ECLI:NL:HR:2025:1760

Datum uitspraak
25-11-2025
Instantie
Hoge Raad
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
23/02617
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Medeplegen grootschalige handel in valse Britse muntstukken (van 1 pond) door deze gedurende lange periode af te nemen van leverancier, te vervoeren, op te slaan en uit te voeren naar Groot-Brittannië, art. 209 Sr. 1. Redelijke termijn in feitelijke aanleg. Had hof het OM n-o moeten verklaren in vervolging wegens overschrijding van redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep? 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk). Heeft hof in strijd met “reformatio in peius-beginsel” hogere straf opgelegd dan Rb en wekt opgelegde straf verbazing gelet op vordering AG bij hof? 3. Bewijsklacht wetenschap van valsheid. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02656 en 23/02686. CAG gaat in op ontvankelijkheid van cassatieberoep (gebrek in ondertekening van schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen van cassatieberoep van advocaat aan griffier hof).

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02617

Datum 25 november 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 juni 2023, nummer 23-002606-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W. Römelingh bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en drie weken, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »