ECLI:NL:GHSHE:2025:3268

Datum uitspraak
13-11-2025
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Zaaknummer
200.358.099_01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzet tegen griffierecht, artikel 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken. Vordering van onbepaalde waarde of met een beloop van een bepaald bedrag?

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 13 november 2025

Zaaknummer : 200.358.099/01

Zaaknummer hoofdzaak : 200.357.015/01

Beschikking op het verzet op grond van artikel 29 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) van

[B.V. 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [B.V. 1] ,

opposante,

advocaten: mr. G.G.W.G. van der Valk-van den Bosch en mr. G.J.M. Volders te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

de Griffier van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch,

geopposeerde,

hierna te noemen: de Griffier.

1 Het geding

1.1.

Bij verzoekschrift met twee producties, ontvangen door het hof op 13 augustus 2025, is [B.V. 1] tijdig in verzet gekomen tegen de beslissing van de Griffier tot heffing van een griffierecht van € 6.803,00. [B.V. 1] verzoekt het hof het griffierecht voor alle partijen vast te stellen op € 827,00, zijnde het griffierecht behorend bij een vordering van onbepaalde waarde, en aan [B.V. 1] een bedrag van € 5.976,00 terug te betalen.

1.2.

Bij verweerschrift, ontvangen door het hof op 1 oktober 2025, geeft de Griffier het hof in overweging het verzet van [B.V. 1] ongegrond te verklaren.

1.3.

Bij brief van 18 september 2025 heeft [B.V. 1] het hof desgevraagd laten weten de voorkeur te geven aan een schriftelijke afdoening van de zaak boven een mondelinge behandeling van het verzet. De Griffier heeft het hof bij brief van 1 oktober 2025 laten weten zich op dit punt te refereren aan het oordeel van het hof. Het hof heeft vervolgens besloten de zaak op de stukken af te doen.

1.4.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald.

2 De beoordeling van het verzet

Uitgangspunten bij beoordeling

2.1.

Bij de beoordeling van het verzet kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

[B.V. 2] B.V. (hierna [B.V. 2] ) heeft [B.V. 1] , [B.V. 3] B.V., [B.V. 4] B.V., [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [B.V. 5] B.V. (hierna gezamenlijk: [B.V. 1] c.s.) in rechte betrokken. Zij heeft in eerste aanleg bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, - samengevat - gevorderd:

- [B.V. 1] c.s. hoofdelijk te verbieden om tot 7 maart 2026 (i) medewerkers van [B.V. 2] te benaderen om hen te bewegen hun dienstverband met [B.V. 2] te beëindigen en (ii) diensten te verlenen aan relaties (waaronder begrepen klanten van [B.V. 2] ), op verbeurte van de partij die een op te leggen verbod overtreedt van een boete van

€ 100.000,00 per overtreding en van € 10.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt;

  • [B.V. 3] B.V. te veroordelen om aan [B.V. 2] een voorschot van € 250.000,00 ten titel van de door haar verbeurde boetes te voldoen;

  • [B.V. 4] B.V. te veroordelen om aan [B.V. 2] een voorschot van € 250.000,00 ten titel van de door haar verbeurte boetes te voldoen;

  • [B.V. 5] te veroordelen om aan [B.V. 2] een voorschot van € 150.000,00 ten titel van de door haar verbeurte boetes te voldoen;

  • [B.V. 1] c.s. te veroordelen in de proceskosten.

2.1.2.

Bij vonnis in kort geding van 17 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter [betrokkene 1] en [B.V. 3] B.V. tot 1 september 2025, [betrokkene 2] en [B.V. 4] B.V. tot 1 oktober 2025 en [B.V. 1] en [B.V. 5] B.V. tot 7 maart 2026 verboden (i) medewerkers van [B.V. 2] te benaderen om hen te bewegen hun dienstverband met [B.V. 2] te beëindigen en (ii) diensten te verlenen aan relaties (waaronder begrepen klanten) van [B.V. 2] , op verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per overtreding en van € 1.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens [B.V. 1] c.s. in de proceskosten van € 2.494,40 veroordeeld, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

2.1.3.

Bij dagvaardingsexploot van 14 juli 2025 zijn [B.V. 1] c.s. in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en hebben zij gevorderd:

  1. dit vonnis te vernietigen;

  2. opnieuw rechtdoende de vorderingen van [B.V. 2] alsnog af te wijzen;

  3. [B.V. 2] te veroordelen tot terugbetaling van al wat [B.V. 1] c.s. aan [B.V. 2] op grond van het bestreden vonnis hebben voldaan, waaronder in ieder geval de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;

  4. [B.V. 2] te veroordelen in de kosten van beide instanties, inclusief de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

De zaak is bij het hof aangebracht op 22 juli 2025 en geregistreerd onder zaaknummer 200.357.015/01

2.1.4.

Voor deze zaak is een griffierecht van € 6.803,00 in rekening gebracht, zijnde het bedrag behorend bij een vordering met een beloop van meer dan € 100.000,00 en niet meer dan € 1.000.000,00.

Standpunten partijen

2.2.

[B.V. 1] komt op grond van artikel 29 Wgbz in verzet tegen de heffing van het griffierecht. Zij stelt zich op het standpunt dat het griffierecht op een te hoog bedrag is vastgesteld en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 17 juni 2025 enkel verboden opgelegd en [B.V. 1] c.s. veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [B.V. 2] begroot op € 2.494,40. De door [B.V. 2] gevorderde voorschotten ter zake van boetes zijn afgewezen. Het hoger beroep ziet daarmee slechts op het vernietigen van de opgelegde verboden en de proceskostenveroordeling. Gelet hierop had aan [B.V. 1] c.s. een bedrag van € 827,00 aan griffierecht, behorend bij een zaak van onbepaalde waarde of met een beloop van niet meer dan € 12.500,00, moeten worden geheven.

2.3.

De Griffier brengt hiertegen, samengevat, het volgende in. [B.V. 1] c.s. vorderen in hun appeldagvaarding onder ii om de vorderingen van [B.V. 2] alsnog af te wijzen. Deze vorderingen houden naast de verboden de veroordeling van [B.V. 3] B.V., [B.V. 4] B.V. en [B.V. 5] tot betaling van een voorschot van steeds € 250.000,00 ( [B.V. 3] B.V. en [B.V. 4] B.V.) of € 150.000,00 ( [B.V. 5] ) in. In totaal gaat het dan om een bedrag van € 650.000,00, waarbij een griffierecht hoort van € 6.803,00.

Oordeel hof

2.4.

Het hof oordeelt als volgt.

2.4.1.

Op grond van art. 3 lid 1 Wgbz wordt in dagvaardingszaken van elke eiser en elke verschenen gedaagde een griffierecht geheven. Op grond van art. 10 lid 1 Wgbz wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding. De hoogte van het griffierecht wordt volgens art. 3 lid 5 Wgbz bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij die wet is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag. Deze regeling is erop gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak.

2.4.2.

In dit geval gaat het om een bij dagvaarding aangebrachte zaak in hoger beroep. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor de berekening van het griffierecht dan moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het hoger beroep is gericht, had te beslissen (vgl. HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014, r.o. 2.2.1, en HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1912, r.o. 2.2). Dit betekent dat voor de vaststelling van de hoogte van het griffierecht niet bepalend is wat in de appeldagvaarding wordt gevorderd en daarmee wat – uitsluitend wat appellanten betreft - in hoger beroep aan het hof ter beoordeling en beslissing voorligt, maar wat in eerste aanleg aan de voorzieningenrechter ter beoordeling en beslissing voorlag. De voorzieningenrechter had in dit geval in eerste aanleg niet alleen te beslissen over de door [B.V. 2] gevorderde verboden en de in dat verband gevorderde boetes, maar ook over de door haar gevorderde voorschotten van in totaal € 650.000,00 ter zake van verbeurde boetes.In 2017 bepaalde de Hoge Raad immers al in HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014, r.o. 2.2.3.: “In geval in een dagvaarding meerdere vorderingen worden ingesteld, wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van het totale beloop of de totale waarde van de gecumuleerde vorderingen (vgl. Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 3, p. 11). Dit betekent dat in een geval van samenloop van een vordering met een beloop van een bepaald bedrag en een vordering van onbepaalde waarde, het griffierecht dient te worden begroot op basis van eerstgenoemde vordering”.

2.4.3.

Daarbij is volgens de hiervoor genoemde beschikkingen van de Hoge Raad uit 2017 en 2019 niet van betekenis of (de hoogte van) die gevorderde voorschotten in eerste aanleg ook daadwerkelijk (is) zijn komen vast te staan (en dus of/in hoeverre die gevorderde voorschotten in eerste aanleg zijn toe- of afgewezen). Dit brengt met zich dat de hoogte van het griffierecht terecht is bepaald naar het tarief dat geldt voor zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van meer dan € 100.000,00 en niet meer dan € 1.000.000,00.

Slotsom

2.5.

Het verzet van [B.V. 1] is dus ongegrond.

3 De uitspraak

Het hof:

verklaart het verzet van [B.V. 1] ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, K.J.H. Hoofs en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »