GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.363.302/01 |
|
CJIB-nummer |
: 264809150 |
|
Uitspraak d.d. |
: 2 september 2026 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 17 november 2025, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de betrokkene (het hof leest: de gemachtigde van de betrokkene) in het beroepschrift heeft aangegeven in beroep te komen op nader aan te voeren gronden. De gemachtigde is bij brief d.d. 2 mei 2025 in de gelegenheid gesteld tijdig voor de zitting die gronden aan te voeren, maar heeft dat nagelaten tot vrijdag 31 oktober 2025 om 16.53 uur. De kantonrechter overweegt dat zowel hijzelf als de vertegenwoordiger van de officier van justitie niet voldoende tijd heeft gehad om de gronden zorgvuldig te bestuderen en zich daarop voor te breiden. De gemachtigde heeft geen toelichting gegeven waarom de gronden pas zo laat zijn ingediend. Om die reden heeft de kantonrechter de gronden niet meegenomen in het beroep en kon de kantonrechter het beroep daardoor niet inhoudelijk beoordelen.
2. De gemachtigde stelt dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De gemachtigde voert daartoe onder meer aan dat er geen sprake is van een verzuim, nu in het beroepschrift gronden zijn aangevoerd, en verzoekt om het terugwijzen van de zaak.
3. De gemachtigde heeft op 8 oktober 2024 beroep ingesteld bij de kantonrechter. Hierbij stelt hij dat de betrokkene de gedraging ontkent. Voorts ontkent de betrokkene volgens de gemachtigde de bevoegdheid van de ambtenaar en de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen.
4. De aangevoerde grond slaagt. Het beroep is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, nu de gemachtigde wel gronden heeft aangevoerd. Dat volgens de kantonrechter de nader aangevoerde gronden zo laat zijn ingediend dat deze voorafgaand aan de zitting niet meer zorgvuldig konden worden bestudeerd, maakt - nog daargelaten of de kantonrechter deze gronden om die reden buiten beschouwing kan laten - niet dat de kantonrechter mag voorbijgaan aan de in het beroepschrift aangevoerde gronden. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Artikel 20d, tweede lid, van de Wahv biedt geen ruimte voor terugwijzing van de zaak. Het hof zal derhalve doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ligt thans ter beoordeling aan het hof voor.
5. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij die beschikking een sanctie opgelegd van € 120,- voor: “stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 maart 2024 om 16.53 uur op de Wegastraat 74 in 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
6. De gemachtigde persisteert in hoger beroep bij het standpunt dat de betrokkene de gedraging ontkent. De enkele ontkenning van de gedraging is onvoldoende om te twijfelen aan de gegevens in het dossier op grond waarvan de gedraging kan worden vastgesteld. Deze grond treft dan ook geen doel.
7. De gemachtigde heeft in beroep bij de kantonrechter het verzoek gedaan tot matiging van het sanctiebedrag tot nihil met als argument dat de betrokkene op het moment van de overtreding in het bezit was van een geldige ontheffing met betrekking tot het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Deze ontheffing heeft de gemachtigde overgelegd.
8. In het zaakoverzicht heeft de ambtenaar verklaard dat er geen ontheffing onder de voorruit was te zien, hij heeft waargenomen dat gedurende een periode van tien minuten niemand het voertuig in- of uitstapte en hij geen contact heeft gehad met de bestuurder van het voertuig.
9. Het hof stelt vast dat op de overgelegde ontheffing onder 10. onder het kopje “Voorschrift voor het gebruik van deze verklaring.” is vermeld:
“Beperking: Van de beschikking mag alleen gebruik worden gemaakt voor zover dit voor de onmiddellijke uitvoering van de genoemde werkzaamheden noodzakelijk is, derhalve indien de werkzaamheden zonder gebruikmaking van de beschikking redelijkerwijs niet kunnen worden uitgevoerd. De betrokken medewerker kan dus in de nabijheid van het voertuig uitleg geven aan toezichthouders.”.
10. Nu uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat niet is voldaan aan het in de ontheffing neergelegde voorschrift dat uitleg aan de ambtenaar kon worden gegeven in de nabijheid van het voertuig, kan het beroep op de ontheffing niet slagen.
11. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.