GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.367.771/01
(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 202127 en 202124)
beschikking van 1 oktober 2026
in de zaak van
mr. M.R. Rauwerda (de bijzondere curator),
gevestigd in Leeuwarden,
in hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarigen [de minderjarige1] , geboren [in] 2010 en [de minderjarige2] , geboren [in] 2012.
Als overige belanghebbenden worden aangemerkt:
1 1. [belanghebbende1] (de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
2 [belanghebbende2] (de moeder),
die woont in [woonplaats2] .
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.
1 De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 januari 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 16 april 2026;
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een brief van 24 augustus 2026 namens de moeder met bijlage(n).
De minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld hun verzoeken toe te lichten, maar zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt
De mondelinge behandeling heeft op 3 september 2026 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig: de bijzondere curator, de advocaat van de moeder, de vader met zijn advocaat en een medewerker van de raad.
3 De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en zij oefenen samen het
ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uit.
De vader en de moeder zijn [in] 2019 gescheiden.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de moeder. In 2018 hebben zij hun vader voor het laatst gezien
Bij beschikking van de rechtbank van 1 februari 2024 is bepaald dat de moeder de
vader eens per drie maanden schriftelijk via zijn e-mailadres op de hoogte dient te stellen
omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] , in die zin dat de moeder ten minste met betrekking tot de gezondheid en
schoolvorderingen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] informatie zal verstrekken.
De rechtbank heeft op 7 oktober 2025 brieven van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ontvangen. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben de kinderrechter gevraagd te bepalen dat de vader geen informatie meer over hen krijgt van de moeder.
De rechtbank heeft de aanvraag van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] behandeld als een aanvraag die
is gedaan op grond van de informele rechtsingang en deze bij de beschikking van 19 januari 2026 afgewezen.
Die beslissing is aan [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uitgelegd in een brief, waarvan de inhoud in de beschikking van 19 januari 2026 is opgenomen.
Het hof heeft op 19 maart 2026 brieven van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ontvangen waarin zij aangeven dat zij in hoger beroep willen gaan. Zij willen niet dat hun moeder dit voor hen doet. Bij beschikking van 25 maart 2026 heeft het hof daarop een bijzondere curator benoemd om hun belangen te behartigen en eventueel hoger beroep namens de minderjarigen in te stellen.
4 De omvang van het geschil
De bijzondere curator is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De bijzondere curator verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de moeder niet langer gehouden is tot het verstrekken van informatie aan de vader omtrent de minderjarigen.
De vader voert verweer en hij verzoekt het hof de bijzondere curator in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De motivering van de beslissing
Wat staat in de wet? 5.1. Het hof neemt op grond van artikel 1:253a lid 1 BW, in samenhang met artikel 1:253a lid 4, een zodanige beslissing over de informatieverplichting van de vader aan de moeder als het hof in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] wenselijk voorkomt.
Het hof moet bij deze beslissing alle omstandigheden van het geval in acht nemen. De belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan daarbij voorop, maar het kan ook zijn dat andere belangen toch nog zwaarder wegen dan de belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
De beslissing van het hof
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de vader het recht heeft om periodiek geïnformeerd te worden over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en hun ontwikkeling. De informatieplicht die de rechtbank op 1 februari 2024 aan de moeder heeft opgelegd, laat het hof dan ook in stand. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
De bijzondere curator heeft namens [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar voren gebracht dat zij veel last hebben van pestgedrag door derden en dat zij door derden worden lastiggevallen. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verbinden dit pesten aan de informatie die de vader over hen ontvangt. Het hof begrijpt dat dit pestgedrag voor hen belastend is. In de procedure zijn de informatiemails van de laatste tijden overgelegd. Uit wat er verder in de stukken naar voren komt en tijdens de zitting is besproken, ziet het hof geen verband tussen het pestgedrag en de informatie die in de mails wordt gegeven. Het is begrijpelijk dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zoeken naar manieren om onbelemmerd te kunnen opgroeien maar het stoppen van de informatieverstrekking naar de vader zal hen niet helpen.
Het hof overweegt verder dat de vader als gezaghebbende ouder recht heeft op informatie over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Juist omdat de vader al langere tijd geen contact met hen heeft, is de informatie van de moeder voor hem van belang om op de hoogte te blijven van belangrijke ontwikkelingen in hun leven. De moeder informeert de vader op dit moment één keer per drie maanden met korte berichten die algemeen van aard zijn. Als ook deze beperkte informatieverstrekking vervalt, zal de vader zelf contact moeten opnemen met bijvoorbeeld de scholen en andere betrokken instanties om geïnformeerd te worden over de kinderen. Als de vader dit zelf moet doen zal dit de kinderen wellicht zelfs meer onrust geven.
Het hof zal de informatieregeling dan ook in stand laten. Duidelijk is echter wel dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] veel last hebben van het beeld dat zij hebben van de vader en dat dit hun dagelijks leven beïnvloedt. Onduidelijk is waar dit beeld vandaan komt; het komt in ieder geval niet overeen met de informatie die het hof heeft in het dossier, en zoals aangegeven zal een verandering in de informatieregeling geen oplossing zijn. Het hof wil de moeder meegeven dat het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is dat zij, bij voorkeur met ondersteuning van een professional, worden geholpen om het beeld dat zij hebben van hun vader en de gevolgen daarvan te verwerken en het een passende plek te kunnen geven. Ook kan de moeder zelf hulp zoeken om de kinderen de steun te geven die zij nodig hebben. Het hof heeft [de minderjarige1] en [de minderjarige2] per brief op de hoogte gesteld van deze beslissing. De inhoud van deze brief is aan deze beschikking gehecht.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof het verzoek tot het stoppen van de informatieverstrekking afwijst.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 januari 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. A.P. de Jong-de Goede en mr. M. Kemmers, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 1 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.