ECLI:NL:GHDHA:2026:2961

Datum uitspraak
11-09-2026
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
22-001971-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gekwalificeerd zedendelict 17-jarig slachtoffer. Toestemming? Verminderde staat van bewustzijn? Opgelegd is een gevangenisstraf van 3 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk met voorwaarden en DUT en art. 38v Sr. Vordering BP gedeeltelijk toegewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rolnummer: 22-001971-25

Parketnummer: 10-069981-25

Datum uitspraak: 11 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1985,

adres: [woonadres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primairhij op of omstreeks 3 augustus 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard met een persoon, te weten [het slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het

- betasten van haar schaamlippen en/of schaamstreek en/of vagina en/of

- brengen en/of houden van zijn vinger(s) in/op/over haar vagina en/of clitoris, althans tussen haar schaamlippen en/of

- likken en/of brengen van zijn tong en/of lippen in/op/over haar vagina en/of clitoris, althans tussen haar schaamlippen

- brengen en/of wrijven en/of drukken van zijn penis in/over/tegen haar vagina, althans tussen haar schaamlippen terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [het slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, te weten het

- spreiden en/of openen van haar benen

- het voorbijgaan aan haar verbale signalen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 augustus 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [het slachtoffer] een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het

- betasten van haar schaamlippen en/of schaamstreek en/of vagina en/of

- brengen en/of houden van zijn vinger(s) in/op/over haar vagina en/of clitoris, althans tussen haar schaamlippen en/of

- likken en/of brengen van zijn tong en/of lippen in/op/over haar vagina en/of clitoris, althans tussen haar schaamlippen - brengen en/of wrijven en/of drukken van zijn penis in/over/tegen haar vagina, althans tussen haar schaamlippen terwijl dit feit werd begaan met misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht te weten:

- de omstandigheid dat verdachte in zijn woning het (verjaardags)feest van zijn zoon faciliteerde en/of (waarbij) verdachte zelf ook aanwezig was als ouder en/of

- het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en die [het slachtoffer] en/of

- die [het slachtoffer] die nacht moest blijven slapen in zijn woning nu zij zelf niet meer naar haar eigen huis kon en/of

- die [het slachtoffer] dronken, althans aangeschoten was terwijl dit feit werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, te weten het

- spreiden en/of openen van haar benen en/of

- het voorbijgaan aan haar verbale signalen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 augustus 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard met een persoon, te weten [het slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het

- betasten van haar schaamlippen en/of schaamstreek en/of vagina en/of

- brengen en/of houden van zijn vinger(s) in/op/over haar vagina en/of clitoris, althans tussen haar schaamlippen en/of

- likken en/of brengen van zijn tong en/of lippen in/op/over haar vagina en/of clitoris, althans tussen haar schaamlippen

- brengen en/of wrijven en/of drukken van zijn penis in/over/tegen haar vagina, althans tussen haar schaamlippen terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [het slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de strafoplegging. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis in zoverre zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte de bijzondere voorwaarden worden opgelegd, zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies van 5 augustus 2026, alsmede dat de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt opgelegd en dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair hij op of omstreeks 3 augustus 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard met een persoon, te weten [het slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het

- betasten van haar schaamlippen en/of schaamstreek en/of vagina en/of

- brengen en/of houden van zijn vinger(s) in/op/over haar vagina en/of over haar clitoris, althans tussen haar schaamlippen en/of

- likken en/of brengen van zijn tong en/of lippen in/op/over haar vagina en/of clitoris, althans tussen haar schaamlippen

- brengen en/of wrijven en/of drukken van zijn penis in/over/tegen haar vagina, althans tussen haar schaamlippen terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [het slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, en vergezeld van en/of gevolgd door dwang, en geweld en/of bedreiging, te weten het

- spreiden en/of openen van haar benen

- het voorbijgaan aan haar verbale signalen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat verdachte slechts seksuele handelingen heeft verricht waarvoor aangeefster toestemming heeft gegeven. Toen zij ‘stop’ zei, is verdachte gestopt en naar een andere verdieping van de woning gegaan. Omdat de handelingen met toestemming zijn verricht, dient verdachte te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat de mate van intoxicatie van aangeefster niet valt vast te stellen, nu zij op het ene moment berichten in goed lopende volzinnen heeft verstuurd, terwijl zij op het andere moment 'out' was en zich slap voelde. Volgens de verdediging zou dit erop wijzen dat aangeefster niet in de door haar gestelde verminderde staat van bewustzijn heeft verkeerd.

Juridisch kader

Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet zo’n verklaring voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Die steun hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging, maar de tenlastelegging in haar geheel moet die steun krijgen. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die ook bevestiging vindt in een andere bron.

Betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster

[het slachtoffer] (hierna: de aangeefster) heeft op 16 augustus 2024 aangifte gedaan van verkrachting. Aan deze aangifte ging een informatief gesprek met de zedenpolitie vooraf. Zowel tijdens dit gesprek als in haar aangifte heeft de aangeefster gedetailleerd verklaard over wat er volgens haar is voorgevallen. Daarbij heeft ze zichzelf niet ontzien door te zeggen dat zij toen veel gedronken had. De aangeefster heeft bovendien op 16 juni 2026 bij de raadsheer-commissaris nogmaals een gedetailleerde verklaring over de gebeurtenis afgelegd. Het hof overweegt dat de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster dient te worden beoordeeld aan de hand van onder meer de authenticiteit, concreetheid en gedetailleerdheid daarvan. Daarnaast is van belang in hoeverre deze verklaringen onderling consistent zijn.

Aangeefster heeft verklaard dat zij tussen de seksuele handelingen door de gelegenheid heeft gezien om een bericht te sturen aan [getuige 1] , met de tekst 'help, help, ze raken me aan'. Deze exacte bewoordingen vinden steun in de verklaring van getuige [getuige 1] . Voorts heeft aangeefster verklaard dat zij, als gevolg van een pijnscheut bij de opening van haar vagina, plotseling nuchter werd en is gevlucht, waarna zij buiten een voor haar onbekende vrouw tegen het lijf liep. Deze getuige heeft verklaard dat zij aangeefster op de betreffende ochtend heeft gezien, dat aangeefster in tranen was en zonder schoenen of jas buiten liep. Aangeefster heeft in die hevig emotionele toestand direct tegen deze haar onbekende vrouw verklaard dat zij op een verjaardag was geweest van haar vriend en dat de vader van die vriend 'het er bij haar beneden probeerde binnen te stoppen'. Na het incident is aangeefster naar het dichtstbijzijnde veilige adres gegaan dat zij kende, namelijk de woning van haar ex-vriend [getuige 2] . Deze ex-vriend heeft verklaard dat aangeefster dronken en huilend bij hem thuiskwam en hem vertelde dat zij was aangerand en verkracht.

De aangifte wordt dus bevestigd door en vindt steun in de getuigenverklaringen. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster authentiek, gedetailleerd en consistent zijn. Weliswaar is de informatie steeds afkomstig van aangeefster zelf, maar haar (hevige) emotionele toestand kort na de gebeurtenissen is door verschillende getuigen, op verschillende momenten, onafhankelijk van elkaar waargenomen. Bovendien overdrijft aangeefster de gebeurtenissen niet en lijkt zij op zichzelf te reflecteren. Aan het voorgaande doet niet af dat aangeefster door het gebruik van alcohol mogelijk in een verminderde staat van alertheid verkeerde en zij mogelijk kampt met een borderlinestoornis. Evenmin is tegenstrijdig dat aangeefster het ene moment flink aangeschoten en slap was, maar op een ander moment toch nog in staat was een bericht naar [getuige 1] , met de tekst 'help, help, ze raken me aan' te versturen: dit is bij iemand die aanzienlijke hoeveelheden alcohol heeft genuttigd goed verklaarbaar. Het hof stelt voorts vast dat de verklaring die aangeefster bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, niet afwijkt van haar eerdere verklaringen. Gelet op het voorgaande gaat het hof aan het verweer van de verdediging voorbij en acht het de aangifte voldoende betrouwbaar.

Steunbewijs

Verdachte heeft aanvankelijk bij de politie ontkend seksuele handelingen bij aangeefster te hebben verricht. Na bekendwording van de uitkomsten van het DNA-onderzoek op 5 maart 2025 heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij met toestemming van aangeefster met zijn hand tussen haar benen heeft gezeten en dat hij is gestopt toen zij dit aangaf. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte een enigszins andere lezing gegeven, inhoudende dat hij aangeefster wilde troosten en dat zij het is geweest die zijn hand naar haar vagina heeft gebracht, waarna hij met zijn vingers in haar vagina is geweest tot zij 'stop' zei. Ook over zijn middelengebruik heeft verdachte wisselend verklaard: bij de politie, bij de reclassering en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg gaf hij telkens een andere voorstelling van zaken, waarbij hij eerst ontkende drugs te hebben gebruikt en later alsnog erkende mogelijk cocaïne te hebben gebruikt. Het hof stelt vast dat verdachte op meerdere relevante punten wisselend heeft verklaard. Niettemin geeft die verklaring in belangrijke mate steun aan de verklaring van aangeefster. Weliswaar heeft verdachte ontkend dat hij zijn penis bij aangeefster naar binnen heeft gebracht, maar heeft hij, evenals aangeefster, verklaard dat hij op 3 augustus 2024 aan de vagina van aangeefster heeft gezeten, dat hij aan haar string of slip heeft gezeten en daarna eronder, op de vagina. Daarmee komt de verklaring van de verdachte op relevante onderdelen overeen met die van aangeefster.

Steun voor de verklaring van de aangeefster biedt ook de uitkomst van het DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), waaruit het hof concludeert dat autosomaal DNA van verdachte is aangetroffen op de buitenzijde voorzijde van de string van aangeefster, op het schaambeen van aangeefster en op zowel de buitenste als binnenste schaamlippen van aangeefster. Dit past in elk geval bij het opzij duwen van de string en het vingeren.

Voor de verklaring van de aangeefster kan tot slot op belangrijke, specifieke onderdelen steun worden gevonden in de getuigenverklaringen van de vriend die zij tijdens de seksuele handelingen berichtte ( [getuige 1] ), de buurvrouw die zij buiten tegenkwam en haar ex-vriend wiens huis zij na het incident bezocht.

Opzetverkrachting

Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen en de verdachte het contact toch heeft voortgezet.

Het hof leidt uit de verklaring van de aangeefster af dat verdachte uit zichzelf met zijn hand richting haar vagina is gegaan en aan haar heeft gevraagd of dit oké was. Zij heeft toen duidelijk ‘nee’ gezegd. Toen hij vervolgens vroeg of ze het zeker wist, heeft zij ‘ja’ gezegd. Verdachte heeft desondanks haar string opzij gedaan, haar vagina betast en is met zijn vinger(s) en met zijn penis (deels) haar vagina binnengedrongen.

Aan het voorgaande verbindt het hof de conclusie dat de aangeefster met duidelijke verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen. De verdachte moet dus hebben geweten dat de wil tot het hebben van seksueel contact bij de aangeefster ontbrak. Desondanks heeft de verdachte de ten laste gelegde handelingen voortgezet.

Gekwalificeerde opzetverkrachting

Voor een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting is vereist dat wordt vastgesteld dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging.

Aangeefster heeft verklaard dat zij heeft geprobeerd haar benen te sluiten voor verdachte, maar dat dit haar uiteindelijk niet is gelukt. Verdachte had daarvoor niet veel kracht nodig, aldus aangeefster, omdat zij door het alcoholgebruik te zwak was. Volgens aangeefster moet verdachte hebben gevoeld dat zij haar benen wilde sluiten. Verdachte heeft de benen van aangeefster desondanks met dwang gespreid. Bovendien heeft hij de seksuele handelingen voortgezet op het moment dat aangeefster verbaal duidelijk aangaf dit niet te willen: hij heeft zijn penis tegen haar vagina gedrukt en deze een klein stukje in haar vagina gebracht waardoor zij een pijnscheut voelde.

Het hof stelt op grond hiervan vast dat de opzetverkrachting is voorafgegaan en vergezeld van dwang en geweld.

Conclusie

Het hof acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Evenals de rechtbank zal het hof de verdachte vrijspreken van het onder het derde gedachtestreepje tenlastegelegde, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte aan de vagina van aangeefster heeft gelikt. Aangeefster heeft zich over deze specifieke gedraging niet uitgelaten, terwijl ook het DNA-onderzoek op het punt van speeksel geen resultaat heeft opgeleverd.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

opzetverkrachting vergezeld van dwang en geweld

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting van een destijds 17-jarig slachtoffer. Zij was als vriendin van de zoon van de verdachte op bezoek in het huis van de verdachte. Ten tijde van het delict verkeerde het slachtoffer ook nog eens onder invloed van alcohol en was zij van slag. Voorts was sprake van een aanzienlijk leeftijdsverschil, verdachte was 38 jaar en daarmee 21 jaar ouder dan het slachtoffer. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij het slachtoffer wilde troosten en dat het incident maar kort duurde, maar dit doet niet af aan de ernst van zijn handelen: binnen een kort tijdsbestek is dit ‘troosten’ daadwerkelijk uitgemond in vingeren en penetratie. De verdachte had onder de gegeven omstandigheden hoe dan ook het seksueel benaderen van het slachtoffer achterwege moeten laten, en had al helemaal direct had moeten stoppen op het moment dat zij 'nee' zei. Niet alleen had de verdachte zich ervan moeten vergewissen dat sprake was van instemming van de kant van het slachtoffer, maar hij is bovendien bewust tegen de wil van aangeefster in doorgegaan en heeft haar benen met dwang gespreid om haar te vingeren en zijn penis in haar vagina te brengen. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij geen oog heeft gehad voor de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en uitsluitend zijn eigen bevrediging voorop heeft gesteld.

Het hof heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 augustus 2026, waaruit blijkt dat verdachte weliswaar eerder is veroordeeld, maar niet voor

soortgelijke strafbare feiten.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof (onder meer) kennisgenomen van de over de verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 6 juni 2025 en het reclasseringsadvies Detentie en Re-integratie van 5 augustus 2026. De reclassering rapporteert in haar advies van 6 juni 2025 dat ten aanzien van verdachte sprake is van een matig tot matig-hoog risico op (seksuele) recidive. Wanneer verdachte alcohol en/of drugs gebruikt, kan dit op hem een ontremmende werking hebben. Hij heeft geen werk noch huisvesting wanneer hij vrij komt. Daarbij bestaat de mogelijkheid dat hij zijn rijbewijs zal verliezen, wat problematisch zou zijn om zijn werk als vrachtwagenchauffeur te hervatten. Bij problemen en spanning lijkt de verdachte volgens de reclassering terug te vallen op oude problemen van middelengebruik.

In het meest recente reclasseringsadvies Detentie & Re-integratieplan van 5 augustus 2026 wordt het risico op recidive en letsel ingeschat als gemiddeld, het risico op het onttrekken aan de voorwaarden wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten:

  • meldplicht bij de reclassering;

  • ambulante behandeling;

  • meewerken aan middelencontrole

  • contactverbod voor vijf jaar met het slachtoffer en deze voorwaarde als dadelijk uitvoerbaar op te leggen;

Het hof is van oordeel dat, gezien de ernst van het feit, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal het hof een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met daaraan de voorwaarden verbonden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Voorts ziet het hof ter voorkoming van strafbare feiten aanleiding om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contact- en locatieverbod zoals bedoeld in artikel 38v Sr aan de verdachte op te leggen. Het hof beoogt hiermee te voorkomen dat de verdachte nog op enigerlei wijze contact met aangeefster zal opnemen of in haar buurt zal komen. Het hof acht het van belang dat het contactverbod met aangeefster daarmee van kracht blijft, ook in de situatie dat het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf ten uitvoer is gelegd.

Het hof is van oordeel dat er vooralsnog ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens aangeefster. Daarom zal het hof bevelen dat de hierna genoemde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Alles afwegend acht het hof de hierna te noemen straf en maatregel passend en

geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – gelet op de bepleite vrijspraak – primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsman verzocht bij een bewezenverklaring de vordering van de benadeelde partij conform de beslissing van de rechtbank toe te wijzen.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. Zij heeft immers te kampen met psychische klachten, die in belangrijke mate het gevolg zijn van het bewezenverklaarde. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. Het hof stelt de immateriële schadevergoeding vast naar maatstaven van billijkheid, waarbij het hof acht slaat op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft daarbij gekeken naar het bedrag dat wordt genoemd onder ‘15.1.c Seksuele misdrijven’, te weten een bedrag tussen de € 2.500 en de € 7.500. In deze categorie gaat het doorgaans om een eenmalige verkrachting. Naar het oordeel van het hof leent de vordering zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 7.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 7.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 243 Sr, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

  • zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden;

  • gedurende de proeftijd geen verdovende middelen/alcohol gebruikt, en meewerkt aan bloedonderzoek of urineonderzoek om dit verbod te controleren, of aan een minder ingrijpende controle met behulp van ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

  • zich ambulant (zonder opname) gedurende de proeftijd laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met mevrouw [het slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2006.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 62 (tweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. A. de Lange, als voorzitter, mr. H.C. Wiersinga en mr. Chr.A. Baardman, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »