ECLI:NL:HR:2024:966

Datum uitspraak
28-06-2024
Instantie
Hoge Raad
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Zaaknummer
23/02390
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Overheidsaansprakelijkheid. Procesrecht. Procedure over aansprakelijkheid Staat wegens bekostiging procedure tussen rechter en journalist. Is hof buiten door de grieven ontsloten gebied getreden? Ontoelaatbare verrassingsbeslissing?

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 23/02390

Datum 28 juni 2024

ARREST

In de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelende te Den Haag,

EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: de Staat,

advocaten: G.C. Nieuwland en M.E.A. Möhring,

tegen

[de journalist],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: [de journalist],

advocaat: A.H. Vermeulen.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/13/531913 / HA ZA 12-1489 van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2013 en van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 februari 2014;

b. het arrest in de zaak 200.155.946/01 van het gerechtshof Den Haag van 16 juni 2015;

c. de arresten in de zaak 200.280.336/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 september 2020 en 21 maart 2023.

De Staat heeft tegen het arrest van het hof van 21 maart 2023 beroep in cassatie ingesteld.

[de journalist] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaten van de Staat hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde van het slagen van één of beide van de door de Staat voorgestelde klachten, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het principale beroep;

- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de journalist] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Staat deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 28 juni 2024.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »