GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/356
Uitspraak van 2 april 2026
in het geding tussen:
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 13 maart 2025, nummer SGR 23/4419.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 6.056 (de naheffingsaanslag).
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van de indiening van het beroep is geen griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 113,37;
en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 113,37.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van de indiening van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 17 februari 2026 een nader stuk ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met nummer BK-25/355. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2. Het bezwaarschrift is op 14 september 2022 ontvangen door de Inspecteur. De Inspecteur heeft op 1 juni 2023 uitspraak gedaan op het bezwaar. De zitting van de Rechtbank was op 27 februari 2025. De Rechtbank heeft op 13 maart 2025 uitspraak gedaan op het beroep tegen de uitspraak op bezwaar. De uitspraak van de Rechtbank is op 18 maart 2025 geplaatst in het webportaal van de Rechtspraak.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Slotsom
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
ISV
10. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 14 september 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 13 maart 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, zes maanden. Eiseres heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500. Verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan met dagtekening 1 juni 2023. De overschrijding is dan voor drie maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor drie maanden aan de beroepsfase.
Proceskosten
11. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[1] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor van 0,25). Verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) dienen ieder de helft van dit bedrag te vergoeden.[2]
12. Eiseres heeft niet vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024[3] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest ook nog niet overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiseres te laten vergoeden.
(…)
[1] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
[2] ECLI:NL:HR:2016:252: r.o. 3.14.2.
[3] HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding van immateriële schade dan de Rechtbank heeft toegekend.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot een hogere vergoeding van immateriële schade voor het geding in eerste aanleg en tot een veroordeling van de Staat in de proceskosten in hoger beroep.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Vergoeding van immateriële schade
Belanghebbende stelt dat recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 13 maart 2025, maar de Rechtbank heeft haar uitspraak pas bekendgemaakt op 18 maart 2025. Daarom moet een extra half jaar in aanmerking worden genomen, aldus belanghebbende.
In zijn overzichtsarrest in het kader van immateriëleschadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in aanmerking te nemen termijn als regel begint te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt. De in aanmerking te nemen termijn eindigt derhalve niet op het moment dat de rechtbank haar uitspraak bekendmaakt via verzending per post of plaatsing in het webportaal van de Rechtspraak. Dit zou ook een onwerkbare situatie opleveren, omdat de rechtbank bij het doen van uitspraak niet weet op welk moment de uitspraak wordt bekendgemaakt. Op grond van artikel 8:79, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de griffier van de rechtbank immers twee weken de tijd kosteloos een afschrift van (het proces-verbaal van) de (mondelinge) uitspraak ter beschikking van partijen te stellen.
De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 27 februari 2025 gesloten en meegedeeld dat over twee weken, derhalve op 13 maart 2025, uitspraak zal worden gedaan. Het stond (de gemachtigde van) belanghebbende vrij om op 13 maart 2025 telefonisch bij de Rechtbank te informeren naar de beslissing dan wel bij de in het openbaar gedane uitspraak aanwezig te zijn. Met de uitspraak is het geschil en daarmee de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie ten einde gekomen.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 2 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.