ECLI:NL:GHDHA:2026:2874

Datum uitspraak
30-04-2026
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
BK-25/602
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Art. 16, lid 1, AWR. Navorderingsaanslag. Nieuw feit. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen vastgesteld aan de hand van de beschikbare informatie uit de bankafschriften. De stellingen op grond waarvan de navorderingsaanslag zou moeten worden verminderd zijn ook in hoger beroep niet met enig bewijs onderbouwd.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/602

Uitspraak van 30 april 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 juli 2025, nummer SGR 24/2533.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2017 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 781.874 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 67.528 belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking) en een boete van € 369 opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag, rentebeschikking en boete.

1.3.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 756.207;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden”

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 143. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 8 september en 29 oktober 2025. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 2 april 2026. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende is door de griffier van het Hof bij een digitaal verzonden bericht uitgenodigd om te verschijnen op de zitting. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet ter zitting verschenen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is het bericht op 4 februari 2026, 11.57 uur, verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mail verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. Gelet hierop is belanghebbende naar het oordeel van het Hof correct uitgenodigd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende exploiteert in het jaar 2017 een internetonderneming die handelt onder de naam “ [naam onderneming] ”.

2.2.

Belanghebbende is niet uitgenodigd tot het doen van aangifte en heeft ook niet uit eigen beweging een aangifte IB/PVV 2017 ingediend.

2.3.

De politie heeft de Inspecteur op de hoogte gebracht van een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende.

2.4.

Met dagtekening 8 april 2021 is een boekenonderzoek aangekondigd met als doel de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften IB/PVV en omzetbelasting voor de jaren 2016 tot en met 2020.

2.5.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur met dagtekening 8 november 2022 aan belanghebbende een kennisgeving gestuurd van het opleggen van een navorderingsaanslag IB/PVV 2017.

2.6.

Met dagtekening 26 november 2022 is een navorderingsaanslag IB/PVV 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 781.874, alsmede een boete van € 369. Het belastbare inkomen uit werk en woning is als volgt vastgesteld:

Winst uit onderneming

€ 916.436

Af: zelfstandigenaftrek

€ 7.280

Af: MKB-vrijstelling

€ 127.282

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 781.874

2.7.

De Inspecteur heeft de winst uit onderneming vastgesteld op basis van een analyse van de bankafschriften van [naam onderneming] . Daaruit volgt dat in 2017 € 1.109.743,13 is ontvangen van [Internetbetaalservice] . [Internetbetaalservice] is een internetbetaalservice voor onder andere webshops. Ook is in 2017 € 1.000 ontvangen van [Supermarkt] . De Inspecteur heeft in totaal € 1.110.743 aangemerkt als omzet. Daarop is op basis van de bankafschriften een bedrag van € 194.307 als zakelijke kosten in mindering gebracht.

2.8.

Bij uitspraak op bezwaar van 3 januari 2024 is de navorderingsaanslag gehandhaafd en de boete vernietigd.

2.9.

De Inspecteur heeft in de beroepsfase aangegeven dat ook de periodieke kosten van in totaal € 29.845, zoals die uit de bankafschriften volgen, als zakelijke kosten in aanmerking kunnen worden genomen. De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de navorderingsaanslag moet worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 756.207.

2.10.

De Inspecteur heeft met dagtekening 14 augustus 2025 een verminderingsbeschikking gegeven. Daarbij heeft de Inspecteur de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover hier van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“12. Op grond van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Verweerder heeft niet gesteld dat sprake was van kwade trouw.[1]

13. De rechtbank stelt het volgende vast. Eiser heeft voor het jaar 2017 geen aangifte ingediend. Verweerder heeft niet binnen de reguliere aanslagtermijn van drie jaar na afloop van het belastingjaar[2], dus uiterlijk op 31 december 2020, een definitieve aanslag opgelegd. Verweerder heeft daarom rechtstreeks een navorderingsaanslag opgelegd, en wel binnen de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar na afloop van het belastingjaar.[3]

14. Voor het bepalen van het moment waarop in gevallen zoals deze een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten, moet naar het oordeel van de rechtbank gekeken worden naar de aanslagtermijn. In dit concrete geval is er geen reden voor verlenging van de aanslagtermijn, zodat de termijn waarbinnen de inspecteur in dit geval nog een definitieve aanslag kon opleggen, drie jaar bedraagt. Dat betekent dat de definitieve aanslag na 31 december 2020 definitief ‘achterwege is gelaten’ in de zin van artikel 16, eerste lid, van de AWR.

15. Verweerder stelt dat hij over een nieuw feit beschikt nu hij pas op 4 februari 2021, na afloop van de reguliere aanslagtermijn van drie jaar, bekend is geworden met het ingestelde strafrechtelijk onderzoek tegen eiser. Gelet hierop en het feit dat het boekenonderzoek vervolgens is aangekondigd op 8 april 2021, is sprake van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de AWR. Verweerder heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank een navorderingsaanslag mogen en kunnen opleggen.

16. Eiser heeft enkel gesteld dat de navorderingsaanslag te hoog is vastgesteld, maar heeft geen verifieerbare verklaring omtrent de omvang en herkomst van zijn inkomen gegeven. Verweerder heeft, in het kader van het ingestelde boekenonderzoek, van de toenmalige gemachtigde van eiser bankafschriften (van eiser) ontvangen. Ondanks meerdere verzoeken van verweerder, heeft eiser geen nadere informatie verstrekt over zijn inkomsten en uitgaven. Verweerder heeft het belastbaar inkomen daarom vastgesteld aan de hand van de beschikbare bankafschriften waaruit een omzet van € 1.110.743 volgt, nagenoeg geheel bestaande uit ontvangsten van een internetbetaalservice. Verweerder heeft verder verklaard dat transacties zonder omschrijving niet zijn meegenomen in de bepaling van het belastbaar inkomen. Uit de bankafschriften volgt volgens verweerder een bedrag van € 194.307 aan incidentele zakelijke kosten. De navorderingsaanslag is vervolgens vastgesteld op € 781.874, zijnde de omzet, verminderd met de incidentele zakelijke kosten, een zelfstandigenaftrek van € 7.280 en een MKB-vrijstelling van € 127.282. In de beroepsfase stelt verweerder zich nader op het standpunt dat ook de periodieke kosten van € 29.845, zoals die uit de bankafschriften volgen, in aanmerking kunnen worden genomen. Dit leidt, na aanpassing van de MKB-vrijstelling, tot een belastbaar inkomen van € 756.207. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder vastgestelde belastbare inkomen. Reeds hierom is het beroep gegrond.

17. De enkele stelling van eiser dat verweerder het inkomen te hoog zou hebben vastgesteld is, zonder onderbouwing (met stukken), onvoldoende om te oordelen dat de navorderingsaanslag tot een onjuist bedrag is vastgesteld en verminderd dient te worden.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond verklaard.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld.

(…)

[1] Artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR.

[2] Zie artikel 11, derde en vierde lid, van de AWR.

[3] Zie artikel 16, derde lid, van de AWR.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de navorderingsaanslag – met inachtneming van de verminderingsbeschikking – naar het juiste bedrag is opgelegd.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt – naar het Hof begrijpt – dat het belastbare inkomen uit werk en woning te hoog is vastgesteld, omdat onvoldoende rekening ermee is gehouden dat bepaalde kosten als zakelijke kosten aangemerkt moeten worden, dat inkoopkosten zowel per bank als contant zijn voldaan, dat alle verkopen onder de margeregeling vallen, en dat de aanslag is gebaseerd op een onvolledig beeld van zijn financiële situatie.

5.2.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze gronden over, maakt deze tot de zijne en voegt daaraan het volgende toe. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen vastgesteld aan de hand van de beschikbare informatie uit de bankafschriften. Hij heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat het belastbare inkomen niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende heeft zijn stellingen op grond waarvan de navorderingsaanslag volgens hem zou moeten worden verminderd ook in hoger beroep niet met enig bewijs onderbouwd. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd is dan ook onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de navorderingsaanslag moet worden verminderd.

Slotsom

5.3.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, H.A.J. Kroon en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs

De beslissing is op 30 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »