ECLI:NL:GHARL:2026:6509

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
25/1397
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

VPB. Overschrijding aanslagtermijn? Verleend uitstel.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 25/1397

uitspraakdatum: 6 oktober 2026

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 19 juni 2025, nummer ARN 24/343, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almelo (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) voor het jaar 2018 opgelegd (hierna: de aanslag). Bij beschikking is gelijktijdig belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 1.000.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende, bijgestaan door [naam2] , alsmede [naam3] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam4] en [naam5] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Op 1 maart 2019 heeft de Inspecteur belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2018 (hierna: de aangifte).

2.2.

Op 27 maart 2019 heeft [accountantskantoor] (hierna: [de accountant] ) met gebruikmaking van de zogenaamde beconregeling verzocht om uitstel voor het doen van de aangifte.

2.3.

De Inspecteur heeft bij brief van 11 april 2019, geadresseerd aan [de accountant] , belanghebbende tot 1 november 2019 uitstel verleend voor het doen van de aangifte.

2.4.

Belanghebbende heeft [de accountant] opdracht gegeven de jaarrekeningen 2016 tot en met 2019 samen te stellen. Hiervoor heeft zij jaarlijks inhoudelijk identieke opdrachtbevestigingen ondertekend. De opdrachtbevestiging voor 2018 heeft belanghebbende ondertekend op 11 oktober 2019. In deze opdrachtbevestiging staat onder meer het volgende:

“U heeft ons opdracht gegeven de jaarrekening 2018 van [belanghebbende] B.V.

en [bedrijf1] B.V. samen te stellen. Deze brief is bedoeld om de voorwaarden van de aan ons verstrekte opdracht vast te leggen, alsmede de aard en beperkingen van onze werkzaamheden.

Opdracht

Op basis van de door u te verstrekken gegevens zullen wij voor van [belanghebbende] B.V. en [bedrijf1] B.V. over 2018 de volgende diensten uitvoeren:

Samenstellingswerkzaamheden

- Het samenstellen van de jaarrekeningen conform de wettelijke regels;

- Het opstellen van de publicatiestukken ten behoeve van de Kamer van Koophandel;

- Het opstellen van de concept-notulen voor de Algemene vergadering van Aandeelhouders.

Fiscale werkzaamheden

- Het opstellen van de aangifte vennootschapsbelasting van [belanghebbende] B.V. (fiscale eenheid met [bedrijf1] B.V.);

- Het opstellen van de aangifte inkomstenbelasting van [naam6] en fiscaal -partner;

- Controleren voorlopige en definitieve aanslagen;

- Opname in uitstelregeling.”

2.5.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brieven van respectievelijk 22 november 2019 en 8 januari 2020 herinnerd en aangemaand tot het doen van de aangifte.

2.6.

[de accountant] heeft namens belanghebbende op 21 januari 2020 de aangifte ingediend naar een belastbaar bedrag van € 27.572 negatief. In deze aangifte is onder het kopje ‘Overige buitengewone lasten’ een bedrag van in totaal € 205.717 ten laste van de winst gebracht.

2.7.

In de jaarrekening over 2018 van belanghebbende is in de winst- en verliesrekening in totaal een bedrag aan rentelasten en soortgelijke kosten van € 232.442 ten laste van de winst gebracht. In de toelichting op de winst- en verliesrekening staat dat dat bedrag onder meer bestaat uit een “Betaalde borgstelling inzake [bedrijf3] B.V.” van € 25.565 en een “Voorziening leningen [bedrijf4] B.V.” van € 180.152. Deze twee bedragen vormen tezamen het in de aangifte onder het kopje ‘Overige buitengewone lasten’ opgenomen bedrag van € 205.717 (zie 2.6.).

2.8.

De Inspecteur heeft met dagtekening 21 mei 2022 de aanslag vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 861.915 en gelijktijdig € 33.659 belastingrente in rekening gebracht.

2.9.

Bij uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2023 heeft de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en het belastbaar bedrag verminderd tot € 178.145 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd tot € 5.836. De correctie van de buitengewone last van € 180.152 heeft de Inspecteur gehandhaafd. In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur hierover het volgende geschreven:

“Afwaardering leningen aan [bedrijf4] B.V., feiten

[belanghebbende] B.V. heeft in 2014 gelden verstrekt aan [bedrijf4] B.V. In de aangifte vennootschapsbelasting 2018 zijn de vorderingen afgewaardeerd naar € 0. De totale last die hiermee verband houdt is € 180.152. Tijdens de aanslagregeling 2018 is overleg gevoerd over de afwaardering. De afspraak is gemaakt dat de afwaarderingslast niet ten laste van de fiscale winst kan worden gebracht. In de e-mail van 17 juni 2022 staat hierover onder andere het volgende onder 'punt 2':

'Wij hebben overeenstemming bereikt over de afwikkeling van de geldverstrekkingen in 2014 van [belanghebbende] B.V. aan [bedrijf4] B.V. In 2018 wordt de afwaardering van de nog openstaande vordering van € 181.151 fiscaal niet geaccepteerd en dus gecorrigeerd op de fiscale winst. [bedrijf4] B.V. lost de openstaande vordering ad. € 181 .151 in het jaar 2022 geheel af.' Het bedrag van € 181.151 is een typfout van de inspecteur. Het bedrag van € 180.152 is juist.

Na het vaststellen van de definitieve aanslag vennootschapsbelasting is er gecorrespondeerd tussen de inspecteur en [belanghebbende] B.V. over enkele correctieboekingen die invloed hebben op de hoogte van de nominale vordering van [belanghebbende] B.V. op [bedrijf4] B.V. De correctieboekingen die zijn overeengekomen op 14 april 2023 leiden er onder andere toe dat de vordering van [belanghebbende] B.V. op [bedrijf4] B.V. afneemt met € 135.364,76. In uw e-mail van 25 april 2023 geeft u aan dat in 2021, middels een verrekening, nog een bedrag van € 42.350 is afgelost.

Beoordeling

U stelt dat de overeengekomen correctie van de afwaarderingslast moet worden verminderd met € 177.715 omdat dit het bedrag is dat reeds (door correctieboekingen en verrekening) door [bedrijf4] B.V. is afgelost op de vordering van € 180.152. Het feit dat een vordering wordt afgelost/verrekend heeft geen invloed op de hoogte van de belastbare winst. De aflossingen/verrekeningen hebben alleen invloed op de nominale waarde van de vordering.”

Verder heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 296.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslag en de beschikking belastingrente moeten worden vernietigd, omdat de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2018 buiten de wettelijke termijn is vastgesteld. Indien het Hof van oordeel is dat de aanslag tijdig is vastgesteld, is in geschil of de Inspecteur terecht de aangegeven belastbare winst heeft verhoogd met een bedrag van € 180.152.

4 Beoordeling van het geschil

Is de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2018 tijdig opgelegd?

4.1.

De bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. In het geval van belanghebbende is de belastingschuld over 2018 ontstaan op 31 december 2018. De Inspecteur had daarom tot en met 31 december 2021 de tijd om de aanslag vast te stellen. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd (artikel 11, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)).

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [de accountant] namens belanghebbende om uitstel voor het doen van aangifte heeft verzocht en dat de Inspecteur vervolgens duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij vijf maanden uitstel heeft verleend. Belanghebbende stelt zich echter op het standpunt dat dit uitstel niet tot verlenging van de aanslagtermijn kan leiden, omdat het uitstel door [de accountant] onrechtmatig is aangevraagd. Belanghebbende voert daartoe aan dat de opdrachtbevestiging voor de aangifte pas op 11 oktober 2019 namens haar is ondertekend en [de accountant] dus op het moment dat het uitstel is aangevraagd, 27 maart 2019, daartoe niet gemachtigd was. Dit betekent dat ten onrechte uitstel is verleend voor het doen van de aangifte.

4.3.

In de in 2.4. genoemde opdrachtbevestiging staat de opname in de uitstelregeling expliciet vermeld onder de door [de accountant] te verrichten fiscale werkzaamheden. Gelet hierop moet naar het oordeel van het Hof worden aangenomen dat belanghebbende met deze opdrachtbevestiging de eerdere aanvraag voor het uitstel voor het doen van aangifte heeft beoogd te bekrachtigen. Te meer nu belanghebbende is herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte, maar zij de Inspecteur niet heeft geïnformeerd dat dat uitstel niet rechtsgeldig was aangevraagd. Belanghebbende heeft pas in bezwaar, dus nadat de aanslag was opgelegd, voor het eerst gesteld dat het uitstel niet rechtsgeldig was aangevraagd. Uitgaande van deze bekrachtiging moet worden geoordeeld dat [de accountant] op 17 maart 2019 krachtens een volmacht, namens belanghebbende uitstel voor het doen van de aangifte heeft aangevraagd.1

4.4.

Nu het Hof van oordeel is dat op rechtmatige wijze namens belanghebbende uitstel is aangevraagd en niet in geschil is dat dit uitstel ook voor belanghebbende duidelijk kenbaar voor vijf maanden is verleend, moet de aanslagtermijn van drie jaar met vijf maanden worden verlengd tot en met 31 mei 2022. Dit betekent dat de aanslag met dagtekening 21 mei 2022 tijdig is opgelegd.

Buitengewone last van € 180.152

4.5.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat belanghebbende de afwaardering van € 180.152 in de aangifte heeft verwerkt als een ten laste van de fiscale winst komende buitengewone last. Verder is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende met de Inspecteur de afspraak heeft gemaakt dat de afwaardering van € 180.152 in 2018 niet ten laste van de fiscale winst kan worden gebracht. Belanghebbende stelt echter dat in afwijking van die afspraak de afwaardering toch ten laste van de fiscale winst moet komen, omdat belanghebbende bij het maken van die afspraak uit is gegaan van onjuiste veronderstellingen. Naar het Hof begrijpt, doet belanghebbende een beroep op dwaling.

4.6.

De Inspecteur heeft gemotiveerd weersproken dat belanghebbende ten tijde van het maken van die afspraak uit is gegaan van onjuiste veronderstellingen omtrent de feiten. Tegenover die gemotiveerde betwisting heeft belanghebbende geen nadere onderbouwing gegeven voor haar stelling dat zij heeft gedwaald. Belanghebbende heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dwaling. Dit betekent dat overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraak de Inspecteur terecht de aangifte op het punt van de afwaardering heeft gecorrigeerd.

Belastingrente

4.7.

De Inspecteur heeft in hoger beroep gesteld dat, in het geval het Hof van oordeel is dat de aanslag in stand blijft, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, de in rekening gebrachte belastingrente moet worden verminderd naar € 5.115. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat in dat geval geen aanleiding bestaat voor een verdere vermindering van de belastingrente dan de vermindering die de Inspecteur voorstaat. Nu het Hof de aanslag in stand laat, zal het Hof dienovereenkomstig beslissen.

Proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase

4.8.

Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende voor de bezwaarfase recht heeft op een vergoeding van € 666 in plaats van € 296. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van respectievelijk € 365 en € 579 te vergoeden. Ook heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding. Het Hof stelt die vergoeding voor de bezwaarfase vast op € 666 (zie 4.8.). Voor de hogerberoepsfase is niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de reiskosten. Het Hof stelt deze reiskosten op basis van een retour openbaar vervoer tweede klasse tussen Bad Bentheim en Arnhem Centraal vast op € 47,98. De totale proceskostenvergoeding bedraagt daarom € 713,98.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn;

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2018 ongegrond;

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep voor het overige gegrond;

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover deze betrekking heeft op de beschikking belastingrente en de kostenvergoeding voor de behandeling van het bezwaar;

– vermindert de beschikking belastingrente tot een bedrag van € 5.115;

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 713,98;

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 365 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 579 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. T.W.J. van Loon als griffier.

De beslissing is op 6 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(T.W.J. van Loon) (R.R. van der Heide)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »