22 december 2017
Eerste Kamer
17/00099
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
1. [eiser 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [eiseres 2],gevestigd te Rijssen,
EISERS tot cassatie,
advocaten: mr. D.M. de Knijff en mr. R.L. Bakels,
t e g e n
STICHTING EX AEQUO ET BONO,gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Stichting.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 120047/HA ZA 11-352 van de rechtbank Almelo van 10 augustus 2011 en 15 augustus 2012;
b. de arresten in de zaak 200.120.555 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en in de zaak 200.151.088/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2016.
De arresten van de hoven zijn aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 27 september 2016 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 1 december 2017 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 6.590,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 22 december 2017.