ECLI:NL:GHSHE:2026:2267

Datum uitspraak
19-08-2026
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
24/1187
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag Vpb 2017. Belanghebbende maakte tot haar liquidatie in oktober 2017 onderdeel uit van een vennootschapsstructuur. Belanghebbende heeft aangifte Vpb 2017 gedaan onder horizontaal toezicht en daarbij geen winst ter zake van goodwill aangegeven. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag Vpb opgelegd tot het belastbaar bedrag plus de goodwill. Naar het oordeel van het hof beschikt de inspecteur niet over een nieuw feit. Dat de aangifte is ingediend onder horizontaal toezicht maakt dat oordeel niet anders. Naar het oordeel van het hof is wel sprake van kwade trouw van de zijde van de gemachtigde. De inspecteur was zodoende bevoegd om een navorderingsaanslag op te leggen. De inspecteur heeft de door hem verdedigde waarde van de goodwill aannemelijk gemaakt door aan te sluiten bij de berekeningen binnen het concern ter zake van aandelentransacties tussen onafhankelijke partijen. Het hof is van oordeel dat de belastingrente niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel in rekening is gebracht. Het hof vermindert de belastingrente wegens het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1187

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 juli 2024, nummer BRE 23/3855, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, [oud werknemer] , oud-werknemer van belanghebbende, [adviseur] , adviseur van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .

Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1184 tot en met 24/1186.

1.7.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende maakte deel uit van de [Groep] -groep. De activiteiten van de [Groep] -groep bestaan uit dienstverlening op het gebied van SAP-software.

2.2.

Tot de [Groep] -groep behoorden de volgende vennootschappen: belanghebbende (hierna ook: [belanghebbende] ), [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ), [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ), [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ).

De structuur van de [Groep] -groep, voor zover hier van belang, zag er eind 2015 als volgt uit:

2.3.

De inspecteur en het voormalig advieskantoor/gemachtigde van belanghebbende, [voormalig advieskantoor] (hierna: [voormalig advieskantoor] of het voormalige advieskantoor), hebben in 2013 een convenant gesloten met betrekking tot horizontaal toezicht door de belastingdienst ten aanzien van cliënten van die adviseur. Op het convenant is de Leidraad Horizontaal Toezicht Fiscaal Dienstverleners (de Leidraad) van toepassing. Vanaf 9 oktober 2015 valt belanghebbende onder dit horizontaal toezicht.

2.4.

In 2016 zijn de activiteiten van [bedrijf 4] en [bedrijf 2] ondergebracht in [bedrijf 1] waarna [bedrijf 4] en [bedrijf 2] zijn geliquideerd.

2.5.

Op 27 maart 2017 heeft [Groep] B.V. 49% van de aandelen in belanghebbende en [bedrijf 1] gekocht voor respectievelijk € 262.500 en € 778.125. Vanaf dat moment bezit [Groep] B.V., naast de aandelen in belanghebbende, ook alle aandelen in [bedrijf 1] en [bedrijf 3] . De koopprijs van de aandelen is berekend aan de hand van de formule omzet 2015 vermenigvuldigd met een factor 1,1 plus het zichtbaar eigen vermogen ‘hoog’ per 31 december 2015. Er is rekening gehouden met een correctie van € 90.000 omdat [Groep] B.V. in 2016 meer managementfee had uitgekeerd aan de zittende managers dan was afgesproken en daardoor was de prijs voor de toetredende managers, gebaseerd op de formule, te hoog.

2.6.

In een verslag van een bespreking van 16 maart 2022 tussen de Belastingdienst en de [Groep] -groep is de volgende toelichting opgenomen ter zake de berekening van de koopprijs van de aandelen:

“3.9. Tijdens deze herstructurering heeft [Groep] BV ook een van haar aandeelhouders ( [bedrijf 5] BV) moeten uitkopen in 2016. [Groep] BV heeft toen advies ingewonnen over hoe de prijs voor de aandelen het beste bepaald kan worden. Zij zijn daarbij uitgekomen op de volgende formule: 1,1 x de omzet uit 2015 plus het zichtbare eigen vermogen.

3.10.

De aandeelhouders hebben besloten om die formule ook bij latere aandelentransacties te hanteren. Zo ook bij de uitbreiding van het belang in vennootschappen [belanghebbende] BV en [bedrijf 1] BV. Gevolgd door de verkrijging aandelen in [Groep] BV door [bedrijf 6] BV, [bedrijf 7] BV en [bedrijf 8] BV.

3.11.

Meer recent is bij het uittreden van de heren [naam 1] en [naam 2] deze formule weer gebruikt.

3.12.

Bij de laatste herstructurering, de verkoop van alle aandelen in [Groep] BV aan [naam 3] , is een alternatieve waarderingsmethode gebruikt. Wij begrijpen dat deze berekening op een vergelijkbare uitkomst is gekomen. Daarmee was de prijs voor de verkopende aandeelhouders afdoende.”

2.7.

In oktober 2017 zijn belanghebbende, [bedrijf 1] en [bedrijf 3] geliquideerd. Het personeel van de voornoemde vennootschappen is na de liquidatie overgenomen door [Groep] B.V.

2.8.

Op 14 juni 2018 heeft het voormalig advieskantoor van belanghebbende in de persoon van de heer [voormalig adviseur] (hierna: de voormalige adviseur), de inspecteur benaderd met betrekking tot een door [Groep] B.V. te claimen liquidatieverlies in 2017.

2.9.

Op 31 januari 2019 heeft de voormalige adviseur in een brief aan de inspecteur het volgende vermeld:

“Tijdens het gesprek d.d. 8 november 2019 ten kantore van [voormalig advieskantoor] zijn een aantal afspraken gemaakt m.b.t. het (beoordelings)traject van het door ons voorgestelde liquidatieverlies dat wij voornemens zijn op te nemen in de aangifte vennootschapsbelasting 2017 van [Groep] B.V. Zoals bij u bekend heeft dit liquidatieverlies, thans berekend op € 921.710, betrekking op de liquidatie van [bedrijf 3] B.V., [bedrijf 1] B.V. en [belanghebbende] B.V.

Teneinde de beoordeling van ons voorstel voort te kunnen zetten heeft u aangegeven in het kader van transparantie meer informatie te willen ontvangen. Deze informatie is onderverdeeld in drie 'delen':

1. Een chronologisch overzicht van gebeurtenissen/handelingen vanaf moment oprichting [Groep] maatschappijen tot moment liquidatie van vermelde [Groep] (dochter)maatschappijen.

2. Tekstuele toelichting op de prijs voor de dochtermaatschappijen (refererend aan de aandelenemissie bij [Groep] B.V.).

3. De notariële akten m.b.t. [Groep] B.V. en de hiervoor vermelde [Groep] dochters.

In dit schrijven werken wij voorgaande punten in overeenkomstige volgorde uit.

(…)

De aandeelhouders ( [bedrijf 9] B.V. en de drie nieuwe investeerders) hebben een bijzonder ingewikkelde werkwijze bedacht. De nieuwe participanten voeren hun activiteiten uit in de nieuwe dochtermaatschappijen. Er wordt echter steeds gehandeld uit (groeps)naam van [Groep] B.V. Bij laatstgenoemde vennootschap bevinden zich bovendien alle faciliteiten. Van infrastructuur tot facilitair medewerkers.

De investeerders hebben destijds een complexe berekening bedacht om de resultaten van de dochtermaatschappijen te verdelen. Uitgangspunt was een gewenst rendement bij [Groep] B.V. van 12,5% (evt. dividend) als vergoeding voor het gebruik van de infrastructuur etc. Deze verdeling heeft men vormgegeven door het doorbelasten van kosten vanuit [Groep] B.V. -naast de management fee - zoals huur netwerk, infrastructuur, marketingkosten etc.

Men wil vervolgens de organisatie stroomlijnen, de drie nieuwe investeerders meer/breder betrekken bij [Groep] en van voormelde ingewikkelde berekeningen af. Men wenst dat de drie nieuwe aandeelhouders, in ruil voor hun 49% aandeelhouderschap in [bedrijf 1] B.V., respectievelijk [belanghebbende] B.V., voor 1/9e deel aandeelhouder worden van [Groep] B.V. De drie nieuwe investeerders, die via [bedrijf 1] respectievelijk [belanghebbende] hebben geïnvesteerd, gaan dus participeren in [Groep] B.V. Zij ‘verhuizen’ met hun activiteiten mee naar [Groep] B.V. Er wordt gekozen voor aandelenfusie. Na de ruil worden in 2017 de dochtervennootschappen [bedrijf 3] B.V., [bedrijf 1] B.V. en [belanghebbende] B.V. geliquideerd.

De activiteiten van de drie dochtermaatschappijen hebben echter wel een bepaalde waarde. Ze

genereren immers omzet, wat ook steeds in de jaarrekeningen en aangiften vennootschapsbelasting is verwerkt. Er moet dus een waarde gehangen worden aan de betreffende vennootschappen - en in het bijzonder het 49% aandelenbelang van de nieuwe investeerders - vooraleer de herstructurering plaats kan vinden. Meer over de prijsbepaling in hoofdstuk 2 van dit memorandum.

27-03-2017:

1. [bedrijf 6] B.V. draagt haar aandeel in [belanghebbende] over aan [Groep] B.V. De koopsom bedraagt € 262.500. Deze koopsom wordt door koper schuldig gebleven ter verrekening met de volstortingsverplichting van uit te geven aandelen in het kapitaal van [Groep] B.V.

2. [bedrijf 8] B.V. en [bedrijf 7] B.V dragen hun aandeel in [bedrijf 1] B.V. over aan [Groep] B.V. De koopsom bedraagt € 389.062,50 per verkoper. De totale koopsom bedraagt derhalve € 778.125. Deze koopsom wordt door koper schuldig gebleven ter verrekening met de volstortingsverplichting van uit te geven aandelen in het kapitaal van [Groep] B.V.

3. [Groep] B.V. geeft 10.800 (3x 3.600) aandelen uit tegen een koers van € 166,67 per aandeel. Hiervan is € 1 nominale waarde en € 165,67 agio. De nieuwe aandelen worden in gelijke delen uitgegeven aan [bedrijf 6] B.V., [bedrijf 8] en [bedrijf 7] B.V.

(…)

2. Toelichting koopprijs dochtermaatschappijen

Er heeft een aandelenfusie plaatsgevonden van aandelen [bedrijf 1] B.V. en [belanghebbende] B.V. in aandelen [Groep] B.V. Hiertoe heeft men moeten bepalen wat de waarde is van het 49% aandelenbelang van enerzijds [bedrijf 7] B.V. in [belanghebbende] B.V. en anderzijds [bedrijf 6] B.V. respectievelijk [bedrijf 8] B.V. in [bedrijf 1] B.V.

De prijsbepaling is geheel gegrond op omzetcijfers vermenigvuldigd met een factor ter vertegenwoordiging van goodwill. Er zat nauwelijks vermogen in de vennootschappen. De voor zover aanwezige winstreserves waren reeds uitgekeerd. Zoals reeds in hoofdstuk 1 toegelicht: de investeerders hebben weliswaar aan de hand van een (complexe) doorberekening van kosten de resultaten van de dochtermaatschappijen verdeeld, de omzet van betreffende vennootschappen is steeds verantwoord daar waar de activiteiten plaatsvonden. In combinatie met de herstructurering veroorzaken deze doorberekeningen uiteindelijk het liquidatieverlies. Enerzijds zijn er wel de activiteiten waar een prijs aan moet hangen, anderzijds zijn de ‘winsten’ via de doorbelastingen al bij [Groep] B.V. terecht gekomen.

Aangezien de prijs voor [belanghebbende] B.V. en [bedrijf 1] B.V. eind 2016 is bepaald, heeft men gebruik gemaakt van de cijfers uit de jaarrekeningen 2015. Deze gaven op dat moment een goed beeld over de voorgaande jaren.

De omzet van [belanghebbende] B.V. bedroeg in 2015 € 225.634. Te verdelen over 100 aandelen betekent dat een omzet van € 2.256 per aandeel. De goodwillfactor bedraagt afgerond 2,375, resulterend in een waarde per aandeel van € 5.357,15. De waarde van 49% van de aandelen is dan (49% * 100 * 5.357,15) € 262.500.

[bedrijf 1] B.V. werd pas eind 2015 opgericht. Zoals in hoofdstuk 1 beschreven, bestonden de activiteiten van [bedrijf 1] B.V. uit de activiteiten die eerder gedreven werden vanuit [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 4] B.V. Derhalve is voor bepaling van de prijs voor [bedrijf 1] B.V. gerekend met de omzet in 2015 van de voormelde twee vennootschappen.

De omzet van [bedrijf 2] B.V. bedroeg € 570.372 en die van [bedrijf 4] B.V. bedroeg € 280.497. Het aantal aandelen [bedrijf 1] B.V. was 18.100. De goodwillfactor bedraagt afgerond 1,845, resulterend in een waarde per aandeel van € 86,74. De waarde van 49% van de aandelen is dan (49% * 18.100 * 86,74) € 778.125.

3. Notariële akten

De notariële akten - voor zover wij die op ons verzoek hebben ontvangen - zijn bijgevoegd.

Wij zijn ons er van bewust dat voorgaande informatie wellicht nog geen volledig antwoord geeft op alle vragen die gedurende ons gesprek van 8 november 2019 zijn gesteld. Desondanks denken wij dat onze toelichting een veel helderder beeld schept over structuur van de groep en de herstructurering ervan. Uiteraard lichten wij het voorgaande desgewenst nader toe.”

2.10.

De voormalige adviseur heeft op 7 maart 2019 namens [Groep] B.V. de aangifte Vpb 2017 ingediend, waarin het liquidatieverlies van € 923.166 is opgenomen. De primitieve aanslag is vervolgens met dagtekening 6 april 2019 geautomatiseerd opgelegd overeenkomstig de aangifte. In april 2019 zijn vervolgens meerdere contactmomenten geweest tussen de inspecteur en de voormalige adviseur waarin de inspecteur de voormalige adviseur erop heeft aangesproken dat de aangifte Vpb 2017 van [Groep] B.V. met het liquidatieverlies is ingediend, zonder een kennisgeving aan de inspecteur of het aankruisen van het vakje ‘Expliciete uitspraak Belastingdienst gevraagd’. Tot de gedingstukken behoren notities van de inspecteur waarin het volgende staat:

“11 april 2019

Heb mapje weer even in de hand en ik kijk in EVBN wanneer de aangifte 2017 ingediend moet zijn. Dit blijkt 1 mei 2019 te zijn. tot mijn verbazing zie ik echter dat de aangifte inmiddels op 7 april 2019 is ingediend en met code [nummer] is afgewerkt; dagtekening aanslag: 06-04-2019. Uit ABS blijkt dat de aangifte is ondertekend door [voormalig adviseur] en zonder voorbehoud(vraag standpunt inspecteur) is ingediend. In de aangifte is een liquidatieverlies voor een bedrag van € 923.166 opgenomen. Nu het hier een convenantaangifte betreft is deze, met alle uitworpen op neen, conform afgedaan.

Vreemd dat [voormalig adviseur] mij op 4 april 2019 naar de status van het vooroverleg vraagt terwijl e.e.a. zonder meer in de aangifte is verwerkt. (…).

15 april 2019

Tijdens mijn telefoongesprek met [voormalig adviseur] heeft [naam 4] mijn voicemail ingesproken (zag ik vanmorgen pas) (…). Hem gelijk teruggebeld. Was verbaasd dat er nu ineens een aanslag ligt. Heeft het idee dat er e.e.a. fout is gegaan. Naar zijn idee is het verlies ook niet juist in de aangifte verwerkt. Hem gezegd eerst met [voormalig adviseur] de zaak te bespreken hoe verder. Indien het nodig is kunnen we altijd met zijn drieën aan tafel gaan zitten. [naam 4] kwam in gesprek heel positief over; meedenken aan oplossing en niet formeel, er ligt een aanslag zoek het maar uit.

Ook nog gelukt met [voormalig adviseur] een afspraak te maken op 25 april 2019 om 9.30. Ga er samen met [naam 5] naar toe voor de overdracht RB en het bespreken van bovenstaande en enkele andere zaken.

19 april 2019

Tijdens tekenen convenant ANB weer voicemail van [naam 4] . Hem teruggebeld. Heeft contact gehad met klant en via klant gehoord dat [voormalig adviseur] gereageerd had met de opmerking in de trant van er ligt nu toch een aanslag. [naam 4] geeft aan wat volgens hem het discussiepunt is, nl. het opvoeren van het liquidatieverlies. Uit zijn woorden maak ik op dat hij ook denkt dat dit niet kan op de wijze waarop [voormalig adviseur] het gepresenteerd heeft. Bovendien gaf hij aan de indruk te hebben dat de klant niet weet waar [voormalig adviseur] mee bezig is. Wil samen met klant met mij hierover in gersprek. Aangegeven dat ik in principe hier wel voor in ben maar eerst met [voormalig adviseur] moet spreken over hoe het fout heeft kunnen gaan en hoe verder. Wel aangegeven dat ik e.e.a. in ieder geval inhoudelijk niet zelf zal afwikkelen. [naam 4] zal e.e.a. nog met klant bespreken en zo nodig mij wat laten horen.”

2.11.

Op 26 april 2019 heeft de voormalige adviseur de inspecteur als volgt geïnformeerd:

“Zoals gisteren ten kantore van [voormalig advieskantoor] besproken doen wij u nogmaals het overzicht van het liquidatieverlies toekomen.

U heeft aangegeven dat het betreffende overzicht en de brief van 31 januari 2019 voor de Belastingdienst een open eind heeft. In de verstrekte informatie komt volgens u geen conclusie voor waarom de koopsom voor [belanghebbende] is vastgesteld op € 262.500, waarom de koopsom voor [bedrijf 1] B.V. is vastgesteld op € 778.125 en waarom de liquidatie van de vennootschappen vervolgens zou moeten leiden tot een liquidatieverlies van in totaal € 923.166. Bovendien is uitgesproken dat een heldere schriftelijke uitleg over waar belasting is betaald over de door de geliquideerde vennootschappen uitgevoerde activiteiten, gewenst is.

In verband met afwikkeling van het laatste deel van de aangiftestroom 2017 willen wij aankomende week met nadere uitleg komen t.a.v. de vragen die op dit moment bij de Belastingdienst leven. Wij kiezen er voor om eerst zorgvuldig te kijken naar de informatie die wij reeds hebben gedeeld en hoe wij dan de voormelde punten nu wel opgehelderd krijgen. Haastige spoed gaat de communicatie in dit proces immers niet helpen.

Wellicht ten overvloede merken wij via deze weg nogmaals op dat indien mocht blijken dat het liquidatieverlies tot een ander bedrag vastgesteld moet worden, wij bij cliënte het voorstel neerleggen om een verbeterde aangifte vennootschapsbelasting 2017 te doen.”

2.12.

In de bijlage bij de e-mail van 26 april 2019 is een overzicht van het door [Groep] B.V berekende liquidatieverlies van € 923.166 opgenomen. Dit verlies bestaat voor € 740.938 uit een liquidatieverlies van [bedrijf 1] en voor € 182.228 uit een liquidatieverlies van belanghebbende.

2.13.

Belanghebbende is uitgenodigd aangifte Vpb te doen voor het jaar 2017. Op 13 mei 2019 heeft belanghebbende aangifte Vpb 2017 gedaan onder horizontaal toezicht. De uiterste inleverdatum van de aangifte was, na aanmaning, 24 mei 2019. In de aangifte is geen rekening gehouden met een heffing over de stille reserves (goodwill) en is het vakje ‘Expliciete uitspraak belastingdienst gevraagd’ niet aangevinkt. De aangegeven belastbare winst bedraagt € 1.455. De aangifte is ondertekend door de heer [voormalig adviseur] .

2.14.

Op 8 juni 2019 is de aanslag Vpb 2017 van belanghebbende geautomatiseerd door het systeem geregeld. De aanslag is met dagtekening 8 juni 2019 overeenkomstig de aangifte opgelegd.

2.15.

Bij brief van 12 augustus 2019 heeft de inspecteur onder meer aangegeven dat volgens hem bij liquidatie een eindafrekening plaats had moeten vinden. Bij brief van 12 september 2019 antwoordt de voormalige adviseur daarop dat een eindafrekening niet aan de orde is omdat de activiteiten zijn gestaakt.

2.16.

In een e-mail van 25 maart 2022 verklaart de heer [oud werknemer] op vragen van de inspecteur:

“Door onjuiste doorbelastingen deed de uitkomst van de formule geen recht aan de waarde van de aandelen. Dit is middels een extracomptabele verhoging van het vermogen gecorrigeerd.”

2.17.

Met dagtekening van 1 juli 2022 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag opgelegd tot een belastbaar bedrag van € 1.455 (aangifte) + € 684.883 (goodwill) = € 686.338.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is er sprake van een nieuw feit op grond waarvan een navorderingsaanslag mag worden opgelegd?

II. Indien vraag I ontkennend wordt beantwoord: was de voormalige adviseur van belanghebbende te kwader trouw?

III. Hoe hoog is de goodwill ter zake van de overdracht van de activiteiten van belanghebbende aan [Groep] B.V.?

IV. Heeft belanghebbende de vereiste aangifte gedaan?

V. Indien vraag IV ontkennend wordt beantwoord:

a. is de schatting van de inspecteur redelijk?

b. heeft belanghebbende overtuigend aangetoond dat de navorderingsaanslag te hoog is?

VI. Is de belastingrente te hoog vastgesteld, omdat in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is gehandeld?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de navorderingsaanslag en beschikking belastingrente, dan wel (subsidiair) tot vermindering van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

I. Is er sprake van een nieuw feit?

4.1.

De rechtbank heeft ten aanzien van deze vraag als volgt geoordeeld:

“5.1. De inspecteur heeft primair gesteld dat sprake is van een nieuw feit. Hij hoefde niet te twijfelen over de juistheid van de aangifte, temeer nu die is ingediend onder een convenant Horizontaal Toezicht. De voormalige adviseur heeft voorafgaand aan het indienen van de aangifte van belanghebbende geen cijfermatige informatie over belanghebbende aan de inspecteur verstrekt. Pas bij het opstellen van een structuurschema op 29 mei 2019 heeft de inspecteur volledig zicht verkregen op het feitencomplex. Ter zitting heeft de inspecteur verder toegelicht dat de gesprekken met de voormalige adviseur betrekking hadden op [Groep] B.V. en op de daar opgevoerde liquidatieverliezen van [bedrijf 1] en [belanghebbende] . De inspecteur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij de kennis van het dossier van [Groep] B.V. niet hoefde te gebruiken voor de behandeling van het dossier van belanghebbende.

5.2.

Belanghebbende is van mening dat van een nieuw feit geen sprake is omdat alle relevante gegevens reeds met de inspecteur waren gedeeld. Daarbij moet de kennis van het dossier van [Groep] B.V. ook aanwezig worden geacht bij de behandeling van de aangifte van belanghebbende, zeker nu dezelfde inspecteur daarbij betrokken was. Nu de inspecteur over de voornoemde gegevens beschikte, lag het op zijn weg om de automatische afdoening van de aangifte te blokkeren en een onderzoek in te stellen naar de aangifte Vpb 2017 van belanghebbende. In de aangifte was sprake van een verkort boekjaar en er was niet afgerekend over de goodwill. Gelet op de eerdere correspondentie over de te claimen liquidatieverliezen bij [Groep] B.V. en de omstandigheid dat dezelfde belastingambtenaar bevoegd was tot opleggen van de aanslagen Vpb van de [Groep] -groep en hij ook de vraag had opgeworpen over het moment van de afrekening over de stille reserves, heeft de inspecteur – door geen onderzoek te doen naar de juistheid van de aangifte Vpb 2017 van belanghebbende – een ambtelijk verzuim begaan, aldus belanghebbende.

5.3.

De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende onbetwist heeft gesteld dat de aangiften 2017 van de [Groep] -groep door een en dezelfde belastingambtenaar werden behandeld. Gelet daarop dient de kennis van het dossier van [Groep] B.V. naar het oordeel van de rechtbank ook aanwezig worden geacht bij de behandeling van de aangifte van belanghebbende. De vraag die dan beantwoord moet worden is of het met die kennis zonder nader onderzoek opleggen van de aanslag Vpb 2017 een ambtelijk verzuim vormt. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de correspondentie tussen de inspecteur en de voormalige gemachtigde (zie 4.7 en 4.8 [hof: zie 2.8 en 2.9 onder de feiten]) blijkt dat de discussie betrekking had op de te claimen liquidatieverliezen die verband houden met de ontbinding van [bedrijf 1] en belanghebbende. De inspecteur had twijfels over de juistheid van die verliezen en hij wilde daarover om die reden meer informatie. Daarbij is van belang dat de inspecteur in of vóór april 2019 wist dat aandelen van belanghebbende in maart 2017 voor een aanzienlijk bedrag waren verkocht (zie 4.8 [hof: zie 2.9 onder de feiten]), terwijl bij liquidatie in oktober 2017 de liquidatie-uitkering volgens belanghebbende op nihil gesteld moest worden (zie 4.12 [hof: zie 2.11 onder de feiten]). Gelet daarop moest er bij de inspecteur in ieder geval twijfel bestaan over de juistheid van de liquidatie-uitkering. Verder constateerde de inspecteur op 11 april 2019 dat de aangifte Vpb 2017 van [Groep] B.V. al op 7 maart 2019, ondanks lopende overleggen, was ingediend zonder vinkje bij ‘Expliciete uitspraak belastingdienst gevraagd’ en dat de betreffende aanslag al met dagtekening 6 april 2019 was opgelegd. De inspecteur vond dit een vreemde gang van zaken (zie 4.10 [hof: zie 2.10 onder de feiten]). Gelet op de hiervoor geschetste gerezen twijfels over de juistheid van de liquidatie-uitkering en over de werkwijze van de gemachtigde van belanghebbende had het op de weg van de inspecteur gelegen om, ondanks Horizontaal Toezicht, de aanslagregeling van belanghebbende te blokkeren. Nu hij dit niet heeft gedaan heeft hij een ambtelijk verzuim begaan dat navordering op grond van aanwezigheid van een nieuw feit verhindert..”

4.2.

Het hof acht deze oordelen juist en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. De inspecteur was op de hoogte van de omvang van de koopsom voor het 49%-aandelenpakket en dat de betaalde prijs aanzienlijk hoger was dan het zichtbare eigen vermogen van belanghebbende. In de brief van 31 januari 2019 wordt door de toenmalige gemachtigde aangegeven dat de omzetcijfers zijn vermenigvuldigd met een factor ter vertegenwoordiging van de goodwill. Dat de in die brief becijferde omrekenfactor anders is verwoord dan uiteindelijk is komen vast te staan, doet aan een en ander niet af. De aanwezigheid van goodwill was de inspecteur bekend.

4.3.

De vraag is of het enkele feit dat de aangifte is ingediend onder het horizontaal toezicht tot een andere uitkomst leidt. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend in het kader van de vraag of er sprake is van een nieuw feit. Het gaat immers om de vraag of de inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag over informatie beschikte op grond waarvan later alsnog een navorderingsaanslag wordt opgelegd. Zoals reeds aangegeven beschikte de inspecteur over die informatie ten tijde van het opleggen van de aanslag en betreft het geen informatie die pas later bekend is geworden.

Het had op de weg gelegen van de inspecteur om zorg te dragen voor een blokkade in het systeem gelet op de stand van de discussie tussen partijen, zeker gelet op de ervaring ten aanzien van de aangifte 2017 van [Groep] B.V. Het niet opnemen van die blokkade kan worden aangemerkt als een fout in de zin van artikel 16, lid 2, letter c, AWR, maar heeft in deze zaak geen gevolgen omdat de navorderingsaanslag niet is opgelegd binnen de termijn als bedoeld in artikel 16, lid 3, slotzin, AWR.

Het hof heeft zich nog de vraag gesteld of een belastingplichtige die onder horizontaal toezicht valt, een beroep mag doen op het ontbreken van een nieuw feit. In de Leidraad Horizontaal Toezicht Fiscaal dienstverleners, staat in onderdeel 10.1 dat alle geconstateerde fouten moeten worden hersteld. Maar tevens staat vermeld dat bij het herstellen van fouten wordt gehandeld conform gebruikelijke uitgangspunten. Wat hier exact mee wordt bedoeld is niet helder. Het hof is van oordeel dat indien het de bedoeling is om bij toepassing van horizontaal toezicht bepaalde wettelijke bepalingen buiten toepassing te laten, dat het dan voor de hand had gelegen om dit expliciet te regelen. Dat is hier ten aanzien van de navorderingsbevoegdheid niet gebeurd. Voor zover de inspecteur heeft beoogd te stellen dat onder het horizontaal toezicht navordering na vaststelling van een fout altijd kan plaatsvinden, verwerpt het hof dit standpunt.

Dat wat de inspecteur overigens in hoger beroep nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit oordeel betekent dat het incidentele hoger beroep van de inspecteur faalt.

II. Is er sprake van kwader trouw?

4.3.

Vervolgens moet worden beoordeeld of belanghebbende of haar gemachtigde te kwader trouw was, als gevolg waarvan – ondanks het ontbreken van een nieuw feit – toch nagevorderd kan worden. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld:

“5.4. Bij een ambtelijk verzuim kan de inspecteur toch navorderen als belanghebbende te kwader trouw is. Van kwade trouw als navorderingsgrond is sprake indien1 belanghebbende de inspecteur de juiste inlichtingen heeft onthouden of onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, sprake is van (voorwaardelijk) opzet, een causaal verband bestaat tussen het onthouden van inlichtingen of verstrekken van onjuiste inlichtingen en de te weinig geheven belasting en belanghebbende – ten tijde van het doen van de aangifte wist dat – indien de aangifte zou worden gevolgd, de aanslag tot een te laag bedrag zou worden opgelegd.2

5.5.

De inspecteur heeft gesteld dat de voormalige adviseur een voorvechter was van Horizontaal Toezicht en goed op de hoogte was van de wijze van afdoening van aangiften die onder Horizontaal Toezicht worden opgelegd. Hij wist dan ook dat als het vakje ‘Expliciete uitspraak belastingdienst gevraagd’ niet wordt aangevinkt en de inspecteur niet op de hoogte wordt gesteld dat de aangifte is ingediend, de aangifte geautomatiseerd en versneld af wordt gedaan zonder de tussenkomst van de inspecteur.

Ter zitting heeft de inspecteur toegelicht dat, indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van belanghebbende dat de voormalige adviseur inderdaad niet wist dat de aangifte van belanghebbende is ingediend, hij wel verantwoordelijk was voor de wijze waarop op zijn kantoor de aangiften werden ingediend. De voormalige adviseur wist dat na het indienen van de aangifte zonder het aanvinken van het vakje ‘Expliciete uitspraak belastingdienst gevraagd’, de aanslag versneld geautomatiseerd zou worden opgelegd. De voormalige adviseur heeft geen maatregelen getroffen om te zorgen dat de juiste aangifte zou worden ingediend en heeft daarmee, naar de mening van de inspecteur, de aanmerkelijke kans aanvaard op het doen van een onjuiste aangifte zodat sprake is van (voorwaardelijk) opzet voor kwade trouw.

5.6.

Belanghebbende heeft betwist dat sprake was van kwade trouw. Volgens haar is de aangifte ingediend door een kantoorgenoot van de voormalige adviseur en was bij hem ook niet bekend dat de aangifte zonder afrekening over de goodwill onjuist was.

5.7.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de gang van zaken voorafgaand aan het indienen van de aangifte van belanghebbende is af te leiden dat de inspecteur mogelijk de mening van belanghebbende – dat geen goodwill aanwezig was – niet zou delen (zie 4.8 [hof: zie 2.9 onder de feiten]). Verder blijkt uit de stukken, onder meer de e-mail van 26 april 2019 (zie 4.11 [hof: zie 2.11 onder de feiten]) dat het kantoor van de voormalige adviseur bezig was met de voorbereidingen van de aangifte van (onder meer) belanghebbende. De rechtbank acht het aannemelijk dat de voormalige adviseur op de hoogte was van de versnelde en geautomatiseerde afdoening van aangiften onder Horizontaal Toezicht, gelet op zijn expertise op het gebied van horizontaal toezicht en de omstandigheid dat dit ook staat vermeld in de Leidraad. Bovendien was dit reeds gebeurd bij de aangifte van [Groep] B.V.

5.8.

Nu de inspecteur niet op de hoogte is gesteld van het voornemen om de aangifte in te dienen zonder daarbij rekening te houden met de goodwill en daarnaast het vakje ‘Expliciete uitspraak belastingdienst gevraagd’ niet is aangevinkt en ook niet is aangegeven dat de activiteiten in het onderhavige jaar zijn gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat de aanmerkelijke kans is aanvaard dat de aanslag te laag zou worden opgelegd. De rechtbank acht het ook aannemelijk dat de gemachtigde zich hiervan bewust was. De omstandigheid dat de aangifte mogelijk door een kantoorgenoot is ingediend, maakt dit niet anders nu gelet op de vele correspondentie tussen het kantoor van de voormalige adviseur en de inspecteur dit dossier kennelijk de nodige aandacht bij het kantoor van de voormalige adviseur genoot. Bovendien ontslaat dit de voormalige adviseur niet van zijn verantwoordelijkheid om in overeenstemming met het Convenant en daarmee de Leidraad te handelen en voorzorgsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat de aangifte werd ingediend zonder het vakje ‘Expliciete uitspraak belastingdienst gevraagd’ aan te vinken. Alles in samenhang bezien is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet door opzettelijk de juiste informatie aan de inspecteur te onthouden met als gevolg dat de aanslag tot een te laag bedrag is opgelegd.

5.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat bij de voormalige gemachtigde sprake is van kwade trouw. Die kan ook worden toegerekend aan belanghebbende.3 Dit brengt mee dat sprake is van een navorderingsgrond als bedoeld in artikel 16, eerste lid van de AWR.

Voetnoot 1: Conclusie A-G Koopman van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:466.

Voetnoot 2: Vgl. HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3830, r.o. 4.2.1.

Voetnoot 3: Zie HR 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566, r.o. 3.4.”

4.4.

Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt dat tot de zijne. Het gaat in casu om een situatie dat de heer [voormalig adviseur] van [voormalig advieskantoor] namens de [Groep] -groep overleg voert over het al dan niet in aanmerking nemen van een liquidatieverlies en daaraan gekoppeld het al dan niet verantwoorden van winst over goodwill. Het hof acht aannemelijk dat deze gemachtigde op de hoogte is van alle aspecten van het horizontaal toezicht en dus ook van het feit dat aangiften die onder horizontaal toezicht worden ingediend, zo snel als mogelijk geautomatiseerd worden afgedaan. Het had op de weg van deze gemachtigde gelegen om – gelet op de lopende discussie met de inspecteur – ervoor zorg te dragen dat de inspecteur op de hoogte zou zijn van het indienen van aangiften met daarin het standpunt van belanghebbende verwerkt en niet het mogelijke standpunt van de inspecteur. Dit geldt temeer, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, vanwege het feit dat de aangifte Vpb 2017 van [Groep] B.V. ondanks lopende overleggen was ingediend zonder ‘vinkje’ en de gemachtigde ervan op de hoogte was dat die aangifte geautomatiseerd was opgevolgd door een aanslag met dagtekening 9 april 2019. Het hof acht voorts aannemelijk dat de heer [voormalig adviseur] op de hoogte was van het indienen van de aangifte van belanghebbende op 13 mei 2019, gelet op het feit dat deze door hem – weliswaar digitaal – is ondertekend en de lopende discussies over de diverse vennootschappen van de [Groep] -groep (zie bijvoorbeeld de e-mail van [voormalig advieskantoor] van 16 mei 2019 aan de inspecteur en cc aan de heer [voormalig adviseur] , productie 7 bij beroepschrift). Door zonder de inspecteur op de hoogte te stellen van de wijze van indienen van de aangifte, heeft hij essentiële informatie aan de inspecteur onthouden en bewust het risico genomen dat de aanslag zonder nadere controle geautomatiseerd zou worden afgedaan en dat aldus te weinig belasting zou worden geheven. De vraag of het vakje ‘Expliciete uitspraak Belastingdienst gevraagd’ wel of niet moest worden aangekruist, acht het hof daarbij niet doorslaggevend. Ook uit andere hoofde had van de heer [voormalig adviseur] verlangd mogen worden dat hij de inspecteur op de hoogte zou stellen van het indienen van de aangifte.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is van kwade trouw van de zijde van de heer [voormalig adviseur] en dat die kwade trouw kan worden toegerekend aan belanghebbende. De inspecteur was daarom bevoegd om een navorderingsaanslag op te leggen.

III. Goodwill in verband met overdracht van activiteiten?

4.5.

In oktober 2017 zijn de activiteiten van belanghebbende overgedragen aan [Groep] B.V. en is belanghebbende geliquideerd. Ter zake van deze overdracht heeft geen vergoeding van goodwill plaatsgevonden. Partijen zijn het erover eens dat ten onrechte geen goodwill in aanmerking is genomen, maar verschillen van mening over de hoogte van de goodwill.

4.6.

Partijen zijn het voorts eens dat voor de berekening van de goodwill in beginsel uitgegaan kan worden van de binnen de groep gebruikte formule om de ondernemingswaarde te berekenen: eigen vermogen plus 1,1 maal de omzet. Daarbij is het eigen vermogen bepaald op de ‘balanswaarde maar dan hoog gerekend om geen cash uit te geven’. Dit betreft een extracomptabele verhoging van het eigen vermogen omdat door onjuiste doorbelastingen de uitkomst van de formule geen recht deed aan de waarde van de aandelen. Dit is door de heer [oud werknemer] uiteengezet in een e-mail aan de inspecteur van 25 maart 2022 (zie 2.5). Feitelijk komt dit er op neer dat het zichtbare eigen vermogen wordt verdubbeld. Deze formule is gebruikt bij aandelentransacties waarbij aandeelhouders werden uitgekocht.

Bij belanghebbende is geen sprake van een aandelentransactie maar van een overdracht van de ondernemingsactiviteiten (activa-passiva-transactie).

Belanghebbende meent dat op twee punten de door de inspecteur gemaakte berekening niet juist is. In de eerste plaats is de inspecteur uitgegaan van de veronderstelling dat in de verkoopprijzen van de aandelen rekening is gehouden met een belastinglatentie die hij op nominale waarde heeft gesteld. In de tweede plaats is belanghebbende van mening dat in de omzet van belanghebbende omzet van [Groep] B.V. is opgenomen en dat dit moet worden gecorrigeerd.

4.7.

De inspecteur heeft de goodwill vastgesteld op € 684.883. Hij heeft dit bedrag als volgt berekend. Hij heeft de verkoopprijs voor 49% van de aandelen in 2017 omgerekend naar de verkoopprijs voor 100% van de aandelen. Dit resulteert in een bedrag van € 535.714. Op basis van die waarde is – uitgaande van de gegevens van de aangifte ten aanzien van de activa en passiva – de goodwill/stille reserves en de daarover verschuldigde vennootschapsbelasting (gesteld op 25%) bepaald. Dit resulteert in een goodwill van € 684.883.

4.8.

Het hof gaat ervan uit dat de aandelentransactie met betrekking tot de aandelen in de diverse [Groep] -vennootschappen, zakelijke transacties zijn en dat de daarbij gehanteerde formule een zakelijke benadering van de ondernemingswaarde inhoudt. Het hof ziet geen reden om die benadering niet toe te passen op de overdracht van de activiteiten van belanghebbende aan [Groep] B.V. in het kader van de liquidatie van belanghebbende.

4.9.

Belanghebbende heeft gesteld dat een deel van de omzet van belanghebbende bestaat uit activiteiten die [Groep] B.V. heeft verricht, waarvoor belanghebbende een beheersvergoeding heeft betaald van € 406.861 en de omzet daarom met dit bedrag verminderd moet worden. Het hof verwerpt deze stelling. Het hof ziet niet in dat dit bij de andere [Groep] -vennootschappen anders zou zijn. Ook daar worden beheersvergoedingen in rekening gebracht door [Groep] B.V. en wordt in de berekening van de waarde van aandelen geen correctie toegepast op de omzet.

In de tweede plaats heeft belanghebbende gesteld dat de latente Vpb-schuld alleen effect heeft op de prijs van aandelen en niet op de hoogte van de goodwill. Belanghebbende miskent hierbij dat de inspecteur bij zijn berekening van de goodwill in eerste instantie, overeenkomstig de overige transacties bij [Groep] -vennootschappen, de waarde van de aandelen heeft berekend en op basis van die waarde de daarin begrepen goodwill en (latente) Vpb-schuld heeft bepaald. De stelling van belanghebbende dat de factor 1,1 al een bepaling van de goodwill is, slaagt niet. De factor 1,1 wordt gebruikt voor het bepalen van de waarde van de aandelen en speelt zodoende indirect een rol bij de vaststelling van de waarde van de goodwill, maar bepaalt niet zelf de waarde van de goodwill. Uitgaande van de waarde die aan aandelen is toegekend en het ‘eigen vermogen’, kan worden bepaald, zoals de inspecteur heeft gedaan, hoeveel waarde aan de goodwill en de (latente) Vpb-schuld moet worden toegekend. Aangezien geen gronden zijn aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat de heffing van vennootschapsbelasting over de meerwaarde pas in de (verre) toekomst zal plaatsvinden, en bovendien duidelijk was dat de betreffende vennootschappen waarvan de aandelen werden gekocht of verkocht zouden worden geliquideerd, heeft de inspecteur de Vpb-schuld terecht op de nominale waarde gesteld.

Belanghebbende heeft ook nog verdedigd dat in de overnamepraktijk nagenoeg nooit rekening wordt gehouden met een Vpb-latentie, omdat de Vpb-heffing over de goodwill nagenoeg nooit aan de orde komt. Belanghebbende heeft deze stelling, die door de inspecteur gemotiveerd is betwist, op geen enkele wijze onderbouwd. Het hof acht die stelling ook niet aannemelijk. De goodwill representeert immers de overwinst en als die overwinst wordt behaald, wordt daarover belasting geheven. Een zakelijk handelende koper zal daar rekening mee houden.

4.10.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de inspecteur de door hem verdedigde waarde van de goodwill van belanghebbende ten tijde van de overdracht van de aandelen in belanghebbende in 2017 aannemelijk heeft gemaakt.

De vragen IV en V behoeven geen beantwoording.

VI. Belastingrente

4.11.

Belanghebbende stelt dat de belastingrente in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel in rekening is gebracht. Belanghebbende beroept zich daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 20101. Belanghebbende stelt in dit kader dat de inspecteur reeds bij brief van 12 augustus 2019 het voornemen had om tot correctie over te gaan en dat het nog tot 1 juli 2022 heeft geduurd voordat de navorderingsaanslag is opgelegd. Belanghebbende meent daarom dat over de periode 12 augustus 2019 tot en met 1 juli 2022 geen rente in rekening mag worden gebracht. Voorts stelt belanghebbende dat op grond van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 20262 en op grond van artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM, het percentage van 8% te hoog is en dat uitgegaan moet worden van 4%.

4.12.

In voormeld arrest van 1 oktober 2010 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in het geval het uitsluitend aan een vergissing van de Belastingdienst te wijten is dat het bedrag dat is nagevorderd, niet meteen bij de vaststelling van de primitieve aanslag is geheven, het zorgvuldigheidsbeginsel zich ertegen dat aan belanghebbende over het nagevorderde bedrag heffingsrente in rekening wordt gebracht.

Het hof heeft onder 4.1 geoordeeld dat de inspecteur voor het eerst na het opleggen van de aanslag kennis heeft kunnen nemen van de feiten en omstandigheden in het jaar 2017 ten aanzien van belanghebbende. Reeds om die reden is geen sprake van een situatie dat het uitsluitend aan een vergissing van de inspecteur is te wijten dat bij de vaststelling van de aanslag niet over de goodwill belasting is geheven.

4.13.

Het hof is voorts van oordeel dat belanghebbende terecht een beroep doet op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. Dit geldt voor de gehele periode waarover belastingrente wordt berekend. Anders dan de inspecteur ter zitting heeft gesteld, is de beslissing van de Hoge Raad in voormeld arrest niet beperkt tot situaties dat de regelgeving anders dan bij wet in formele zin is vastgelegd. Het door de regelgever – en eerder de wetgever – gemaakte onderscheid in belastingrentepercentages, is door de Hoge Raad ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel geoordeeld. Dit beginsel is evenzeer neergelegd in internationale verdragen (discriminatieverbod). Naar het oordeel van het hof is dan ook in de periode dat het hogere percentage was neergelegd in een wet in formele zin, sprake van discriminatie waarvoor geen rechtvaardiging bestaat.

4.14.

Het vorenstaande betekent dat de inspecteur terecht, maar tot een te hoog bedrag, belastingrente over de gehele periode in rekening heeft gebracht. De belastingrente moet worden verminderd door uit te gaan van een percentage van 4 over de periode van 26 april 2018 tot en met 22 juni 2020. Over de periode 23 juni 2020 tot 1 oktober 2020 bedraagt het percentage 0,01 en vanaf 1 oktober 2020 tot en met 1 augustus 2022 bedraagt het percentage weer 4.

Tussenconclusie

4.15.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond en het incidentele hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.16.

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 365 respectievelijk € 559 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.17.

De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is.3 Die onrechtmatigheid bestaat in dit geval uit het in rekening brengen van een te hoog bedrag aan belastingrente. Het hof veroordeelt daarom de inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.18.

Daarbij wordt uitgegaan van vier samenhangende zaken waarin belanghebbenden geheel of gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld. Dit betreft de onderhavige zaak en de zaken van andere vennootschappen van de [Groep] -groep, te weten de zaken met zaaknummers 24/1185 tot en met 24/1186.

4.19.

Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten)4 x € 666 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 1.998.

4.20.

Het hof zal in deze zaak en in elk van de overige hiervóór genoemde zaken een vergoeding van de kosten van bezwaar toekennen van € 499,50.

Ten aanzien van de proceskosten

4.21.

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.

4.22.

Daarbij wordt uitgegaan van vier samenhangende zaken waarin belanghebbenden geheel of gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld. Dit betreft de onderhavige zaak en de zaken van andere vennootschappen van de [Groep] -groep, te weten de zaken met zaaknummers 24/1185 tot en met 24/1186.

4.23.

Het hof stelt deze tegemoetkoming, voor zowel de procedure bij de rechtbank als de procedure bij het hof, op 2 (punten)5 x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 2.802. Daarnaast bestaat in de onderhavige zaak recht op 1 punt voor de reactie op het incidentele hoger beroep van de inspecteur x € 934 x 1 (factor gewicht van de zaak) = € 934.

4.24.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.25.

Het hof zal in deze zaak en in elk van de overige hiervóór genoemde zaken een proceskostenvergoeding toekennen van € 700,50, in totaal dus € 1.401, en daarnaast in de onderhavige zaak € 934.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep gegrond;

  • verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;

  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de navorderingsaanslag;

  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar, met uitzondering van de beslissing over de navorderingsaanslag;

  • vermindert de beschikking belastingrente overeenkomstig de berekening onder 4.14;

  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 924 vergoedt;

  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 499,50;

  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 2.335.

De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, M.E. Smorenburg en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier. De uitspraak is door de griffier en M.E. Smorenburg ondertekend aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De raadsheer,

E. Royakkers M.E. Smorenburg

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »