ECLI:NL:HR:2022:869

Datum uitspraak
17-06-2022
Instantie
Hoge Raad
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
21/01596
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Onteigening, schadevergoeding. Vervolg op HR 27 oktober 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AY8277) en HR 26 maart 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL0591). Te hoge eisen aan stelplicht? Berekening rentevergoeding. Maatstaf vergoeding meerkosten. Diverse motiveringsklachten.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/01596

Datum 17 juni 2022

ARREST

In de zaak van

NIEUW WERKLUST HOLDING B.V.,gevestigd te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Rijnwoude,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna: NWH,

advocaat: C.S.G. Janssens,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,zetelende te Den Haag,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna: De Staat,

advocaten: S.A.L. van de Sande en N.E. Groeneveld-Tijssens.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:

  1. zijn arrest in de zaak 08/02107, ECLI:NL:HR:2010:BL0591 van 26 maart 2010;

  2. de arresten in de zaak 200.074.625/01 van het gerechtshof Amsterdam van 19 april 2011, 21 mei 2013, 5 maart 2018, 24 april 2018 en 16 februari 2021.

NWH heeft tegen het arrest van het hof beroep van 16 februari 2021 in cassatie ingesteld.

De Staat heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

2 Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

  • verwerpt het principale beroep;

  • veroordeelt NWH in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien NWH deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 17 juni 2022.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »