GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Utrecht
nummer BK-ARN 25/2613
uitspraakdatum: 29 september 2026
Uitspraak van de zesde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 oktober 2025, nummer UTR 24/2121, ECLI:NL:RBMNE:2025:6490, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht , (hierna: de Heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De Heffingsambtenaar heeft op 2 augustus 2023 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.
De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift in eerste aanleg de naheffingsaanslag vernietigd en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft bij nader stuk met dagtekening 13 april 2026, gereageerd op het verweerschrift.
Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2 Vaststaande feiten
Op 22 juli 2023 om 17:00 uur is geconstateerd dat de auto van belanghebbende met kenteken [kentekennummer1] (de auto) stond geparkeerd op de locatie [adres] te [plaatsnaam] . Deze locatie is gelegen in de [wijk] en is door burgemeester en wethouders van de gemeente [plaatsnaam] aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd. Tijdens een controle op het genoemde tijdstip is door de parkeercontroleur geconstateerd dat de auto zonder geldige parkeervergunning stond geparkeerd en dat ook geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding daarvan heeft de heffingsambtenaar belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft op 18 december 2023 een hoorgesprek plaatsgevonden. In de uitspraak op bezwaar staat daarover het volgende:
“Horen
U bent op 18 december 2023 om 14:00 uur gehoord. Hierin heeft u aangegeven dat belanghebbende betaald heeft, echter heeft belanghebbende per abuis een verkeerd kenteken gebruikt. Tevens kan de belanghebbende zich niet verenigen met de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag.”
Belanghebbende heeft bij zijn beroepschrift in eerste aanleg een schermprint van een betaalbewijs uit ‘EasyPark mobiel parkeren’ ingediend. Op de schermprint staat onder meer het volgende:
“EasyPark mobiel parkeren
[naam1]
(…)
DATUM OMSCHRIJVING DUUR
Mobiel parkeren [parkeernummer] - [plaatsnaam] -Omgeving 01:08:25
[wijk] – [kentekennummer2]
(…)”
De Heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift in beroep in eerste aanleg de naheffingsaanslag vernietigd. In het verweerschrift staat daarover onder meer het volgende:
“Uit bovenstaand overzicht blijkt dat betaald is in [plaatsnaam] in de [wijk] tussen 16.40 en 17.49 uur en dat daarvoor het kenteken [kentekennummer2] is opgegeven. Aangezien de naheffingsaanslag is opgelegd om 17.00 uur en er geparkeerd is in de [adres] ( [wijk] ) ga ik ervan uit dat belanghebbende abusievelijk het verkeerde kenteken heeft ingevoerd. Om die reden vernietig ik de onderhavige naheffingsaanslag.”
3 Geschil
In geschil is of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Voorts verzoekt belanghebbende om een vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, tot vergoeding van de griffierechten, alsmede tot vergoeding van de wettelijke rente over die bedragen.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4 Beoordeling van het geschil
Belanghebbende stelt dat hij tegen de naheffingsaanslag bezwaar heeft gemaakt en tijdens het hoorgesprek gemotiveerd heeft aangevoerd dat voor het parkeren parkeerbelasting was voldaan, zij het onder vermelding van een onjuist kenteken. In de uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar vervolgens ongegrond verklaard met de motivering dat de betaling niet meer kon worden gecontroleerd, omdat de transactie in het gebruikte systeem slechts drie maanden beschikbaar zou zijn. Aangezien de Heffingsambtenaar heeft nagelaten belanghebbende in de bezwaarfase in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren, noopte de uitspraak op bezwaar belanghebbende beroep in te stellen. Het in de beroepsfase verstrekte betaalbewijs was voor de Heffingsambtenaar vervolgens aanleiding alsnog de naheffingsaanslag te vernietigen. Ten onrechte heeft de Rechtbank daarover geoordeeld dat er weliswaar geen parkeerbelasting was voldaan voor het geparkeerde voertuig, maar de Heffingsambtenaar uit coulance toch de naheffingsaanslag heeft vernietigd. Met de onjuiste rechtsopvatting dat geen parkeerbelasting was voldaan als uitgangspunt heeft de Rechtbank vervolgens geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:316 stelt belanghebbende echter dat de verschuldigde parkeerbelasting ook bij invoering van een onjuist kenteken wel degelijk is voldaan en toepassing van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) meebrengt dat naheffing niet mogelijk is. Van vernietiging van de naheffingsaanslag uit coulance kan dus geen sprake zijn en de Rechtbank had daarom een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase moeten toekennen, aangezien het handelen van de Heffingsambtenaar het noodzakelijk maakte beroep in te stellen, aldus nog steeds belanghebbende. Voorts betoogt belanghebbende dat hij door de vernietiging van de naheffingsaanslag geen belang meer had bij zijn beroep, waardoor de Rechtbank zijn beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende geen recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Hij stelt in hoger beroep dat hij de naheffingsaanslag in beroep louter uit coulance heeft vernietigd. Anders dan in het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad staat namelijk niet vast dat belanghebbende een onjuist kenteken heeft ingevoerd, hij heeft dat slechts uit coulance aangenomen.
Volgens het hiervoor genoemde arrest brengt de toepassing van artikel 20 AWR mee dat naheffing niet mogelijk is als de voor het parkeren verschuldigde belasting is betaald. Het invullen van een onjuist kenteken doet daaraan niet af. De Heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag daarom terecht vernietigd, nu hij na de indiening van het betaalbewijs ook zelf tot de conclusie is gekomen dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan, maar daarbij abusievelijk het onjuiste kenteken heeft aangemeld. De stelling van de Heffingsambtenaar dat hij de naheffingsaanslag louter uit coulance heeft vernietigd, rijmt naar oordeel van het Hof niet met de in zijn verweerschrift in beroep gegeven motivering bij de vernietiging van de naheffingsaanslag (zie 2.4). Daarin vermeldt de Heffingsambtenaar immers dat hij ervan uitgaat dat belanghebbende abusievelijk het verkeerde kenteken heeft ingevoerd. Hoewel de Heffingsambtenaar moet worden toegegeven dat belanghebbende in beginsel op eigen initiatief zijn stellingen dient te onderbouwen, had het in dit geval op zijn weg gelegen om, alvorens uitspraak op bezwaar te doen, belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn stelling dat hij de parkeerbelasting weliswaar heeft voldaan, maar dat hij abusievelijk een onjuist kenteken heeft aangemeld, met bewijs te onderbouwen, bijvoorbeeld door belanghebbende om een betaalbewijs te verzoeken. Dat klemt te meer nu de Heffingsambtenaar zelf niet meer in staat bleek een en ander te verifiëren, zoals in de uitspraak op bezwaar is opgemerkt. Door dat na te laten noopte dat belanghebbende beroep in te stellen. Het Hof is daarom van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.
Aangezien het bestuursorgaan in beroep geheel aan belanghebbende is tegemoet gekomen en er geen procesbelang meer resteerde, had de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het Hof zal dat alsnog doen.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5 Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Het Hof ziet aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 0,5 (parkeerbelastingzaak) € 934) en € 467 voor de kosten in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift) wegingsfactor 0,5 (geschil louter proceskosten) € 934), ofwel in totaal op € 1.401.
6 Beslissing
Het Hof:
-
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
-
verklaart het beroep niet-ontvankelijk,
-
veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.401,
-
gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 51 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 143 in verband met het hoger beroep bij het Hof,
-
bepaalt dat, voor zover de in hoger beroep toegekende (proces)kostenvergoeding en/of de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, mr. L.D.M.A. Reijs en mr. M.B. Weijers, in tegenwoordigheid van mr. T. van Hout als griffier.
De beslissing is op 29 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
T. van Hout T.A. de Hek
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.