18 oktober 2002
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/056HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam heeft op 28 februari 2002 onder overlegging van een op 27 februari 2002 ondertekende geneeskundige verklaring een vordering ingediend bij de Rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: verzoeker - in een psychiatrisch ziekenhuis.
Nadat de Rechtbank verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, en de behandelend arts op 25 maart 2002 had gehoord, heeft zij bij beschikking van 25 maart 2002 de zaak aangehouden teneinde de advocaat van verzoeker in de gelegenheid te stellen een deskundige voor te dragen voor het verrichten van een nader onderzoek. De Rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 8 april 2002 een deskundigenonderzoek bevolen en daartoe een deskundige benoemd. Nadat deze een rapport had uitgebracht en de Rechtbank op 5 juni 2002 opnieuw verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, en de behandelend arts had gehoord, heeft zij bij beschikking van 6 juni 2002 de machtiging tot voortgezet verblijf van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis ingaande 7 juni 2002 en eindigende op 6 december 2002 verleend.
De beschikkingen van de Rechtbank van 25 maart 2002, 8 april 2002 en 6 juni 2002 zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de laatste beschikking van de Rechtbank heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-rekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot werping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 18 oktober 2002.