehouden om een storingsreserve aan te houden. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
De beschikbare transportcapaciteit
Aan de hand van haar als productie 2 overgelegde afbeelding met meetgegevens over 2023 heeft Liander bij conclusie van antwoord toegelicht dat de belastingpiek in 2023 12,2 MVA bedroeg. Dat is minder dan de 13,4 MVA aanwezige transportcapaciteit. In die jaren was dus nog transportcapaciteit beschikbaar. De elektriciteit van [eiser] zal echter ook de daaropvolgende jaren getransporteerd moeten worden; zij wenst immers haar productie uit te breiden. De capaciteit over die jaren zal dus ook moeten worden beoordeeld. Tussen partijen is niet in geschil dat Liander alleen transport mag weigeren bij fysieke congestie. Daarvan is kort gezegd sprake wanneer de fysieke grens van de maximale transportcapaciteit dreigt te worden overschreden.5 Liander mag geen transport weigeren bij alleen contractuele congestie, waarvan kort gezegd sprake is als de voor afnemers gereserveerde capaciteit hoger is dan de transportcapaciteit van het net.6 Deze aangeboden capaciteit wordt namelijk niet altijd benut. Liander concludeert op basis van prognoses dat er geen capaciteit beschikbaar is. [eiser] betwist dat dit het geval is en ook dat Liander voor de beoordeling van de beschikbare transportcapaciteit überhaupt gebruik mag maken van prognoses. Volgens [eiser] kan Liander pas vaststellen of sprake is van congestie in de middag voorafgaand aan de dag waarop de congestie zal ontstaan, omdat zij dan de daadwerkelijke markttransacties ontvangt van aangeslotenen.
De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. Uit jurisprudentie volgt immers dat het past bij verantwoord netbeheer om niet af te wachten tot fysieke congestie plaatsvindt, maar om daarover beredeneerde voorspellingen te doen en daarmee rekening te houden in beleid en bedrijfsvoering.7 Nu [eiser] transport wenst over een langere periode kan Liander haar geen transport aanbieden in de verwachting dat zij dat op enig moment, en wel daags voordat de congestie zich voordoet, niet meer kan leveren. Dat past niet bij verantwoord netbeheer. Indien [eiser] iets anders heeft bedoeld, heeft zij dat onvoldoende toegelicht.
Liander heeft dus bij de aanvraag van [eiser] een beredeneerde voorspelling moeten doen van de capaciteit over de jaren na 2023. In dat kader heeft zij toegelicht dat zij rekening heeft gehouden met GTV-wijzigingen (verzoeken van aangeslotenen om aanpassing van hun GTV), klantontwikkeling (aanvragen voor nieuwe grootverbruikaansluitingen) en gebiedsontwikkeling (aanvragen voor kleinverbruik en ontwikkelingen voor hoofdzakelijk nieuwbouw en verduurzaming van bestaande bouw). Liander heeft een geanonimiseerde opsomming gegeven van de klanten die hebben verzocht om wijziging van hun GTV, de klanten die om een nieuwe of aangepaste grootverbruikaansluiting hebben gevraagd en de gebiedsontwikkelingen voor woningbouw, alle voor zover deze betrekking hebben op Pim Mulier. Daarnaast heeft zij bij de prognose rekening gehouden met geplande werkzaamheden voor het ontlasten van Pim Mulier, warmtepompen voor kleinverbruikers, elektrisch vervoer en zonnepanelen (beide – deels – op basis van profielen conform de (landelijke) klimaatambitie). Hieruit blijkt dat Liander haar prognoses niet alleen heeft gebaseerd op gegevens van andere aangeslotenen, wat volgens [eiser] niet juist zou zijn, maar op meerdere omstandigheden die de komende jaren naar verwachting de afname of invoeding van het net zullen beïnvloeden. De mate waarin [eiser] met haar gevraagde transportcapaciteit beslag legt op de aanwezige transportcapaciteit is dus, anders dan [eiser] lijkt te betogen, maar beperkt van belang bij de gehele beoordeling.
De congestie heeft Liander bovendien onderbouwd met concrete gegevens. Uit haar toelichting blijkt immers dat zij haar prognose heeft gebaseerd op de omvang en feitelijk benutte transportcapaciteit in het laatst gemeten jaar, 2023, en de niet-beïnvloedbare groei daarvan tot en met 2032. Aan de hand van afbeeldingen heeft zij haar prognose getoond van het transportvermogen over de jaren tot en met 2032. Daarin heeft zij de hiervoor vermelde omstandigheden meegenomen. Op basis hiervan concludeert Liander dat de benodigde transportcapaciteit de aanwezige transportcapaciteit vanaf 2025 met 1,1 MVA overschrijdt en dat die overschrijding de daaropvolgende jaren oploopt tot het piekmoment van 15,4 MVA in 2032, het jaar waarin het net wordt uitgebreid en de congestie wordt verwacht te zijn verholpen. Met een aanwezige transportcapaciteit van 13,4 MVA betekent dit een overschrijding van 2 MVA.
Deze prognose heeft Liander gemaakt in december 2024 omdat [eiser] toen het kort geding was gestart. Die prognose zou anders uitvallen indien zij die in 2023 had gemaakt, zo heeft zij toegelicht, omdat de hiervoor vermelde omstandigheden ‘een doorlopende impact hebben op de prognoses’. Zij heeft echter ook uitgelegd dat haar conclusie dat sprake is van onvoldoende capaciteit niet anders zou zijn. De reden hiervoor is dat de overschrijding op basis van deze prognose al dusdanig substantieel is dat ook in 2023 al congestie zou zijn voorzien over de relevante periode, zo begrijpt althans de rechtbank. [eiser] heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank in haar beoordeling uitgaat van deze prognose.
De prognose is voldoende onderbouwd
Met deze toelichting heeft Liander naar het oordeel van de rechtbank haar verwachting van het daadwerkelijk gebruik van de transportcapaciteit in de toekomst gebaseerd op relevante aspecten, die net als in voormeld arrest zien op ervaringen in het verleden, karakteristieken van de producenten, specifieke kenmerken van de energiebronnen en prognoses en verwachtingen van de producenten zelf.8 In elk geval ziet de prognose anders dan [eiser] betoogt niet (enkel) op contractuele congestie. De rechtbank gaat om navolgende reden ook voorbij aan hetgeen [eiser] overigens aanvoert in het kader van haar betwisting dat sprake is van onvoldoende beschikbare transportcapaciteit.
In de eerste plaats is niet vereist dat de gegevens voor [eiser] volledig verifieerbaar zijn, terwijl [eiser] bovendien niet heeft toegelicht dat de hierboven weergegeven uitleg van Liander onvoldoende is. [eiser] heeft weliswaar betoogd dat de gegevens die Liander in kort geding had gepresenteerd onvoldoende verifieerbaar zijn, maar zij heeft dat standpunt niet nader onderbouwd nadat Liander bij conclusie van antwoord de hiervoor weergegeven toelichting heeft gegeven. Daarnaast betekent de omstandigheid dat de gegevens niet door haar zijn geverifieerd niet dat deze onjuist zijn. Ook is onduidelijk op grond waarvan Liander gehouden zou zijn haar meer inzicht te geven dan zij nu heeft gedaan en waar dit dan toe zou moeten leiden. De omstandigheid dat de prognose niet is opgesteld door een derde partij maakt verder niet dat Liander deze niet mag betrekken bij haar beoordeling van de beschikbare transportcapaciteit. Zij heeft dit standpunt niet nader onderbouwd en dit blijkt ook nergens uit.
In de tweede plaats heeft Liander concrete meetgegevens getoond over 2023 en 2024. Met die gegevens heeft zij bijvoorbeeld laten zien dat Pim Mulier wel degelijk wordt bemeet. Het standpunt van [eiser] dat dat niet zo zou zijn had zij gebaseerd op een e-mail waarin Liander naar aanleiding van het kort geding en buiten rechte met [eiser] de mogelijkheid had onderzocht om een capaciteitsbeperkend contract (CBC) aan te gaan. Dit bleek echter niet meer mogelijk, omdat voor een dergelijk flexcontract nodig is ‘dat Liander de belasting van het net kan meten, dat de meetwaardes (geautomatiseerd) verwerkt kunnen worden en dat (indien nodig) de vermogensvraag van de juiste partij naar beneden gebracht kan worden. Het middenspanningsnet van Liander is hier echter nog niet gereed om dit op plekken waar spanningsproblemen zijn’. Hieruit kan onder andere worden afgeleid dat Liander nog geen CBC kan aanbieden omdat zij de daarvoor benodigde metingen niet kan verrichten. Hieruit kan, anders dan [eiser] meent, echter niet worden afgeleid dat Liander in het geheel geen metingen verricht. De als productie 2 overgelegde afbeelding van de meetgegevens laat immers het tegenovergestelde zien. Dit geldt ook voor zover [eiser] dit standpunt baseert op het CMO, waarin Liander volgens haar op diverse plekken schrijft over beperkte meetdata te beschikken waardoor weinig inzicht zou zijn in de werkelijke belasting. [eiser] maakt niet duidelijk wat ze bedoelt met ‘weinig’ en ‘beperkt’, op welke periode en welke berekeningen dit ziet en wat dit betekent voor haar vordering. Evenmin heeft ze duidelijk gemaakt hoe dit standpunt zich verhoudt tot de meetgegevens die Liander over 2023 in deze procedure heeft verstrekt. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
In de derde plaats heeft Liander met de concrete meetgegevens over 2023 (en 2024) laten zien dat zij voor haar beoordeling van de aanvraag in 2023 het daadwerkelijk verbruik tot uitgangspunt heeft genomen (en daarop haar prognoses heeft gebaseerd) en niet het vermogen dat mogelijk wel is gecontracteerd maar niet is verbruikt. [eiser] lijkt dit te impliceren met haar standpunt dat de gegevens over de piekbelasting in 2023 het verbruik van de in januari 2023 gefailleerde ijzergieterij kunnen bevatten, die volgens haar goed was voor een GTV van 960 kW, en dat de gegevens daarom niet langer representatief zijn. Zij heeft echter niet onderbouwd dat Liander ook daadwerkelijk niet-verbruikt vermogen van de ijzergieterij heeft meegenomen in haar berekening en dit ligt gelet op de overgelegde concrete meting ook niet voor de hand.
In de vierde plaats heeft Liander de gegevens over de juiste periode beoordeeld. Volgens [eiser] heeft Liander de gegevens niet naar het juiste peilmoment berekend omdat de gegevens een reconstructie zouden zijn van een inschatting die zij op een later moment heeft gemaakt. [eiser] heeft dit standpunt gebaseerd op een toelichting die Liander tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding in hoger beroep heeft gegeven. Uit die toelichting volgt dat Liander de aanvraag beoordeelt met een softwareprogramma waaruit tabellen volgen. Die tabellen heeft zij ten tijde van de aanvraag kennelijk niet bewaard, maar opnieuw gegenereerd en overgelegd toen [eiser] in 2024 de procedure startte. De analyse is echter dezelfde als in 2023, aldus Liander. Deze handelwijze komt de rechtbank begrijpelijk voor. Het is ook overigens niet gebleken dat Liander daarin ‘nieuwe inzichten’ heeft meegewogen. Daarbij komt dat Liander de gegevens uit het kort geding waarop [eiser] nu haar standpunt baseert in deze procedure heeft aangevuld met de toelichting die zij hiervoor heeft gegeven. [eiser] heeft niet uitgelegd waarom de verstrekte informatie nog altijd onvoldoende zou zijn. Het voorgaande laat onverlet dat er, zoals Liander tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht, voortdurend wijzigingen op het net plaatsvinden en Liander aanvragen (opnieuw) beoordeelt aan de hand van nieuwe ontwikkelingen. Dit geldt ook voor een eventuele sluiting van de twee [fabrieken] van [bedrijf 2] die zijn verbonden met Pim Mulier. Liander heeft tijdens de mondelinge behandeling echter toegelicht dat de ATO met [bedrijf 2] op dat moment nog van kracht was, zodat die capaciteit (nog) niet is vrijgekomen.
Ten slotte gaat de rechtbank ook voorbij aan het betoog van [eiser] dat er wel capaciteit beschikbaar was omdat zij geen brief had gekregen waarin de congestie werd aangekondigd en Liander via [eiser] persoonlijke portaal en op haar algemene website niets had vermeld over beperkingen in het verbruik. Ook als dat juist is, dan betekent dat niet dat er ook daadwerkelijk capaciteit beschikbaar is. Liander heeft hiervoor juist geconcludeerd dat dat niet het geval is. Deze conclusie kon zij bovendien pas trekken op basis van een onderzoek dat zij ook volgens [eiser] zelf op grond van artikel 7.13 Systeemcode elektriciteit moest verrichten.
De conclusie is dat Liander voldoende heeft onderbouwd dat voor de aanvraag van [eiser] geen transportcapaciteit beschikbaar was en sprake is van fysieke congestie bij Pim Mulier.
Geen congestiemanagement mogelijk
Nadat Liander op 14 oktober 2021 een vooraankondiging van congestie had gepubliceerd vanwege een verwacht structureel tekort aan beschikbare transportcapaciteit bij Pim Mulier, heeft zij in april 2023 het CMO gepubliceerd (zie hiervoor onder r.o. 3.10). De benodigde transportcapaciteit berekent Liander daarin op 17,1 MVA, terwijl de aanwezige transportcapaciteit 13,4 MVA bedraagt. Het beschikbaar transportvermogen op basis van de huidige aanvragen komt daarmee uit op -3,7 MVA. De gevraagde transportcapaciteit komt naar verwachting van Liander hoger uit dan de nu becijferde 2,1 MVA, omdat zij nieuwe transportaanvragen verwacht. Onder verwijzing naar de in het CMO beschreven transportprognoses en aan de hand van afbeeldingen heeft Liander laten zien dat de overschrijding van de aanwezige capaciteit vanaf 2026 toeneemt tot het moment waarop het net is uitgebreid, wat naar haar verwachting in 2032 het geval zal zijn. Zij heeft toegelicht dat zij de gevraagde capaciteit niet omlaag kan brengen, omdat de aangeslotenen op Pim Mulier niet bereid zijn gevonden om akkoord om (in voldoende mate) minder transportvermogen te vragen en ook niet om dit transportvermogen met bijvoorbeeld CBC’s terug te brengen. Omdat [eiser] rechtsreeks op Pim Mulier is aangesloten, bieden andere technische maatregelen geen oplossing. De aanwezige transportcapaciteit kan zij voorts alleen vergroten door netverzwaring, die pas in 2032 is voorzien. Zij concludeert dan ook dat congestiemanagement niet mogelijk is.
[eiser] heeft weliswaar betwist dat Liander alle mogelijkheden heeft onderzocht om congestiemanagement toe te passen, maar heeft nagelaten dit standpunt nader te onderbouwen nadat Liander bovenvermelde toelichting had gegeven. Zij heeft bovendien in het geheel niet toegelicht welke concrete maatregelen Liander volgens haar had kunnen nemen. Bij die stand van zaken heeft Liander voldoende onderbouwd dat zij weliswaar de mogelijkheden heeft onderzocht om op korte termijn de gevraagde transportcapaciteit en beschikbare transportcapaciteit met elkaar in overeenstemming te brengen, maar dat dit niet mogelijk is gebleken.
De weigering is voldoende onderbouwd
Aldus heeft Liander op grond van objectieve en technische criteria aangetoond dat er voor het door [eiser] verzochte transport onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op het net. Op grond van artikel 3.46 lid 2 Energiewet heeft zij de aanvraag van [eiser] tot het doen van een aanbod mogen weigeren.
De ATO verplicht niet tot het transporteren van meer elektriciteit
Op grond van de ATO zal het GTV kort gezegd worden aangepast indien [eiser] ‘voor zover mogelijk’ een grotere hoeveelheid elektriciteit laat transporteren. Tussen partijen is niet in geschil dat dit alleen mogelijk is als voldoende capaciteit beschikbaar is als bedoeld in (nu) artikel 3.46 Energiewet. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat die capaciteit er niet is. Ook is niet gebleken dat [eiser] op dit moment al een grotere hoeveelheid laat transporteren, al dan niet op piekmomenten, nu dat nu juist de inzet is van deze procedure. De ATO biedt daarmee geen grondslag voor het aanpassen van het GTV of, voor zover dat bedoeld is, een verplichting voor Liander om [eiser] daartoe een aanbod te doen.
Geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen
[eiser] stelt dat Liander haar op meerdere momenten heeft toegezegd dat er eind 2024 of uiterlijk begin 2025 transportcapaciteit beschikbaar zou komen en haar GTV zou worden verhoogd naar 2.800 kW. Daar mocht zij gerechtvaardigd op vertrouwen.
Op grond van artikel 3:33 BW is voor een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil vereist. Deze wil moet zich door een verklaring hebben geopenbaard. Artikel 3:35 BW beschermt de wederpartij die een dergelijke verklaring anders heeft mogen opvatten. Als aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan, mag deze wederpartij uitgaan van de verklaring met de strekking zoals hij die heeft begrepen. In dat geval heeft de rechtshandeling dus de strekking die de wederpartij daaraan heeft mogen toekennen en niet de strekking die de ander daaraan heeft willen toekennen.
In dit geval heeft [eiser] gesteld dat zij de berichten van Liander zo heeft opgevat dat Liander haar GTV eind 2024 of begin 2025 zou verhogen. Voor zover zij hiermee heeft bedoeld te stellen dat Liander haar een aanbod zou doen voor het transporteren van de gevraagde elektriciteit, kan dit – indien juist, hetgeen Liander betwist – niet leiden tot toewijzing van haar vordering. Die is immers gebaseerd op de stelling dat haar al in 2023 een aanbod had moeten worden gedaan. Daarnaast kan de door [eiser] gestelde inhoud ook niet uit de berichten van Liander worden afgeleid. In haar bericht van 29 juni 2023 schrijft Liander juist met zoveel woorden dat het extra vermogen naar 2.800 kW niet kan worden toegekend. Weliswaar spreekt zij in dat bericht ook de verwachting uit dat in 2025 vermogen beschikbaar komt, maar daarvoor dient Pim Mulier eerst verzwaard te worden. Ook in haar bericht van 8 juli 2023 schrijft Liander dat het door [eiser] gevraagde GTV afhankelijk is van netverzwaring, zij het dat zij daar uitgaat van eind 2024. In haar bericht van 31 augustus 2023 schrijft Liander dat zij de verzwaring voorbereidt en ‘nog steeds naar onderstaande planning toe’ werkt. Hoewel onduidelijk is welke planning Liander in dat bericht bedoelt, blijkt wel dat eerst het net moet worden verzwaard voordat het GTV kan worden verhoogd. Tot die tijd staat de door [eiser] gewenste aanvraag op een wachtlijst, zo blijkt uit Lianders e-mail van 2 september 2024. Uit deze berichten kan niet worden afgeleid dat Liander [eiser] eind 2024 of begin 2025 een aanbod zou doen tot het verhogen van haar GTV naar 2.800 kW, enkel dat zij verwachtte tegen die tijd het net te hebben verzwaard. Ook als juist is dat Liander [eiser] na die verzwaring een aanbod zou doen, betekent dat niet dat zij dat aanbod hoe dan ook in 2024 of 2025 zou doen. Steeds herhaalt Liander immers de voorwaarde dat het net moet worden verzwaard. [eiser] heeft die berichten niet anders mogen opvatten, zodat van gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake is.
Conclusie
De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] ook in de hoofdzaak zullen worden afgewezen. [eiser] is daarmee zowel in het incident als in de hoofdzaak in het ongelijk gesteld en moet in beide gevallen de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aan de mondelinge behandeling van het incident, die gecombineerd met de hoofdzaak heeft plaatsgevonden, wordt een 0,5 punt toegekend. De proceskosten van Liander worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
714,00 |
||
|
- salaris advocaat |
€ |
2.285,50 |
(3,5 punten × € 653,00) |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
|
Totaal |
€ |
3.188,50 |
7 De beslissing
De rechtbank
in incident
wijst de verzoeken van [eiser] af,
in hoofdzaak
wijst de vorderingen van [eiser] af,
in incident en in hoofdzaak
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 3.188,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
1547