HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/03964
Datum 13 september 2024
ARREST
In de zaak van
ANCONA GRUPA D.O.O.,
gevestigd te Djakova, Kroatië,
EISERES tot cassatie,
hierna: Ancona,
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. TA DESIGN FOR LIVING,
gevestigd te Maasmechelen, België,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
advocaat: A.C. van Schaick.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/03/266405 / HA ZA 19-369 van de rechtbank Limburg van 24 april 2019, 10 juli 2019 en 28 juli 2021;
b. het arrest in de zaak 200.302.953/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 2023.
Ancona heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerders] toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Ancona heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Ancona in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 2.845,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Ancona deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 september 2024.