HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03106 H
Datum 19 oktober 2021
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2016, nummer 21-006712-15, ingediend door K.C.A.M. Oomen, advocaat te Breda,
namens
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de aanvrager.
1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het hof heeft de aanvrager veroordeeld voor (feit 1) afpersing, (feit 2) opzetheling, (feit 3) verduistering, meermalen gepleegd, en (feit 6) overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof heeft de aanvrager voor de feiten 1, 2 en 3 een gevangenisstraf van dertig maanden opgelegd, gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Ter zake van feit 6 heeft het hof de aanvrager de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van twee jaren.
2 De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3 Beoordeling van de aanvraag
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
In de aanvraag wordt aangevoerd dat het hof geen terbeschikkingstelling met dwangverpleging zou hebben opgelegd indien het bekend was geweest met twee (na het onherroepelijk worden van zijn arrest opgemaakte) deskundigenrapporten omtrent de persoon van de aanvrager. In de aanvraag wordt echter miskend dat onder "een minder zware strafbepaling" in de zin van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. De oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie of het achterwege laten van de oplegging van een sanctie valt daar niet onder.
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.
4 Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2021.