GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 25/354 en 25/355
datum: 15 september 2026
Beslissing als bedoeld in artikel 27ga van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van de vijfde meervoudige belastingkamer
in het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst / kantoor Den Haag (hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 18 december 2024, nummers ARN 23/1848 en 23/1850, ECLI:NL:RBGEL:2024:9107, in het geding tussen de Inspecteur en
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2017 en 2018 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) (hierna ook: de aanslagen) opgelegd. Bij beschikking is voor het jaar 2017 belastingrente in rekening gebracht.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar in één geschrift de bezwaren tegen de aanslagen niet-ontvankelijk verklaard, de bezwaren aangemerkt als verzoek om de aanslagen ambtshalve te verminderen en dit verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking afgewezen.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen. Bij separate uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen over de niet-ontvankelijkverklaring ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft de beroepen over de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering gegrond verklaard, de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 verminderd, de beschikking belastingrente voor het jaar 2017 dienovereenkomstig verminderd en de Inspecteur veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht aan belanghebbende.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend, alsmede een nader stuk. De Inspecteur heeft een pleitnota ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Belanghebbende en zijn gemachtigde dr. F.M. Werger zijn verschenen, bijgestaan door [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3]. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze beslissing is gevoegd.
Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. Het Hof heeft aanleiding gezien om het onderzoek ter heropenen, omdat in raadkamer is besloten tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
Partijen zijn op 14 augustus 2026 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van het Hof om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen en over de inhoud van die vragen. De Inspecteur heeft daarop gereageerd bij brief van 9 september 2026 en belanghebbende bij brief van 10 september 2026.
Het Hof heeft vervolgens prejudiciële vragen vastgesteld, die het Hof in deze beslissing aan de Hoge Raad voorlegt.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is in [jaartal] aangesteld als brandweervrijwilliger bij de gemeente [plaatsnaam1] (hierna: de gemeente).
Op 17 september 2005 is belanghebbende in die hoedanigheid tijdens een verplichte oefening van de brandweer ernstig gewond geraakt. Als gevolg hiervan heeft belanghebbende blijvend lichamelijk en psychisch letsel opgelopen. Belanghebbende heeft de gemeente hiervoor aansprakelijk gesteld.
Belanghebbende en de gemeente hebben hierover in 2013 een schikking getroffen. Belanghebbende heeft een eenmalige uitkering van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente ontvangen van € 140.000. Daarnaast heeft belanghebbende gedurende de periode van augustus 2013 tot augustus 2023 maandelijks een uitkering ontvangen van de ongevallenverzekeraar van de gemeente, Achmea Schadeverzekeringen. Voor het jaar 2017 gaat het om een bedrag van € 18.023 en voor het jaar 2018 om een bedrag van € 18.563 (hierna: de uitkeringen).
Op 27 augustus 2018 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2017 gedaan. Hij heeft op 5 november 2018 een gewijzigde aangifte IB/PVV 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.804.
Bij brief van 31 januari 2020 heeft de Inspecteur aan belanghebbende laten weten dat hij van plan is om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2017. Hij heeft in die brief onder meer geschreven dat hij de inkomsten uit vroegere dienstbetrekking zal corrigeren met de uitkering van € 18.023, onder verrekening van ingehouden loonbelasting van € 4.318.
Met dagtekening 25 augustus 2020 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de aanslag IB/PVV 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.827 (= € 31.804 + € 18.023).
Op 10 maart 2020 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2018 gedaan, waarin hij de uitkering voor een bedrag van € 18.563 heeft opgenomen als inkomen uit vroegere dienstbetrekking.
Met dagtekening 21 januari 2021 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.411, waaronder de uitkering van € 18.563.
Bij brief van 15 februari 2022 heeft belanghebbende de Inspecteur onder meer gevraagd om de aanslagen te verminderen, omdat de uitkeringen niet tot zijn belastbare inkomen uit werk en woning behoren.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 maart 20222 (het brandweermanarrest) onder meer overwogen:
“3 Procedure bij het Hof
De Inspecteur is in hoger beroep opgekomen tegen het oordeel van de Rechtbank dat de aan belanghebbende gedane uitkering voor de toepassing van artikel 10 Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) niet tot het loon kan worden gerekend en de inhouding van loonheffing achterwege had moeten blijven. Dit oordeel heeft de Rechtbank gebaseerd op de vaststelling dat de werkgever met het opnemen van de bepaling in de collectieve arbeidsvoorwaarden en het ter uitvoering van die bepaling afsluiten van de ongevallenverzekering, niet de leden van de vrijwillige brandweer heeft willen belonen maar daarmee vooral de aan haar opgedragen publieke taak heeft willen dienen.
Het Hof heeft het hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaard. Daartoe heeft het Hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW9439, overwogen dat belanghebbende het recht op vergoeding van de door hem geleden schade ontleende aan een rechtspositionele regeling zodat de uit dit recht voortvloeiende uitkering tot het loon behoort. Ook bij een publiekrechtelijke dienstbetrekking moeten uit een rechtspositionele regeling voortvloeiende uitkeringen worden aangemerkt als uitkeringen die hun grond vinden in de dienstbetrekking, aldus het Hof.
4 Beoordeling van de middelen
Het eerste middel is gericht tegen het hiervoor weergegeven oordeel van het Hof.
In het door het Hof aangehaalde arrest van 29 juni 1983 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat door een werkgever in verband met diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht - behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst - niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt. Met de woorden “zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst” heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat op de hoofdregel - vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht worden niet als loon aangemerkt - een uitzondering kan worden gemaakt indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit. Wanneer de werkgever niet zo’n hogere vergoeding aan die erkenning verbindt, brengt de vastlegging in de arbeidsovereenkomst materieel geen verandering in de rechten die de werknemer als gevolg van het ongeval heeft. Dan is er ook geen reden om over de belastbaarheid van de vergoeding anders te oordelen dan in het geval van de werknemer ten aanzien van wie in de arbeidsovereenkomst niets is geregeld omtrent een vergoeding als hiervoor bedoeld. Indien bij of krachtens de arbeidsovereenkomst geen hogere vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht zijn voorzien dan bepaald worden door de op de werkgever rustende aansprakelijkheid, doet de uitzondering op de hoofdregel zich daarom niet voor.”
De Minister van Financiën heeft naar aanleiding van het brandweermanarrest niet bepaald dat onherroepelijke aanslagen waarin schadevergoedingen als bedoeld in dat arrest ten onrechte als inkomen zijn aangemerkt, ambtshalve zullen worden verminderd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft op 2 juni 2022 vragen van leden van de Tweede Kamer over het brandweermanarrest beantwoord.3 Hij heeft onder meer het volgende geschreven:
“Vraag 2
Kunt u uitgebreid reageren op de mogelijke gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 25 maart jongstleden?
Antwoord 2
De mogelijke gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 25 maart jongstleden zijn praktische uitvoeringsgevolgen. In het arrest wordt namelijk gesteld dat de uitzondering dat de letselschadevergoeding wel loon vormt, enkel van toepassing is indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit. De Hoge Raad heeft hiermee een nieuw vereiste bepaald waaraan de Belastingdienst voortaan zal toetsen.
Vraag 3
Kunt u beschrijven wat tot op heden het beleid is ten aanzien van letselschadevergoedingen vanwege arbeidsongevallen in relatie tot de loon- en inkomstenbelasting?
Antwoord 3
Er geldt geen specifiek beleid voor letselschadevergoedingen vanwege arbeidsongevallen in relatie tot de loon- en inkomstenbelasting. De Belastingdienst past de wet- en regelgeving toe, inclusief geldende jurisprudentie. Voor wat betreft de jurisprudentie gold tot het arrest van 25 maart jongstleden voor letselschadevergoedingen vanwege arbeidsongevallen in relatie tot de loon- en inkomstenbelasting de lijn van het zogenaamde Smeerkuilarrest4. Uit dit arrest van de Hoge Raad volgt dat een letselschadevergoeding vanwege arbeidsongevallen geen loon vormt, tenzij deze voortkomt uit een bijzondere omstandigheid zoals uit een arbeidsovereenkomst. In een arrest uit 19935 is door de Hoge Raad verduidelijkt dat een letselschadevergoeding die voortkomt uit een rechtspositionele regeling eveneens een dergelijke bijzondere omstandigheid vormt.
Vraag 4
In hoeverre verschilt het beleid als de letselschadevergoeding voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst of een andere rechtspositionele regeling?
Antwoord 4
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, geldt er voor letselschadevergoedingen vanwege arbeidsongevallen in relatie tot de loon- en inkomstenbelasting geen specifiek beleid. De Belastingdienst past de geldende wet- en regelgeving en jurisprudentie toe. In de jurisprudentie is geen onderscheid gemaakt tussen letselschadevergoedingen die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst of een andere rechtspositionele regeling. Beide werden onder een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het Smeerkuilarrest geschaard.
Vraag 5
Ben u het eens met de conclusie in het bericht dat de uitspraak van 25 maart een nadere invulling is van oorspronkelijke arrest uit 1983 en nadrukkelijk geen nieuwe jurisprudentie is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Ik ben van mening dat sprake is van nieuwe jurisprudentie.
De Hoge Raad heeft als toevoeging op de eerder genoemde oudere rechtspraak een nieuw vereiste geformuleerd; de uitzondering van «bijzondere omstandigheden» (wel loon) wordt beperkter dan voorheen uitgelegd. De Hoge Raad maakt naar mijn oordeel dus een omslag ten opzichte van het Smeerkuilarrest uit 1983. Sinds 1983 worden letselschadevergoedingen, zoals volgt uit het antwoord op vraag 3, op grond van het Smeerkuilarrest aangemerkt als belast loon indien de betaling daarvan is vastgelegd in afspraken in bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomst of rechtspositionele regelingen. Dit is gesteund in jurisprudentie van de Hoge Raad6 en recente uitspraken, zoals van de rechtbank Den Haag7.
Op 25 maart 2022 heeft de Hoge Raad echter overwogen dat slechts sprake is van bepaalde afspraken – en dus van een belaste vergoeding – indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit.
Wanneer de werkgever niet zo’n hogere vergoeding aan die erkenning verbindt, brengt de vastlegging in de arbeidsovereenkomst materieel geen verandering in de rechten die de werknemer als gevolg van het ongeval heeft en is geen sprake van belastbaar loon.
Vraag 6
Klopt het dat er verschillende rechtsgevolgen zijn van nieuwe jurisprudentie ten opzichte van een nadere uitleg van een oud arrest in relatie tot het recht op teruggave van belasting?
Antwoord 6
Dat klopt.
Als er sprake is van jurisprudentie die is gewezen nadat de belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan («nieuwe jurisprudentie»), vermindert de belastinginspecteur de belastingaanslag inkomstenbelasting die onherroepelijk vast is komen te staan niet op grond van artikel 45aa, onderdeel b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Voor andere regelingen volgt dit uit paragraaf 23, onderdeel 8, onder b, Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Echter, in het geval sprake zou zijn van een nadere uitleg van een eerder arrest zouden belastingplichtigen bij wie een letselschadevergoeding als belast loon in aanmerking is genomen binnen vijf jaar na afloop van het belastingjaar waarover de aanslag is opgelegd een verzoek tot ambtshalve vermindering van hun aanslag inkomstenbelasting kunnen indienen waaraan tegemoet zou moeten worden gekomen door de belastinginspecteur, mits toepassing van het arrest van 25 maart jongstleden leidt tot de uitkomst dat de belastingaanslag lager diende te worden vastgesteld en aan de overige voorwaarden voor een ambtshalve vermindering is voldaan.
Vraag 7
Kunt u aangeven of het arrest ervoor zorgt dat burgers met een letselschade vergoeding die is uitgekeerd in 2017 of later, vanaf heden succesvol een verzoek kunnen doen om ambtshalve vermindering om daarmee de ingehouden loonbelasting terug te krijgen?
Antwoord 7
Burgers kunnen vanaf heden geen succesvol verzoek doen om ambtshalve vermindering bij de belastinginspecteur door dit arrest. Zoals toegelicht onder het antwoord bij vraag 5, ben ik van mening dat er sprake is van nieuwe jurisprudentie. Zoals toegelicht onder het antwoord bij vraag 6, leidt het wijzen van nieuwe jurisprudentie er niet toe dat de belastinginspecteur de belastingaanslag inkomstenbelasting ambtshalve vermindert.”
De Inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen op 27 februari 2023 afgewezen, omdat de uitkeringen op basis van het brandweermanarrest weliswaar onbelast zijn, maar dat dit arrest naar het oordeel van de Inspecteur nieuwe jurisprudentie vormt en is gewezen nadat de aanslagen onherroepelijk vaststonden, en dat de Minister van Financiën niet heeft bepaald dat in dat geval tot ambtshalve vermindering wordt overgegaan.
De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, geoordeeld dat het brandweermanarrest ten opzichte van het ‘smeerkuilarrest’8 geen nieuwe jurisprudentie vormt, als bedoeld in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (URIB IB 2001), waardoor de Inspecteur de aanslagen ambtshalve had moeten verminderen.
3 Geschil
In geschil is of de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 terecht heeft afgewezen. Het geschil spitst zich – voor zover voor de prejudiciële vragen van belang – toe op het antwoord op de vraag of de onjuistheid van deze aanslagen voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die aanslagen onherroepelijk zijn komen vast te staan (‘nieuwe jurisprudentie’), als bedoeld in artikel 45aa URIB 2001.
De Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend. Hij heeft het volgende aangevoerd:
-
Het brandweermanarrest vormt nieuwe jurisprudentie en die constatering verhindert het verlenen van ambtshalve vermindering voor de jaren 2017 en 2018 waarvan de aanslagen onherroepelijk vaststonden op het moment van het wijzen van dat arrest.
-
De Inspecteur wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op de arresten van 20 mei 20229 en 26 april 202410 en naar een standpunt van de Kennisgroep Formeel Recht van 7 november 2023 dat het begrip ‘nieuwe jurisprudentie’ uitlegt als ‘later’ gewezen jurisprudentie.11
- Gelet op de stand van het recht op het moment dat de aanslagen onherroepelijk zijn geworden mocht de Inspecteur in redelijkheid menen dat zijn standpunt bij het opleggen van de aanslagen, namelijk dat letselschadevergoedingen die zowel uit de arbeidsovereenkomst of -voorwaarden als rechtstreeks uit het aansprakelijkheids- en arbeidsrecht voortvloeiden belast waren, juist was. Dit was 40 jaar lang de vigerende opvatting in de fiscale rechtspraktijk en dit standpunt is in de zaak die voorafging aan het brandweermanarrest ook bevestigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.12 In feite was daarmee sprake van een pleitbaar standpunt.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en heeft ter onderbouwing – voor zover voor de prejudiciële vragen van belang – het volgende aangevoerd:
-
De Rechtbank heeft een juiste beslissing genomen.
-
De Hoge Raad heeft met het brandweermanarrest geen wijziging gebracht in de lijn van de jurisprudentie sinds het smeerkuilarrest. De onjuistheid van de aanslagen volgt al uit het smeerkuilarrest. Dat de praktijk tot het brandweermanarrest jarenlang het te strenge standpunt van de Belastingdienst, dat overigens wel degelijk is bekritiseerd, heeft gevolgd is niet relevant.
-
Uit de bewoordingen van de Hoge Raad in het brandweermanarrest “heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht” en “de bestreden uitspraak berust op een andere, en dus onjuiste, rechtsopvatting” volgt dat geen sprake is van een “draai”, maar van een nadere uitleg van een sinds het smeerkuilarrest bestaande rechtsopvatting. Dat is niets nieuws, zodat van nieuwe jurisprudentie geen sprake kan zijn.
-
In casu kan de Inspecteur zich niet erop beroepen dat hij bij het opleggen van de aanslagen en het onherroepelijk worden daarvan redelijkerwijs mocht uitgaan van een juiste uitleg van een rechtsopvatting.
4 Overwegingen
Aanleiding voor het voorleggen van prejudiciële vragen
Volgens artikel 9.6, lid 2, Wet IB 2001 vermindert de inspecteur (inkomsten) belastingaanslagen in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen. Deze regels zijn neergelegd in artikel 45aa URIB 2001. Uit artikel 45aa URIB 2001 volgt dat de inspecteur, zodra hem blijkt dat een belastingaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld, overgaat tot (ambtshalve) vermindering van die belastingaanslag, tenzij sprake is van een (of meer) van de uitzonderingen in de letters a tot en met e van die bepaling.
In deze procedure is letter b van belang. In letter b is bepaald dat geen ambtshalve vermindering plaatsvindt als de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald.
De huidige stand van de jurisprudentie leidt tot vragen over het te hanteren toetsingskader bij de beantwoording van de vraag of de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk is komen vast te staan. Omdat het daarbij gaat om een te beantwoorden rechtsvraag en dat toetsingskader niet alleen van belang is voor de onderhavige zaak waar het gaat over letselschadevergoedingen, maar voor alle zaken waarin moet worden beoordeeld of sprake is van nieuwe jurisprudentie, heeft het Hof besloten om prejudiciële vragen voor te leggen aan de Hoge Raad.
Smeerkuil- en brandweermanarrest
In het zogenoemde smeerkuilarrest van 29 juni 198313 heeft de Hoge Raad geoordeeld:
“dat het middel de vraag aan de orde stelt of de door belanghebbende van zijn werkgever ontvangen vergoeding ter zake van door hem als gevolg van een ongeval geleden immateriële schade en verlies aan arbeidskracht moet worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking als bedoeld in artikel 22 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
dat door een werkgever op grond van diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval aan deze werknemer betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht - behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst, waaromtrent te dezen echter niets is vastgesteld - niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt;
dat het Hof derhalve ten onrechte heeft geoordeeld dat hetgeen belanghebbende ter zake van immateriële schade en verlies van arbeidskracht is vergoed als loon uit dienstbetrekking moet worden aangemerkt;”
In de feitenrechtspraak en de literatuur zijn de woorden “zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst” ruim uitgelegd, zodat al spoedig bijzondere omstandigheden en daarmee belastbaarheid werden aangenomen.
In onderdeel 2.10 heeft het Hof geciteerd uit het brandweermanarrest. Hier volstaat het Hof met de constatering dat de Hoge Raad in rechtsoverweging 4.2 van dat arrest van 25 maart 2022 de kernoverweging uit het smeerkuilarrest heeft herhaald en vervolgens heeft geoordeeld:
“4.2 (…) Met de woorden “zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst” heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat op de hoofdregel - vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht worden niet als loon aangemerkt - een uitzondering kan worden gemaakt indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit. Wanneer de werkgever niet zo’n hogere vergoeding aan die erkenning verbindt, brengt de vastlegging in de arbeidsovereenkomst materieel geen verandering in de rechten die de werknemer als gevolg van het ongeval heeft. Dan is er ook geen reden om over de belastbaarheid van de vergoeding anders te oordelen dan in het geval van de werknemer ten aanzien van wie in de arbeidsovereenkomst niets is geregeld omtrent een vergoeding als hiervoor bedoeld. Indien bij of krachtens de arbeidsovereenkomst geen hogere vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht zijn voorzien dan bepaald worden door de op de werkgever rustende aansprakelijkheid, doet de uitzondering op de hoofdregel zich daarom niet voor.
De bestreden uitspraak berust op een andere, en dus onjuiste, opvatting (…)”
Jurisprudentie over het begrip ‘nieuwe jurisprudentie’
In het arrest van 20 mei 202214 over de box 3-heffing voor de jaren 2017 en 2018 oordeelde de Hoge Raad als volgt over nieuwe jurisprudentie:
“3.5.3 Belanghebbende baseert zijn standpunt dat de aan hem opgelegde aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2017 en 2018 onjuist zijn, op de stelling dat in box 3 belasting wordt geheven over een hoger bedrag dan het werkelijk door hem behaalde rendement. Dat voor die jaren rechtsherstel moet worden geboden aan degene die wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk door de belastingplichtige behaalde rendement, volgt uit het arrest van 24 december 2021. Toen waren de aan belanghebbende opgelegde aanslagen reeds onherroepelijk geworden; de mogelijkheid van ambtshalve vermindering ontnam aan die aanslagen niet het definitieve karakter.
De gestelde onjuistheid van deze aanslagen volgt dus uit nieuwe jurisprudentie als bedoeld in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling. De Minister van Financiën heeft na het arrest van 24 december 2021 niet bekend gemaakt dat ten aanzien van onherroepelijk geworden aanslagen kan worden afgeweken van de in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling opgenomen voorwaarde. Het oordeel van het Hof dat aan belanghebbende terecht geen ambtshalve vermindering van de voor de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen IB/PVV is verleend, wordt dus tevergeefs bestreden.”
In het arrest van 26 april 2024 was aan de orde of de onjuistheid van de betreffende aanslagen voortvloeit uit een arrest van 2019 of uit de overgangsregeling van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, lid 1, letter b, van de Invoeringswet Wet IB 2001, welke overgangsregeling al van toepassing was op het moment dat de aanslagen onherroepelijk kwamen vast te staan.15 Advocaat-Generaal Koopman schreef hierover een uitgebreide conclusie.16 In het arrest overwoog de Hoge Raad:
“3.2.2 Aanvankelijk waren regels met betrekking tot ambtshalve vermindering van belastingaanslagen, waaronder aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen, neergelegd in een beleidsregel: de resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 25 maart 1991, nr. DB89/735, BNB 1991/142 (hierna: de Resolutie van 1991). Onderdeel 9.1 daarvan luidt:
“9.1. Een arrest van de Hoge Raad dan wel een aanschrijving of een andere schriftelijke mededeling mijnerzijds, waarin een toepassing van de belastingwet besloten ligt die voor de belanghebbende gunstiger is dan de bij de heffing van de belasting gevolgde toepassing, leidt niet tot het ambtshalve verlenen van vermindering of teruggaaf van belasting indien de belastingaanslag, de voldoening op aangifte of de afdracht op aangifte onherroepelijk is komen vast te staan voor de dag, waarop het arrest door de Hoge Raad is gewezen, onderscheidenlijk voor de dagtekening van de aanschrijving of andere schriftelijke mededeling, tenzij ik op dit punt een afwijkende regeling heb getroffen.”
Uit deze passage vloeit voort dat een belastingaanslag niet ambtshalve wordt verminderd vanwege het feit dat de inspecteur bij het opleggen van die belastingaanslag is uitgegaan van een opvatting die voor de belastingplichtige ongunstiger is dan de rechtsopvatting waarvan de Hoge Raad is uitgegaan in een arrest dat is gewezen op of na de dag waarop die belastingaanslag onherroepelijk is komen vast te staan.
Het hiervoor in 3.2.2 bedoelde beleid volgens de Resolutie van 1991, is vanaf 2010 voortgezet op basis van paragraaf 5.1 van het Besluit ambtshalve verminderen of teruggeven van 10 december 2009 (hierna: het Besluit van 2009).2 Daarin is het beleid op dit punt ongewijzigd voortgezet; de in 3.2.2 geciteerde passage is in vrijwel dezelfde bewoordingen in dat besluit overgenomen.
Met betrekking tot de ambtshalve vermindering van aanslagen in de IB/PVV zijn met ingang van 1 januari 2010 regels opgenomen in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling. Volgens de aanhef en letter b van dit artikel wordt een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld niet ambtshalve verminderd indien de onjuistheid van die belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk is komen vast te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald. Hoewel deze formulering afwijkt van die van onderdeel 9.1 van de Resolutie van 1991 en paragraaf 5.1 van het Besluit van 2009, is daarmee niet iets anders bedoeld. De toelichting op artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling3 houdt namelijk het volgende in:
“In het ingevolge de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 per 1 januari 2010 in te voegen artikel 9.6, tweede lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat bij ministeriële regeling gevallen worden aangewezen waarin door de inspecteur een onjuiste belastingaanslag inkomstenbelasting ambtshalve wordt verminderd. De regels voor ambtshalve vermindering van de belastingaanslag inkomstenbelasting zijn dezelfde als de regels die gelden voor ambtshalve vermindering van het verzamelinkomen (vergelijk artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994). Ook sluiten deze regels aan bij de regels uit het Beleidsbesluit ambtshalve verminderen of teruggeven, zoals dat met ingang van 1 januari 2010 in werking treedt (Stcrt. 2009, nr. 19523). Dit is om de regels voor ambtshalve vermindering zoveel mogelijk met elkaar te stroomlijnen, ongeacht of het gaat om inkomensgegevens, te weten het verzamelinkomen of belastbare jaarloon (artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994), de belastingaanslagen inkomstenbelasting (artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001) of andere belastingen (artikel 65 van de AWR in samenhang met het voornoemde beleidsbesluit). Dit is ook van belang als in de toekomst de gewenste uitbreiding van de rechtsbescherming bij ambtshalve vermindering van de inkomstenbelasting naar de vennootschapsbelasting plaatsvindt.”
Uit deze toelichting blijkt dat met artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling, artikel 30b van de Uitvoeringsregeling AWR en paragraaf 5.1 van het Besluit van 2009, een uniforme regeling over ambtshalve vermindering is beoogd. Daaruit volgt dat artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling op dezelfde wijze moet worden toegepast als paragraaf 5.1 van het Besluit van 2009, die op zijn beurt teruggaat op de in 3.2.2 geciteerde passage van de Resolutie van 1991.
Hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen met betrekking tot de Resolutie van 1991 geldt daarom ook voor de uitleg van artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling.
Een redelijke uitleg van deze regels over nieuwe jurisprudentie brengt mee dat de inspecteur niet met een beroep daarop kan weigeren een belastingaanslag ambtshalve te verminderen, indien hij bij het opleggen van die aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting waarvan hij redelijkerwijs niet mocht menen dat die juist was. In een dergelijk geval kan niet worden gezegd dat de onjuistheid van de belastingaanslag “voortvloeit” uit latere jurisprudentie zoals bedoeld in artikel 45aa, letter b, van de Uitvoeringsregeling. Of de inspecteur in redelijkheid mocht menen dat zijn standpunt juist was, moet worden beoordeeld naar de stand van het recht op het moment waarop de belastingaanslag onherroepelijk is geworden.
In dit geval doet die uitzondering zich niet voor. Niet kan worden gezegd dat ten tijde van het onherroepelijk worden van de hiervoor in 2.2 bedoelde aanslagen de Inspecteur redelijkerwijs niet mocht menen dat het door hem bij het opleggen van die aanslagen ingenomen standpunt met betrekking tot de belastbaarheid van de pensioenuitkering juist was. De klacht faalt daarom.”
Rechtbank Gelderland 13 december 2024, nr. ARN 23/5392, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, oordeelde:
“23. De rechtbank is van oordeel dat het arrest uit 2022 [Hof: het brandweermanarrest] niet is aan te merken als nieuwe jurisprudentie. De rechtbank begrijpt het arrest uit 2022 aldus dat de Hoge Raad, gelet op zijn bewoordingen, in het arrest uit 2022 niet een andere maar een nadere uitleg van en toelichting op bestaande jurisprudentie heeft willen geven. Dit ondanks een sinds het Smeerkuilarrest gedurende bijna 40 jaar hiervan afwijkende praktijk, zoals de inspecteur terecht heeft opgemerkt. Het arrest uit 2024 [Hof: ECLI:NL:HR:2024:667] maakt dit niet anders.”
Tegen deze uitspraak is hoger beroep aanhangig. Het Hof houdt deze zaak aan in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen.
In haar uitspraak van 5 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17911, oordeelde de rechtbank Den Haag in een zaak over een vrijwilliger bij de brandweer die in die hoedanigheid een ongeval heeft gehad dat leidde tot blijvende invaliditeit en die als gevolg daarvan uitkeringen ontving. Deze belastingplichtige verzocht in 2023 onder verwijzing naar het brandweermanarrest om onherroepelijk vaststaande aanslagen IB/PVV ambtshalve te verminderen. Rechtbank Den Haag overwoog:
“10. Anders dan eiser bepleit, komt het voor de vraag of rechtspraak ‘nieuw’ is niet erop aan of daarmee tot uitdrukking komt wat altijd al gold. Zoals volgt uit het arrest van 26 april 2024 is de maatstaf voor de beantwoording van die vraag, of verweerder bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting die hij redelijkerwijs voor juist mocht houden. Of de Hoge Raad met het brandweermanarrest is ‘om’ gegaan, kan dan ook in het midden blijven. Beslissend is of verweerder naar de stand van het recht van voor het brandweermanarrest redelijkerwijs kon menen dat de uitkeringen als loon uit (vroegere) dienstbetrekking belastbaar zijn.”
In het arrest van 25 juni 202617 ging de Hoge Raad – in het kader van box 3-heffing voor het jaar 2017 – wederom in op de vraag of sprake was van nieuwe jurisprudentie. De Hoge Raad besteedde in dat arrest geen woorden aan de voorafgaande analyse van Advocaat-Generaal Pauwels over ‘pleitbare opvatting’ van de inspecteur.18 De Hoge Raad overwoog:
“Berust de gevraagde vermindering van de aanslagen op nieuwe jurisprudentie?
Ervan uitgaande dat de aanslagen onherroepelijk zijn komen vast te staan door het ongebruikt verstrijken van de bezwaartermijn, is de Rechtbank tot de slotsom gekomen dat belanghebbende geen recht heeft op ambtshalve vermindering van die aanslagen.
De Rechtbank heeft zich hierbij gebaseerd op artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling). Daarin is bepaald dat geen ambtshalve vermindering plaatsvindt als de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan (hierna: nieuwe jurisprudentie), tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald. De Rechtbank heeft in dit verband verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720 (hierna: het arrest van 20 mei 2022). Met betrekking tot aanslagen in de IB/PVV die waren gebaseerd op het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel van belastingheffing in box 3, heeft de Hoge Raad in dat arrest geoordeeld dat het arrest van 24 december 2021 als nieuwe jurisprudentie in de zin van artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling moet worden aangemerkt. Aangezien de Minister van Financiën na het arrest van 24 december 2021 niet bekend heeft gemaakt dat kan worden afgeweken van de in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling opgenomen uitzondering, is daarom volgens het arrest van 20 mei 2022 geen plaats voor ambtshalve vermindering van de in die procedure bestreden aanslagen, die voorafgaand aan het arrest van 24 december 2021 onherroepelijk waren geworden. De Rechtbank acht dit oordeel van de Hoge Raad duidelijk, en vindt het niet vatbaar voor enige andere uitleg dan dat niet-bezwaarmakers geen beroep op het arrest van 24 december 2021 kunnen doen, en op die grond dus niet voor rechtsherstel in aanmerking komen.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie in zijn geval toch niet van toepassing is, omdat de onjuistheid van de aan hem opgelegde aanslagen reeds volgt uit een aantal door hem genoemde eerdere arresten van de Hoge Raad over de heffing in box 3.19 De Rechtbank verwerpt dit standpunt. De door belanghebbende bedoelde arresten zien op jaren vóór 2017, waarin sprake was van een andere box 3-heffing. De box 3-heffing is vanaf 2017 aanzienlijk gewijzigd ten opzichte van de jaren daarvoor, en de Rechtbank maakt uit het arrest van 24 december 2021 op dat die wijziging voor de Hoge Raad een reden is geweest om over de jaren vanaf 2017 anders te oordelen. De Rechtbank wijst daartoe ook op latere arresten waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het arrest van 24 december 2021 niet van toepassing is op de jaren vóór 2017.20 Nu in dit geval de aanslagen voor de jaren 2017 tot en met 2020 in geschil zijn, kan belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank niet een beroep doen op de door hem aangedragen arresten.
Ook verwerpt de Rechtbank het standpunt van belanghebbende dat de uitzondering van artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling hier niet kan worden toegepast omdat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslagen redelijkerwijs niet mocht menen dat zijn standpunt over de aanvaardbaarheid van de heffing in box 3 juist was. Naar het oordeel van de Rechtbank mocht de Inspecteur destijds redelijkerwijs ervan uitgaan dat de rechtsopvatting waarop hij de aanslagen had gebaseerd juist was.
(…)
Middel 2 bestrijdt het hiervoor in 3.3.3 vermelde oordeel van de Rechtbank. Het betoogt dat op basis van de jurisprudentie die de Hoge Raad heeft gewezen vóór het arrest van 24 december 2021 al duidelijk bleek dat belastingheffing over een op forfaitaire wijze bepaald rendement dat hoger is dan het werkelijk genoten rendement, in strijd komt met het eigendomsrecht.
Het middel faalt, aangezien het oordeel van de Rechtbank juist is. Zoals de Hoge Raad al heeft beslist in het arrest van 20 mei 2022, vormde het arrest van 24 december 2021 nieuwe jurisprudentie met betrekking tot het forfaitaire stelsel van heffing in box 3 zoals dat met ingang van het jaar 2017 gold. Dit stelsel wijkt zodanig af van de voorheen geldende wettelijke regeling, dat de over die voorgaande regeling gewezen rechtspraak geen uitsluitsel biedt over de verenigbaarheid met het EVRM en het EP van het per 2017 ingevoerde stelsel. Bovendien is het arrest van 24 december 2021 ook in die zin nieuw, dat de Hoge Raad zich daarin, anders dan in zijn eerdere rechtspraak over box 3, genoodzaakt zag een belanghebbende adequate rechtsbescherming te bieden tegen een geconstateerde schending van zijn fundamentele rechten.”
Het gerechtshof Den Haag gaf in zijn uitspraak van 1 september 2026, nr. BK-25/751, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, in het hoger beroep op de in 4.10 genoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag, eerst een omschrijving van het arrest van 2024, met name de rechtsoverwegingen 3.2.6, 3.2.3 en 3.2.8, en oordeelde daarna als volgt:
“5.6. Derhalve dient te worden onderzocht of het oordeel van de Hoge Raad in het Brandweermanarrest afwijkt, en derhalve als nieuwe jurisprudentie aan te merken is, ten opzichte van het arrest van 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW9439, hierna: het Smeerkuilarrest.
(…)
Uit deze – ten opzichte van het Smeerkuilarrest aanvullende – rechtsoverweging [Hof: rechtsoverweging 4.2 vanaf “Met de woorden” in het brandweermanarrest] blijkt dat de uitzondering op de hoofdregel slechts van toepassing is indien en voorzover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit de aansprakelijkheid voortvloeit. Ook blijkt uit de rechtsoverweging dat sprake is van een verduidelijking van de uitzondering op de hoofdregel. Van een afwijking op de in het Smeerkuilarrest gegeven hoofdregel is derhalve geen sprake, zodat niet gesproken van worden van “nieuwe jurisprudentie”.
(…)
Gelijk hiervoor is overwogen heeft de Hoge Raad in het Brandweermanarrest geen nieuwe rechtsregels geformuleerd die afwijken van de rechtsregels die zijn geformuleerd in het Smeerkuilarrest. Derhalve is het gelijk aan belanghebbende.”
Toetsingskader nieuwe jurisprudentie
Het vorenstaande, en met name rechtsoverweging 3.2.8 over de redelijke uitleg van de regels over nieuwe jurisprudentie in het arrest van 26 april 2024, roept vragen op over het te hanteren toetsingskader bij de beoordeling of sprake is van nieuwe jurisprudentie.
Het toetsingskader zou kunnen luiden, zoals de rechtbank Den Haag het heeft geïnterpreteerd (zie 4.10), dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van nieuwe jurisprudentie – waarbij de inspecteur niet ambtshalve hoeft te verminderen – enkel van belang is of de inspecteur bij het opleggen van de belastingaanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting die hij redelijkerwijs voor juist mocht houden en dat tijdens het onherroepelijk worden van die aanslag nog steeds het geval was. Er is dan sprake van nieuwe jurisprudentie als de rechtsopvatting van de Hoge Raad afwijkt van de voordien door de inspecteur gekoesterde rechtsopvatting én de inspecteur die opvatting in redelijkheid mocht koesteren.
Een andere uitleg is ook mogelijk. Namelijk dat eerst moet worden beoordeeld, bezien vanuit het perspectief van de Hoge Raad, of in een arrest een nieuwe rechtsopvatting wordt gegeven. Als dat niet het geval is, is per definitie geen sprake van nieuwe jurisprudentie. Als dat wel het geval is, omdat (i) de Hoge Raad ergens een rechtsopvatting over geeft waarover hij nog niet eerder heeft geoordeeld (en eerder gewezen rechtspraak daarvoor geen uitsluitsel biedt) óf (ii) de Hoge Raad afwijkt van een eerder gegeven rechtsopvatting (‘omgaat’), is sprake van nieuwe jurisprudentie. Vervolgens kan uit rechtsoverweging 3.2.8 van het arrest van 26 april 2024 worden afgeleid dat een extra beoordeling moet plaatsvinden, omdat een redelijke uitleg meebrengt dat de inspecteur – ondanks dat sprake is van nieuwe jurisprudentie – toch ambtshalve moet verminderen, indien hij ten tijde van het onherroepelijk worden van de aanslag, ondanks het ontbreken van ‘nieuwe jurisprudentie’ bijvoorbeeld doordat de Hoge Raad over een bepaalde vraag nog niet eerder had geoordeeld, redelijkerwijs niet mocht menen dat hij bij het opleggen van die aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting die juist was.21
Uit het arrest van 25 juni 2026 zou voorts kunnen worden afgeleid dat de Hoge Raad het antwoord op de vraag, waarover de rechtbank Den Haag wel had geoordeeld, of de inspecteur is uitgegaan van een rechtsopvatting waarvan hij redelijkerwijs mocht menen dat hij juist was, voor het oordeel dat sprake is van nieuwe jurisprudentie helemaal niet relevant achtte, omdat de Hoge Raad daaraan in het arrest geen woorden besteedde. Uiteraard kan het ook zo zijn dat dit in cassatie niet (meer) in geschil was, en dat de Hoge Raad er daarom geen woorden aan heeft besteed.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is niet zeker of het brandweermanarrest moet worden aangemerkt als ‘nieuwe jurisprudentie’ als bedoeld in artikel 45aa, aanhef en letter b, URIB 2001 en of bij de beoordeling daarvan enkel relevant is wat de Hoge Raad heeft bedoeld en daarover heeft vermeld in het arrest of dat mede van belang is dan wel doorslaggevend is of de Inspecteur ten tijde van het onherroepelijk worden van de aanslagen in redelijkheid mocht menen dat hij bij het opleggen van die aanslagen is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting.
Reacties van partijen
Het Hof heeft zowel zijn voornemen om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen als de concept vragen aan partijen voorgelegd.
Belanghebbende heeft in zijn reactie van 10 september 2026 geen bezwaar geuit tegen het voorleggen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en heeft daarin aangegeven dat hij ten aanzien van de vragen geen aanvullende opmerkingen heeft. Belanghebbende heeft bij zijn reactie een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 1 september 2026 (zie 4.12) gevoegd over dezelfde rechtsvraag.
De Inspecteur heeft in zijn reactie van 9 september 2026 vermeld dat er naar zijn mening geen noodzaak bestaat tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Hij stelt – kort gezegd – dat het door hem voorgestane toetsingskader duidelijk volgt uit het arrest van 2024, en de arresten van 20 mei 2022 en 25 juni 2026 en dat in het brandweermanarrest duidelijk een nieuwe rechtsregel is gegeven.
Het Hof heeft in de reacties van partijen geen aanleiding gezien om af te zien van het voorleggen van prejudiciële vragen of om de vraagstelling inhoudelijk te wijzigen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal het Hof op de voet van artikel 27ga van de AWR de hierna onder beslissing vermelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorleggen.
Beslissing
Het Hof verzoekt de Hoge Raad de volgende vragen door middel van een prejudiciële beslissing te beantwoorden:
1. Moet uit rechtsoverweging 3.2.8 van het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:667, worden afgeleid dat bij de beoordeling of de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, als bedoeld in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (nieuwe jurisprudentie), steeds en enkel doorslaggevend is
-
i) of de rechtsopvatting van de Hoge Raad in een arrest dat is gewezen na het onherroepelijk worden van een belastingaanslag afwijkt van de rechtsopvatting waarvan van de inspecteur bij het opleggen van die belastingaanslag is uitgegaan; én
-
ii) de inspecteur zijn onder (i) bedoelde rechtsopvatting op het moment van het onherroepelijk worden van die belastingaanslag redelijkerwijs voor juist mocht houden?
2. Als vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, met welk rechtskader moet worden beoordeeld of de inspecteur is uitgegaan van een rechtsopvatting die hij redelijkerwijs voor juist mocht houden, mede in het licht van de arresten van 20 mei 202222 en 25 juni 202623 over nieuwe jurisprudentie in het kader van de box 3-heffing (waarin de Hoge Raad hieraan geen aandacht besteedde) en de leer van het pleitbare standpunt bij boetes?
3. Als vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, dient dan in het kader van de beantwoording van de vraag of sprake is van nieuwe jurisprudentie eerst te worden beoordeeld of de Hoge Raad in het arrest dat is gewezen na het onherroepelijk worden van de belastingaanslag een nieuwe rechtsopvatting heeft gegeven, om vervolgens pas aan de beoordeling als bedoeld bij vraag 1 toe te komen als inderdaad sprake was van een nieuwe rechtsopvatting? Met andere woorden: als de Hoge Raad een nieuwe rechtsopvatting heeft gegeven, is dan nog wel relevant of de inspecteur uitging van een rechtsopvatting die hij op het moment van het onherroepelijk worden van die belastingaanslag redelijkerwijs voor juist mocht houden?
4. Op welke manier is het toetsingskader of sprake is van nieuwe jurisprudentie anders in de volgende situaties:
-
i) de Hoge Raad geeft een rechtsopvatting over een rechtsvraag waarvoor eerder gewezen rechtspraak geen uitsluitsel bood;
-
ii) de Hoge Raad wijkt - impliciet of expliciet - af van een eerder gegeven rechtsopvatting (‘gaat om’)?
5. Als bij de beoordeling of sprake is van nieuwe jurisprudentie relevant is of de Hoge Raad een nieuwe rechtsopvatting heeft gegeven: heeft de Hoge Raad in het brandweermanarrest24 voor de toepassing van artikel 45aa, aanhef en letter b, URIB 2001, ten opzichte van het smeerkuilarrest25 een nieuwe rechtsopvatting gegeven en vormt het brandweermanarrest daarmee nieuwe jurisprudentie?
Het Hof houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat de Hoge Raad naar aanleiding van de vorenstaande vragen uitspraak heeft gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. F. van Horzen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is op 15 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (M.M. Breij)
Deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.