ECLI:NL:GHARL:2026:5785

Datum uitspraak
08-09-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.364.675/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

1:253b BW. Procedure tussen moeder en grootmoeder over gezag na voogdij. Gegronde vrees dat als de moeder gezag krijgt de belangen van het kind worden verwaarloosd. Verzoek 810a Rv.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.364.675/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 146477)

beschikking van 8 september 2026

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

die woont in [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. A.G. Ouwejan te Utrecht,

en

[verweerder] (de grootmoeder),

die woont in [woonplaats1] ,

verweerster in hoger beroep,

advocaat: mr. K.J. Kanning te Assen.

Als overige belanghebbende is, voor zover het gaat over de omgangsregeling, aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen (de GI),

die is gevestigd in Assen.

In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad)

regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 februari 2024, 5 juni 2024, 24 december 2024 en 5 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 5 november 2025 zal hierna worden aangeduid als de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 2 februari 2026;

- een journaalbericht namens de moeder van 19 maart 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de moeder van 31 maart 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de moeder van 22 april 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de voogd van 5 mei 2026, waarin de voogd het hof bericht dat geen verweerschrift wordt ingediend;

- het verweerschrift van de GI;

- een brief namens de moeder van 11 juni 2026 met bijlage(n);

- een brief namens de moeder van 30 juni 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de moeder van 6 juli 2026 met bijlage(n).

2.2

De hierna te noemen minderjarige is in de gelegenheid gesteld zijn mening over de verzoeken kenbaar te maken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 9 juli 2026 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens de grootmoeder, mr. J.M. Borgh, waarnemend voor mr. Kanning, twee vertegenwoordigers van de GI en een vertegenwoordiger van de raad.

3 De feiten

3.1

[de minderjarige] is geboren [in] 2017. De moeder was ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] minderjarig. Daarmee was zij onbevoegd tot het gezag over [de minderjarige] . Bij beschikking van de rechtbank van 14 maart 2018 is de grootmoeder (van moederszijde) tot voogd over [de minderjarige] benoemd. [de minderjarige] heeft sinds zijn geboorte bij de grootmoeder gewoond. De grootmoeder is wegens de ziekte van Parkinson niet meer in staat om duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen.

3.2

[de minderjarige] is op 22 mei 2024 onder toezicht gesteld van de GI en die ondertoezichtstelling is sindsdien steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 7 januari 2026 tot 22 februari 2027. Bij de beschikking van 7 januari 2026 is tevens machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een neutraal pleeggezin.

3.3

De moeder heeft de rechtbank bij verzoekschrift op 10 januari 2024 verzocht om te bepalen dat zij wordt belast met het gezag over [de minderjarige] en dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] wordt bepaald bij haar. Subsidiair heeft de moeder verzocht om een omgangsregeling vast te stellen op grond waarvan [de minderjarige] na een opbouw maandelijks een weekend bij de moeder is van donderdagmiddag tot maandagochtend, en de helft van de vakanties en feestdagen.

3.4

Bij de beschikking van 21 februari 2024 heeft de rechtbank, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de volgende voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de moeder en [de minderjarige] :- [de minderjarige] verblijft ieder vrijdag van 14.00 uur tot 19.00 uur bij de moeder;

- daarnaast verblijft [de minderjarige] één zaterdag in de twee weken vanaf 10.00 uur, of als hij moet voetballen vanaf na het voetballen, tot zondag 15.00 uur bij de moeder. Het tijdstip van 15.00 uur zal na drie keer worden gewijzigd in 19.00 uur;

- de moeder en de grootmoeder dienen het halen en brengen van [de minderjarige] in onderling overleg te regelen.

3.5

Bij de beschikking van 5 juni 2024 heeft de rechtbank, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, partijen verwezen naar het hulpverleningstraject van Pro Talent en heeft de rechtbank het mondelinge verzoek van de moeder om de regie over de omgangsregeling bij de GI te leggen, afgewezen.

3.6

Bij de beschikking van 24 december 2024 heeft de rechtbank, met het oog op een ambulante ouderschapsbeoordeling door [naam] , de bij de beschikking van 21 februari 2024 voorlopig vastgestelde omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] gewijzigd en voorlopig bepaald dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] onder regie van de GI kan worden uitgebreid, waarbij als minimale omgangsregeling geldt de regeling zoals bepaald in de beschikking van 21 februari 2024. Iedere verdere beslissing is aangehouden. [naam] heeft op 5 juni 2025 gerapporteerd.

3.7

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder afgewezen.

3.8

Bij beschikking van de rechtbank van eveneens 5 november 2025, gewezen onder zaaknummer 152709, heeft de rechtbank op verzoek van de GI de bij beschikking van de rechtbank van 21 februari 2024 vastgestelde voorlopige omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] gewijzigd, in die zin dat de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling de regie heeft over de frequentie en duur van de contactmomenten tussen de moeder en [de minderjarige] .

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking en zij wil met die grief het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voorleggen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking van 5 november 2025 te vernietigen en haar verzoeken alsnog toe te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder om een onafhankelijk deskundigenonderzoek te gelasten ex artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

5 De motivering van de beslissingHet gezag

5.1

Op grond van lid 5 van artikel 1:253b van het Burgerlijk Wetboek wordt, wanneer een voogd het gezag over een kind uitoefent, een verzoek van de moeder om haar met het gezag over het kind te belasten, slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

5.2

Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen. Net als de rechtbank hecht het hof veel waarde aan de uitkomst van de ouderschapsbeoordeling van [naam] die inhoudt dat de moeder op dit moment onvoldoende in staat is om goed genoeg ouderschap aan [de minderjarige] te bieden. Daarbij komt dat door de jaren heen niet alleen veel spanningen hebben bestaan tussen de moeder en de grootmoeder, vaak voortkomend uit gebrekkige emotieregulatie door de moeder, maar dat er ook regelmatig onrust is geweest in de contacten met hulpverleners en bijvoorbeeld buurtbewoners. Zo is moeder recent nog in conflict geraakt met een omgangsbegeleider. De moeder is verder niet bereid de GI inzicht te geven in de hulpverlening die zij krijgt en zij geeft geen toestemming aan de GI om in gesprek te gaan met haar behandelaren. Ter zitting heeft de moeder verteld dat zij elke vier weken therapie via de huisarts heeft en dat zij op dit moment niet in staat is intensievere hulpverlening te krijgen vanwege haar zwangerschap. Haar EMDR-traject is hierdoor ook vroegtijdig beëindigd. Het hof constateert dat de hulp die [naam] in 2025 aan moeder heeft geadviseerd op deze manier moeizaam van de grond komt. Het hof verwacht dat, wanneer de moeder het gezag zal krijgen, er veel onrust zal zijn in de samenwerking die er moet zijn met de familie, hulpverleners en andere betrokkenen en dat is strijdig met de belangen van [de minderjarige] .

5.3

Ten slotte heeft het hof grote zorgen over de beslissing van de moeder om in verband met haar zwangerschap de omgang met [de minderjarige] stop te zetten, omdat dat te belastend is voor haar. Zij lijkt onvoldoende in te zien wat zo’n beslissing voor [de minderjarige] betekent. Bovendien zal, als het kindje geboren is, dat veel van de moeder vragen, en de vraag is welke ruimte er dan nog is voor [de minderjarige] . De situatie is op dit moment naar het oordeel van het hof onvoldoende stabiel om het gezag bij de moeder te beleggen. Sinds januari woont [de minderjarige] vanwege de medische beperkingen van de grootmoeder in een pleeggezin, waar hij ontspannen is, het goed doet en een enorme vooruitgang in zijn gedrag laat zien. Het hof acht het van belang dat deze situatie wordt voortgezet. Hieruit volgt dat het hof gegronde vrees heeft dat bij inwilliging van het verzoek van de moeder de belangen van [de minderjarige] zouden worden verwaarloosd.

Het hoofdverblijf

5.4

Uit het voorgaande volgt dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om zijn hoofdverblijf bij de moeder te bepalen. Het hof laat daarom het oordeel van de rechtbank in stand.

Het beroep op artikel 810a Rv

5.5

Daarmee resteert voor het hof de beoordeling van het verzoek van de moeder tot benoeming van een onafhankelijke deskundige als bedoeld in artikel 810a Rv. Het hof vat het verzoek van de moeder op als een verzoek op basis van het tweede lid van artikel 810a Rv, nu zij het hof heeft verzocht een contra-expertise te gelasten. Het tweede lid van artikel 810a Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

5.6

Deze bepaling regelt het recht op een contra-expertise in zaken waarin een maatregel van kinderbescherming wordt getroffen. Daarmee wordt voor de verweerder tegenover de overheidsinstantie recht gedaan aan het beginsel van ‘equality of arms’. Nu sprake is van een geschil tussen de moeder en de grootmoeder is het hof van oordeel dat het tweede lid niet van toepassing is. Ook overigens ziet het hof, gelet op wat hiervoor is overwogen en met name de onrust die daardoor voor [de minderjarige] zou ontstaan, geen aanleiding voor een contra-expertise.

5.7

Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 5 november 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, F. van der Meulen en A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 8 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »