GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1453 tot en met 24/1455
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 augustus 2024, nummers BRE 23/3168, 23/3169 en 23/3170, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2018, 2019 en 2020 opgelegd. Tevens is ten aanzien van deze jaren bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. Ten aanzien van de jaren 2019 en 2020 zijn tevens bij beschikkingen verliezen vastgesteld en vergrijpboetes opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in 1.1 genoemde navorderingsaanslagen en beschikkingen. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar die zien op de boetenbeschikkingen gegrond verklaard en de overige beroepen ongegrond.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
De zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld door [belanghebbende 24/1443-1444] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 24/1443, 24/1444, 24/1449 t/m 24/1452, 24/1696 en 24/1697.
De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst.
2 Feiten
Belanghebbende houdt in 2018, 2019 en 2020 50% van de aandelen in [B.V. 7] (hierna: [B.V. 7] ). Het overige deel van de aandelen in [B.V. 7] wordt gehouden door de broer van belanghebbende, [naam 3] . [B.V. 7] houdt op haar beurt alle aandelen in [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ). De vennootschappen zijn op 22 december 2016 opgericht. De activiteiten van [B.V. 1] bestaan volgens een uittreksel van de kamer van koophandel uit het fokken en houden van paarden, handel in paarden, handel in bestrijdingsmiddelen en kunst- en organische meststoffen, het uitoefenen van een agrarische onderneming en een transporthandel.
Belanghebbende voert activiteiten uit in de vorm van een eenmanszaak handelend onder de naam [bedrijf 2] .
2.3.Voor het jaar 2018 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.309, volledig bestaande uit loon. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2018 – conform de ingediende aangifte – vastgesteld.
Voor het jaar 2019 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 2.761, bestaande uit een verlies uit onderneming van € 9.192 en een loon van € 6.431. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2019 – conform de ingediende aangifte – vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en bij gelijktijdige beschikking het verlies uit werk en woning vastgesteld op € 2.761.
Voor het jaar 2020 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.900, bestaande uit belastbare winst uit onderneming van € 6.017 en negatieve opbrengsten uit overige werkzaamheden van € 117. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2020 conform de ingediende aangifte vastgesteld.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een verminderingsbeschikking van de aanslag IB/PVV 2018 gegeven, waarbij € 1.602 van het in 2019 geleden verlies is verrekend met het voor 2018 vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning.
Bij brief van 17 november 2020 heeft de inspecteur aan [B.V. 7] en [B.V. 1] aangekondigd om een onderzoek te verrichten naar aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. De reikwijdte van de onderzoeken is later uitgebreid naar de controle van de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2019 en 2020, de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 en de aangiften loonheffingen over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020.
Bij brief van 4 november 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende aangekondigd om een onderzoek te verrichten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2019 en 2020 en de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 van de eenmanszaak.
Het eindgesprek van de onderzoeken bij [B.V. 7] en [B.V. 1] heeft plaatsgevonden op 11 mei 2022. Van het eindgesprek is een verslag opgemaakt. In dit verslag zijn de concept conclusies uit de boekenonderzoeken en de reactie daarop van de betreffende belanghebbenden opgenomen. Uit het verslag blijkt dat de inspecteur diverse uitdelingen aan de uiteindelijke aandeelhouders aan de orde stelt.
Op 2 augustus 2022 zijn namens [B.V. 1] en [B.V. 7] aangiften vennootschapsbelasting voor het jaar 2020 ingediend. Daarbij is geen rekening gehouden met de concept conclusies uit de boekenonderzoeken. De aanslagen vennootschapsbelasting voor het jaar 2020 zijn – conform de ingediende aangiften – op 27 augustus 2022 aan [B.V. 1] en [B.V. 7] opgelegd.
De gemachtigde heeft bij e-mail van 1 november 2022 – voor zover hier van belang – het volgende aan de controleambtenaar bericht:
“Na onderstaande e-mail hebben wij met dagtekening 27 augustus 2022 de definitieve aanslagen vennootschapsbelasting van 2020 ontvangen van [B.V. 1] en van [B.V. 7] Deze aanslagen zijn conform de aangiftes opgelegd en wij concluderen hieruit dat uw bevindingen zijn geannuleerd en thans geen reden meer is om aanslagen cq. verzuimboetes voor de vennootschappen en aandeelhouders op te leggen.”
Daarop heeft de controleambtenaar bij e-mail van 3 november 2022 – voor zover hier van belang – als volgt gereageerd:
“In afstemming met de inspecteur blijven wij van mening dat de resultaten van de boekenonderzoeken gestand doen.
Wij constateren dat u geen aanvullingen, verbeteringen en of twistpunten aandraagt, die zouden kunnen leiden tot een verdere vervolmaking van de door ons aangereikte kennisgevingen boete. Dit stelt ons in staat om de boekenonderzoeken verder af te wikkelen.”
De bevindingen van de boekenonderzoeken bij [B.V. 7] en [B.V. 1] zijn vastgelegd in controlerapporten die op 7 november 2022 aan de vennootschappen zijn toegezonden. In het controlerapport van [B.V. 7] is – voor zover hier van belang – het volgende ten aanzien van belanghebbende opgenomen:
“ 6.4. Uitdelingen
In deze rapportage zijn de volgende uitdelingen benoemd vanuit [B.V. 1] . Deze uitdelingen betreffen vermogensverschuivingen, waarbij zowel de BV als de uiteindelijke aandeelhouders zich bewust zijn geweest van de bevoordelingen. Op het moment dat de uitdelingen hebben plaatsgevonden, is er geen intentie geweest om deze bedragen terug te betalen. Hierdoor hebben de gelden de onderneming definitief verlaten. De uitdelingen komen ten gunste van de aandeelhouders [belanghebbende] en [naam 3] . De uitdelingen vanuit [B.V. 1] ten gunste van [B.V. 7] worden fiscaal behandeld volgens de deelnemingsvrijstelling.”
En:
“Tijdens de controleperiode zijn de heer [naam 3] en [belanghebbende] de aandeelhouders geweest van [B.V. 7] . De uitdelingen die uit het boekenonderzoek bij [B.V. 1] en van [B.V. 7] zijn hierna per aandeelhouder uitgewerkt:
|
Uitdeling |
[belanghebbende] |
||
|
Par. |
Omschrijving |
2020 |
2019 |
|
3.1.2 |
[naam 13] |
740,00 |
|
|
4.2.1 |
Verkoop hooi aan particulieren |
250,00 |
|
|
4.2.1 |
Verkoop [naam paard 1] |
2.722,50 |
|
|
4.2.1 |
Opfok [naam paard 1] |
524,50 |
|
|
4.2.1 |
[naam 8] |
570,00 |
557,00 |
|
4.2.1 |
[naam 9] |
160,00 |
|
|
4.2.1 |
[naam 10] |
147,00 |
|
|
4.2.1 |
[naam 11] |
0,00 |
147,50 |
|
4.2.1 |
[bedrijf 3] |
612,50 |
|
|
4.2.1 |
Stalling drie privé paarden |
14.250 |
14.250 |
|
4.2.1 |
Opfok [naam paard 2] |
3.310,00 |
175,00 |
|
4.2.1 |
Veulen voor privé gebruik [naam 12] |
2.722,50 |
|
|
5.3 |
WKR toepassing |
40,00 |
|
|
Totaal |
Volgens rapportage [B.V. 1] : |
€ 23.166,00 |
€ 18.142,00 |
|
3.2 |
Sym scooter |
103,00 |
672,00 |
|
5.3 |
WKR correctie ( [B.V. 7] ) |
340,00 |
20,00 |
|
Totaal |
Volgens rapportage [B.V. 7] |
443,00 |
20,00 |
|
Totaal |
[B.V. 1] en [B.V. 7] |
€ 24.157,50 |
€ 18.824,50 |
”
De bevindingen van het boekenonderzoek bij belanghebbende zijn vastgelegd in een controlerapport dat eveneens op 7 november 2022 aan belanghebbende is toegezonden. In het controlerapport concludeert de inspecteur – voor zover hier van belang – tot de volgende correcties:
een correctie in de IB/PVV voor 2019 en 2020 van de winst uit onderneming ten bedrage van € 9.192 (2019) respectievelijk € 6.017 (2020) omdat geen sprake is van een bron van inkomen;
een correctie in de IB/PVV voor 2019 en 2020 van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in verband met geconstateerde uitdelingen van [B.V. 1] en [B.V. 7] ten bedrage van € 18.824,50 (2019) respectievelijk € 24.157,50 (2020).
De inspecteur heeft bij brief van 19 oktober 2022 aangekondigd aan belanghebbende een vergrijpboete op te leggen. In het controlerapport met betrekking tot belanghebbende staat ten aanzien van de vergrijpboete – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“Uit het boekenonderzoek bij [B.V. 1] respectievelijk [B.V. 7] blijkt dat de beide aandeelhouders bevoordeeld zijn. Er hebben uitdelingen plaatsgevonden. Hiervan is 50% toegerekend aan ieder van de aandeelhouders. Dit inkomen uit aanmerkelijk belang dient in de aangifte inkomstenbelasting verantwoord te worden. [Belanghebbende] is zich bewust geweest van deze bevoordeling, dan wel had zich hiervan bewust moeten zijn. Doordat het voordeel uit aanmerkelijk belang niet in de aangifte inkomstenbelasting is verantwoord is er sprake van een verwijtbare, aan opzet grenzende slordigheid of ernstige nalatigheid. Door dit handelen van belastingplichtige is te weinig belasting betaald. Wij zijn van mening dat sprake is van grove schuld.
Wij leggen een vergrijpboete op. De vergrijpboete is gebaseerd op artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen alsmede paragraaf 25 lid 2 en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. De boete bedraagt 25%.”
De inspecteur heeft op 24 december 2022 – conform zijn bevindingen in het controlerapport – de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020, de verliesvaststellings-, boete-, en belastingrentebeschikkingen als volgt vastgesteld:
over het jaar 2019 een navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.431 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 18.824, en gelijktijdig beschikkingen waarbij het verlies uit werk en woning is vastgesteld op € 0, een vergrijpboete is opgelegd van € 1.031 en belastingrente in rekening is gebracht van € 382;
over het jaar 2020 een navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 24.157, en gelijktijdig beschikkingen waarbij het verlies is vastgesteld op € /- 117, een vergrijpboete is opgelegd van € 907 en belastingrente in rekening is gebracht van € 227.
Op 23 maart 2023 heeft de inspecteur over het jaar 2018 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.309 en gelijktijdig een beschikking gegeven waarbij € 56 belastingrente in rekening is gebracht. De navorderingsaanslag vermeldt onder meer:
“Deze navorderingsaanslag wordt u opgelegd omdat het inkomen van 2019 is gewijzigd. De eerder verleende carry-back beschikking 2018 is daarom te hoog geweest.”
Op 16 mei 2023 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan ten aanzien van naheffingsaanslagen in de omzetbelasting van [B.V. 1] . In deze uitspraak staat onder meer:
-
“correctie [naam 13] ad. € 128 (2020). U merkt op dat dit werkkleding betreft en dat er daarom recht bestaat op aftrek van voorbelasting. Ik heb de betreffende factuur niet in het dossier aangetroffen. Ik vind dat deze correctie moet vervallen en dus is het bezwaar in deze gegrond.
-
[…]
-
correctie stallingskosten [naam paard 3] stalling 2020 ad. € 53 (2020). U merkt op dat deze correctie ten onrechte is aangebracht. Ik constateer dat bij het aanbrengen van de correctie een verkeerde maatstaf van heffing is toegepast. Ik vind dat deze correctie moet vervallen en dus is het bezwaar in deze gegrond.
-
[…]
-
correctie verkoop [naam paard 1] ad. € 945 (2020). U merkt op dat de betreffende omzetbelasting in 2021 is afgedragen. Ik constateer dat de levering in 2020 heeft plaatsgevonden en dat de correctie in principe juist is. Er is echter ten onrechte uitgegaan van een ontvangst exclusief omzetbelasting. De correctie is dan ook € 165 te hoog. In deze is het bezwaar dan ook gedeeltelijk gegrond.
-
correctie opfok [naam paard 1] ad. € 182 (2020). U merkt op dat deze correctie ten onrechte is aangebracht. Ik constateer dat bij het aanbrengen van de correctie een verkeerde maatstaf van heffing is toegepast. Ik vind dat deze correctie moet vervallen en dus is het bezwaar in deze gegrond.
-
correctie stalling 3 privé paarden ad. € 1.595 (2019) en € 1.595 (2020). U merkt op dat deze correctie ten onrechte is aangebracht. Ik constateer dat bij het aanbrengen van de correctie een verkeerde maatstaf van heffing is toegepast. Ik vind dat deze correctie moet vervallen en dus is het bezwaar in deze gegrond.
-
correctie opfok [naam paard 2] ad. € 574 (2020) en € 30 (2019. Deze correctie komt te vervallen. Er is een verkeerde maatstaf van heffing gehanteerd. In deze is het bezwaar dus gegrond.
-
correctie veulen voor privégebruik ad. € 945 (2019). U merkt op dat deze correctie ten onrechte is aangebracht. Ik constateer dat een verkeerde maatstaf van heffing is toegepast. Ik vind dat deze correctie moet vervallen en dus is het bezwaar in deze gegrond.”
Ten aanzien van de vennootschapsbelasting voor de jaren 2019 en 2020 heeft de inspecteur navorderingsaanslagen opgelegd aan [B.V. 1] , verhoogd met belastingrente en voor 2019 een vergrijpboete. In de behandeling van het beroep van belanghebbende tegen deze navorderingsaanslagen bij de rechtbank heeft de inspecteur zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de navorderingsaanslagen, de vergrijpboete en de belastingrentebeschikkingen moeten worden vernietigd, hetgeen de rechtbank heeft gedaan.1 Daarmee resteren de aanslagen die conform de ingediende aangiften zijn opgelegd.
De rechtbank heeft de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 verminderd tot € 500. Ook heeft zij de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 verminderd tot € 500. Daarnaast heeft zij de inspecteur veroordeeld tot betaling van de proceskosten en vergoeding van het griffierecht.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Daarnaast is in geschil of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020 naar de juiste hoogte zijn opgelegd en of de boeten, zoals verminderd door de rechtbank, terecht zijn opgelegd en passend en geboden zijn.
Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging en subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslagen, de belastingrentebeschikkingen en de boetebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
i. Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende stelt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Ter onderbouwing voert zij aan dat de aangiften vennootschapsbelasting 2020 van [B.V. 7] en [B.V. 1] akkoord zijn bevonden door de inspecteur omdat de aanslagen vennootschapsbelasting conform de aangiften aan de vennootschappen zijn opgelegd. In de procedure voor de vennootschapsbelasting voor 2019 heeft de inspecteur zelf aangegeven dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. Dat heeft volgens belanghebbende bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de correcties die voortvloeien uit de boekenonderzoeken voor de inkomstenbelasting ook niet zouden worden doorgevoerd. Het gaat dan om de correcties met betrekking tot de uitdelingen aan belanghebbende. De inspecteur betwist dat hij het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de inspecteur uitlatingen heeft gedaan, waaruit belanghebbende redelijkerwijs mocht opmaken dat geen inkomstenbelasting zou worden nagevorderd. De aanslagen vennootschapsbelasting van [B.V. 7] en [B.V. 1] kunnen echter niet als een dergelijke uitlating worden beschouwd, omdat deze geen enkele uitlating bevatten ten aanzien van de inkomstenbelastingheffing bij belanghebbende.
ii. Zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de inspecteur tot het vaststellen van de aanslagen diverse fouten heeft gemaakt en dat schriftelijk heeft bevestigd. Alhoewel de door de inspecteur erkende fouten zijn rechtgezet bij het opleggen van de aanslagen, is belanghebbende van mening dat hieruit blijkt dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de gehanteerde bedragen niet meer betrouwbaar zijn. De aanslagen moeten daarom vernietigd worden. De inspecteur betwist dat de aanslagen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zijn opgelegd.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft geschonden bij het opleggen van de aanslagen. Gedurende een controle is het niet ongebruikelijk dat tussen de inspecteur en de belastingplichtige een discussie ontstaat over de hoogte van de voorgenomen correcties en dat vervolgens wordt geconcludeerd dat deze bijstelling behoeven. Het hof zal deze uitdelingen hierna inhoudelijk beoordelen.
iii. Uitdelingen
Belanghebbende betwist niet dat uitdelingen plaats hebben gevonden, maar betwist de hoogte ervan. Belanghebbende verwijst daarbij naar de uitspraak op bezwaar van 16 mei 2023 ten aanzien van de omzetbelasting van [B.V. 1] , waarbij diverse posten die bij belanghebbende als uitdelingen zijn aangemerkt geheel of gedeeltelijk zijn geschrapt (zie 2.19). De inspecteur betwist dat dit moet leiden tot een vermindering van de navorderingsaanslagen.
Het hof heeft in onderstaande tabel samengevat welke uitdelingen in aanmerking zijn genomen in de inkomstenbelasting bij belanghebbende, welke omzetbelasting is nageheven bij [B.V. 1] , welke maatstaf van heffing daarbij behoort (grondslag) en wat vervolgens het totaal van de maatstaf van heffing en de omzetbelasting is. Het hof heeft hierin tevens opgenomen welke omzetbelasting gehandhaafd bleef in de genoemde uitspraak op bezwaar, welke maatstaf van heffing daarbij behoort, alsmede het totaal daarvan.
|
2019 |
Uitdeling |
Naheffing omzetbelasting |
Uitspraak op bezwaar omzetbelasting |
||||
|
Omschrijving |
Omzetbelasting |
Grondslag |
Grondslag + OB |
Omzetbelasting |
Grondslag |
Grondslag + OB |
|
|
Stalling drie privé paarden |
€ 14.250,00 |
€ 1.595,00 |
€ 7.595,24 |
€ 9.190,24 |
€ - |
€ - |
€ - |
|
Opfok [naam paard 2] |
€ 175,00 |
€ 30,00 |
€ 142,86 |
€ 172,86 |
€ - |
€ - |
€ - |
|
Veulen voor privé gebruik [naam 12] |
€ 2.722,50 |
€ 945,00 |
€ 4.500,00 |
€ 5.445,00 |
€ - |
€ - |
€ - |
|
2020 |
Uitdeling |
Naheffing omzetbelasting |
Uitspraak op bezwaar omzetbelasting |
||||
|
Omschrijving |
Omzetbelasting |
Grondslag |
Grondslag + OB |
Omzetbelasting |
Grondslag |
Grondslag + OB |
|
|
[naam 13] |
€ 740,00 |
€ 128,00 |
€ 609,52 |
€ 737,52 |
€ - |
€ - |
€ - |
|
Verkoop [naam paard 1] |
€ 2.722,50 |
€ 945,00 |
€ 4.500,00 |
€ 5.445,00 |
€ 780,00 |
€ 3.714,29 |
€ 4.494,29 |
|
Opfok [naam paard 1] |
€ 524,50 |
€ 182,00 |
€ 866,67 |
€ 1.048,67 |
€ - |
€ - |
€ - |
|
Stalling drie privé paarden |
€ 14.250,00 |
€ 1.595,00 |
€ 7.595,24 |
€ 9.190,24 |
€ - |
€ - |
€ - |
|
Opfok [naam paard 2] |
€ 3.310,00 |
€ 574,00 |
€ 2.733,33 |
€ 3.307,33 |
€ - |
€ - |
€ - |
4.3.3.1. De uitdeling ten aanzien van de factuur van het [naam 13] is in de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de omzetbelasting vervallen, waarbij is opgemerkt dat de betreffende factuur niet in het dossier is aangetroffen. In deze procedure zijn evenmin stukken met betrekking tot deze uitdeling overgelegd.
4.3.3.2. De uitdeling ten aanzien van de verkoop van het paard [naam paard 1] in 2020 is verdeeld over belanghebbende en haar broer, waarbij de uitdelingen kennelijk zijn gebaseerd op de bedragen die zijn gebruikt bij de naheffingsaanslag omzetbelasting (€ 5.445 / 2 = € 2.722,50). Uit de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de omzetbelasting komt echter naar voren dat dit bedrag onjuist is en dat uitgegaan moet worden van € 4.494,29. Dit zou leiden tot een uitdeling van € 2.247.
4.3.3.3. De uitdeling ten aanzien van de stalling van drie privépaarden sluit in het geheel niet aan bij de bedragen die zijn gebruikt voor de naheffingsaanslag en is zelfs aanmerkelijk hoger vastgesteld. Dit valt niet te rijmen met de uitspraak op het bezwaar voor de omzetbelasting, waarin is opgemerkt dat een verkeerde maatstaf van heffing is gehanteerd en dat de correctie voor de omzetbelasting geheel komt te vervallen.
4.3.3.4. Voor de overige posten geldt dat in de uitspraak op het bezwaar voor de omzetbelasting eveneens is opgemerkt dat een verkeerde maatstaf van heffing is gehanteerd en dat de correcties voor de omzetbelasting geheel komen te vervallen. Uit de tabel blijkt echter dat de uitdelingen nog steeds zijn gebaseerd op de kennelijk onjuiste bedragen die zijn gebruikt bij de naheffingsaanslag.
4.3.3.5. In hoger beroep betwist belanghebbende de in de tabel genoemde uitdelingen en de inspecteur heeft deze niet verder onderbouwd. In het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de inspecteur deze uitdelingen niet aannemelijk heeft gemaakt, met uitzondering van de uitdeling met betrekking tot het paard [naam paard 1] , die aannemelijk is gemaakt voor een bedrag van € 2.247.
4.3.4.1. Het totaalbedrag van de in de tabel benoemde uitdelingen voor het jaar 2019 is € 17.147,50. Nu deze uitdelingen voor 2019 niet aannemelijk zijn gemaakt, moet het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang voor 2019 met dit bedrag worden verminderd. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang voor 2019 komt daarmee op € 1.677 (€ 18.824,50 -/- € 17.147,50).
4.3.4.2. Het totaalbedrag van de in de tabel benoemde uitdelingen voor het jaar 2020 is € 21.547. Nu deze uitdelingen voor 2020 voor een bedrag van € 2.247 aannemelijk zijn gemaakt, moet het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang voor 2020 met € 19.300 worden verminderd. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang voor 2020 komt daarmee op € 4.857 (€ 24.157,50 -/- € 19.300).
iv. Boeten
Aan belanghebbende zijn bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020 vergrijpboeten opgelegd van 25% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid dat het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang bij de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 tot te lage bedragen zijn vastgesteld.
Van grove schuld is sprake indien de handelwijze van een belastingplichtige moet worden gekwalificeerd als een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. De aanwezigheid van een beboetbaar feit kan daarbij alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’.2 De bewijslast daarvoor ligt bij de inspecteur.
De inspecteur stelt dat de boeten terecht opgelegd zijn. De inspecteur stelt dat facturen wel zijn uitgereikt, maar dat niet in de financiële administratie zijn opgenomen. Dit niet opnemen van de uitgereikte facturen acht de inspecteur verwijtbaar en een aan opzet grenzende slordigheid dan wel ernstige nalatigheid van belanghebbende. De inspecteur stelt verder dat de verlaging van de vergrijpboeten naar € 500 per jaar juist is. Verder verwijst de inspecteur naar overweging 9.3 van de uitspraak van de rechtbank ter onderbouwing van de juistheid van de opgelegde vergrijpboeten.
Belanghebbende stelt dat geen sprake is van grove schuld en heeft in hoger beroep geen aanvullende stellingen ingenomen.
De rechtbank heeft ten aanzien van de vergrijpboeten het volgende overwogen:
“9.3 Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De inspecteur heeft – in het bijzonder door te wijzen op het gebrek aan een tegenprestatie voor de betalingen en verstrekkingen van [B.V. 7] en [B.V. 1] aan familieleden van belanghebbende – overtuigend aangetoond dat [B.V. 7] en [B.V. 1] zich voordelen hebben laten ontgaan ten behoeve van de bevrediging van de persoonlijke behoeften van haar (indirecte) aandeelhouders. Belanghebbende, in haar hoedanigheid van (indirect) aandeelhouder en bestuurder van de vennootschappen was zich naar het oordeel van de rechtbank hiervan bewust. Door niettemin geen winstuitdelingen in de aangiften IB/PVV 2019 en 2020 in aanmerking te nemen, heeft belanghebbende een onvolledige aangifte gedaan en is het inkomen uit aanmerkelijk belang bij de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 te laag vastgesteld. Daarom is sprake van een ernstige nalatigheid van belanghebbende. De inspecteur heeft de vergrijpboeten bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020 – voor zover deze zien op de correctie van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang – dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.
Wel dienen de boeten te worden verminderd. De boete over het jaar 2019 is – zoals de inspecteur ter zitting ook heeft erkend – ten onrechte berekend over het totaal aan verschuldigde belasting in plaats van uitsluitend over de verschuldigde belasting over de correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang en dient reeds om die reden te worden verminderd. De rechtbank acht verder – gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval – boeten van € 500 voor 2019 en € 500 voor 2020 passend en geboden.”
Naar oordeel van het hof heeft de rechtbank juist en op goede gronden geoordeeld dat de vergrijpboeten terecht zijn opgelegd en maakt dit oordeel tot het zijne. Nu het inkomen uit aanmerkelijk belang voor zowel 2019 als 2020 door het hof aanmerkelijk wordt verminderd, ziet het hof hierin aanleiding om de boeten voor 2019 als 2020 verder te verminderen naar respectievelijk € 100 en € 250. Het hof acht deze verder verminderde boeten passend en geboden.
v. Belastingrente
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de belastingrente. Het hof zal de belastingrentebeschikkingen evenredig met de navorderingsaanslagen verminderen.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op € 1.868, als volgt berekend: 2 (punten)3 x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken).
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5 Beslissing
Het hof:
-
verklaart het hoger beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissingen met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020 alsmede de beslissingen ten aanzien van de boetebeschikkingen bij deze navorderingsaanslagen;
-
verklaart de tegen de uitspraken op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020 gegrond;
-
vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.677, met handhaving van de overige elementen van de navorderingaanslag;
-
vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 4.857, met handhaving van de overige elementen van de navorderingaanslag;
-
vermindert de beschikkingen belastingrente 2019 en 2020 evenredig;
-
vermindert de boete voor 2019 tot € 100 en voor 2020 tot € 250;
-
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;
-
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.868.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.