ECLI:NL:GHARL:2025:8048

Datum uitspraak
16-12-2025
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.351.057
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking. Erkenning en omgangsregeling. Het hof houdt de behandeling aan, omdat nog veel onduidelijk is. De verwekker, de moeder en de bijzondere curator krijgen de gelegenheid geven aanvullende informatie aan het hof over te leggen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.351.057

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 569883)

beschikking van 16 december 2025

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat mr. J.T.M. Sengers,

en

[verweerster] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F. Pool.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

mr. K.G.I.M. Schröder,

kantoorhoudende te Utrecht,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator van [de minderjarige] ,

verder te noemen: de bijzondere curator.

Als informant is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd in Amsterdam,

verder te noemen: de GI.

1 1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 maart 2024 en 18 oktober 2024, uitgesproken onder zaaknummer 569883. De beschikking van 18 oktober 2024 wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 januari 2025;

- het verweerschrift van de moeder en

- het verweerschrift van de bijzondere curator.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 2 december 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

- [verzoeker] , bijgestaan door mr. Sengers;

- de moeder, bijgestaan door mr. N. Schiettekatte als waarnemer van mr. Pool;

- de bijzondere curator;

- een vertegenwoordiger van de GI en

- een vertegenwoordiger van de raad.

3 De feiten

3.1

De moeder en [verzoeker] hebben een relatie gehad. Zij hebben een zoon: [de minderjarige] , geboren [in] 2021. [verzoeker] is de biologische vader van [de minderjarige] , maar niet de juridische vader.

3.2

De moeder heeft eerder [naam1] toestemming gegeven om [de minderjarige] te erkennen, waardoor [naam1] de juridische vader van [de minderjarige] is geworden. Bij beschikking van 18 oktober 2024 heeft de rechtbank de erkenning van [de minderjarige] door [naam1] vernietigd. Deze beschikking is in kracht van gewijsde gegaan. Hierdoor is [naam1] niet meer de juridische vader van [de minderjarige] .

3.3

Bij beschikking van 15 maart 2022 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en loopt nog steeds.

3.4

[de minderjarige] verblijft met een machtiging tot uithuisplaatsing bij oma moederszijde (hierna: de oma).

3.5

De moeder en [de minderjarige] zien elkaar één keer per maand gedurende een uur onder begeleiding van de GI.

3.6

In de beschikking van 19 maart 2024 heeft de rechtbank K.G.I.M. Schröder tot bijzondere curator voor [de minderjarige] benoemd.

4 De omvang van het geschil

4.1

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van [verzoeker] om hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [de minderjarige] en een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen, afgewezen.

4.2

[verzoeker] is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en komt hiervan in hoger beroep. [verzoeker] verzoekt het hof de bestreden beschikking op deze punten te vernietigen en – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen en een gefaseerde omgangsregeling vast te stellen waarbij hij [de minderjarige] om de week een dag(deel) ziet met de mogelijkheid tot uitbreiding hiervan.

4.3

De moeder voert verweer en vraagt het hof de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

De bijzondere curator voert ook verweer en ook zij vraagt het hof de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Wat staat in de wet?

Erkenning

5.1

De man die een kind heeft erkend is de juridische vader van dat kind.1 Voor erkenning is de toestemming van de moeder nodig.2 Als de moeder geen toestemming geeft, kan de rechter aan de verwekker van het kind alsnog toestemming voor erkenning geven. De rechter geeft deze toestemming niet als de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt.3 Hierbij moet een afweging te worden gemaakt tussen de belangen van betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt moet worden genomen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke betrekking.

Omgang

5.2

De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind, ofb. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, ofc. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder heeft doen blijken, ofd. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.4

Wat vindt [verzoeker] ?

5.3

[verzoeker] vindt het in het belang van [de minderjarige] om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met feitelijke situatie. Er is geen sprake van één van de in de wet genoemde uitzonderingen om de toestemming tot erkenning niet te geven. Het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op onjuiste informatie van de GI. [verzoeker] erkent dat de relatie tussen hem en de moeder niet goed was, maar hij weerspreekt de aantijgingen van de moeder over huiselijk geweld. Er blijkt nergens uit dat [verzoeker] een dreiging is (geweest) naar de moeder, de oma of [de minderjarige] . Dat de relatie tussen de moeder en [verzoeker] moeizaam verliep en volgens de GI ‘toxisch’ was, is volstrekt onvoldoende om te concluderen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verstandhouding met [de minderjarige] door de erkenning zou worden geschaad of dat door de erkenning de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] in het gedrang zou komen. Ook moet volgens [verzoeker] in de juridische beoordeling worden betrokken dat [de minderjarige] niet bij de moeder woont en dat onduidelijk is of [de minderjarige] nog wordt teruggeplaatst bij de vrouw. [verzoeker] man gaat er van uit dat aan [de minderjarige] een stabiel opvoedingsklimaat wordt geboden bij de oma. De erkenning zal het opvoedingsklimaat van [de minderjarige] niet aantasten.

5.4

Vanaf de geboorte van [de minderjarige] tot februari 2023 heeft [verzoeker] [de minderjarige] regelmatig gezien. [verzoeker] wil weer onderdeel worden van het leven van [de minderjarige] . Omdat de moeder niet volledig is betrokken in zijn leven, vindt [verzoeker] het belangrijk dat hij dat als vader wel kan zijn. Het contact tussen [verzoeker] en [de minderjarige] kan, in het tempo van [de minderjarige] onder regie van de GI, worden opgebouwd.

Wat vindt de moeder?

5.5

De moeder voert aan dat [verzoeker] en zij een toxische relatie hadden en hebben. De GI is bezorgd dat als de moeder er opnieuw voor kiest om [verzoeker] toe te laten in haar leven [de minderjarige] getuige blijft van huiselijk geweld. [de minderjarige] zal dan mogelijk opgroeien in angst en zich niet optimaal kunnen ontwikkelen.

Aan het adres van de oma en [de minderjarige] zijn bedreigingen geweest, waarvan onduidelijk is uit welke hoek die komen. Hierdoor is [de minderjarige] een tijdje weg geweest bij de oma. Hij is weer terug bij de oma, maar hij verblijft nu met haar op een geheime locatie. Omdat de verblijfplaats van [de minderjarige] en de oma (ook voor de moeder) geheim moet blijven, vindt de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] plaats op een politiebureau. In deze voor [de minderjarige] onrustige situatie moeten geen risico’s worden genomen. Erkenning van [de minderjarige] door [verzoeker] zal zorgen voor verdere druk op het systeem, terwijl [de minderjarige] belang heeft bij rust en veiligheid, aldus de moeder.

5.6

De moeder voert voorts aan dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om een omgangsregeling tussen hem en [verzoeker] vast te stellen. Het is voor [de minderjarige] heel onrustig (geweest) als gevolg van de uithuisplaatsing en zijn verschillende verblijfsadressen. Er wordt nog gewerkt aan contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige] . Contact tussen [de minderjarige] en [verzoeker] zal voor meer onrust zorgen. Ook is er geen nauwe persoonlijke betrekking tussen [verzoeker] en [de minderjarige] . Zij hebben elkaar al bijna drie jaar niet meer gezien en de keren dat zij elkaar hebben gezien zijn op één hand te tellen.

Wat vindt de GI?

5.7

De GI heeft op de mondelinge behandeling op vragen van het hof aan het hof verteld dat het niet goed gaat met [de minderjarige] . Hij is met de oma ondergedoken, omdat zij te maken hebben gehad met ernstige bedreigingen. De politie heeft de oma geadviseerd om elders haar bestaan op te bouwen. Daar is zij nu mee bezig. [de minderjarige] is inmiddels vier jaar, maar hij gaat nog niet naar school. Hij is nog niet ‘schoolrijp’: [de minderjarige] heeft zoveel agressie in zijn leven meegemaakt dat hij zomaar mensen kan gaan slaan en schoppen. Er wordt daarom eerst hulp voor hem gezocht.

Het contact tussen de moeder en [de minderjarige] is heel goed. De moeder houdt zich aan de voorwaarden voor de omgang. De omgang zou eigenlijk uitgebreid moeten worden naar twee keer per maand, maar er is geen organisatie die de omgang kan begeleiden. Daarom blijft de omgang beperkt tot één keer per maand onder begeleiding van de GI.

Wat vindt de bijzondere curator?

5.8

De bijzondere curator neemt als uitgangspunt dat [de minderjarige] en [verzoeker] er over en weer aanspraak op kunnen maken dat hun biologische band in rechte wordt erkend. Maar dat recht is niet zo absoluut dat in geval van biologisch vaderschap het juridisch vaderschap automatisch tot stand moet komen. [de minderjarige] heeft naast voornoemd recht namelijk ook het recht dat zijn evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling niet wordt bedreigd. Ook heeft [de minderjarige] het recht op een ongestoorde verhouding met de moeder. In de situatie van [de minderjarige] botsen die rechten met elkaar en dat betekent dat een belangenafweging noodzakelijk is.

De moeder heeft te maken gehad met seksuele uitbuiting, maar de GI krijgt niet helder wie hiervoor verantwoordelijk is. Tijdens het verblijf van de moeder in een hulpverlenende instelling heeft die instelling geconstateerd dat er tussen de moeder en [verzoeker] sprake was van een ongezonde situatie waarbij [verzoeker] de moeder 24 uur per dag controleerde.

Bedreigingen aan adres van oma (over een vermeende drugsschuld van de moeder) hebben een grote impact op de veiligheid van [de minderjarige] en oma en hebben ook gevolgen voor het summiere contact tussen [de minderjarige] en de moeder. Ondanks politieonderzoek is niet duidelijk uit welke hoek de bedreigingen komen. Onder deze omstandigheden heeft [de minderjarige] het recht dat hij zelf en de oma worden beschermd tegen dreigingen van buitenaf.

De erkenning zet de deur open voor het voeren van andere procedures. Op dit moment is dat niet in het belang van [de minderjarige] . De redelijk recente gebeurtenissen laten zien dat de GI en de politie alle zeilen hebben moeten bijzetten om de veiligheid van [de minderjarige] en de oma te garanderen. Daarom adviseert de bijzondere curator het verzoek van [verzoeker] af te wijzen.

Wat adviseert de raad?

5.9

De raad begrijpt de wens van [verzoeker] om [de minderjarige] te erkennen, maar vindt dat op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] is een heel kwetsbare jongen die veel heeft meegemaakt. De raad kan daarom niet goed inschatten wat het effect van de erkenning op [de minderjarige] zal zijn. De raad denkt dat [de minderjarige] (de gevolgen van) de erkenning er nu niet bij kan hebben, omdat er te veel in zijn leven speelt. Er zijn grote zorgen over zijn ontwikkeling, hij is nog niet schoolrijp. De hulp die [de minderjarige] nodig heeft, komt nog niet van de grond, omdat hij met de oma heeft moeten onderduiken. [de minderjarige] moet rust krijgen om zich te ontwikkelen, maar ook de oma moet overeind blijven.

De situatie is heel kwetsbaar, ook omdat onduidelijk is waar de dreiging vandaan komt.

De erkenning zal misschien later wel mogelijk zijn, maar niet op dit moment waarin [de minderjarige] ondergedoken is en er zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook een omgangsregeling is nu niet passend in het leven van [de minderjarige] .

Het oordeel van het hof

5.10

Zoals de GI aan het hof heeft verteld, is het leven van [de minderjarige] op dit moment onrustig. Hij woont – als gevolg van bedreigingen uit onbekende hoek – met zijn oma op een geheime locatie, hij is nog niet schoolrijp en de hulp voor [de minderjarige] is nog niet gestart. De raad adviseert het hof om aan [verzoeker] geen toestemming te geven voor erkenning, omdat de raad niet kan inschatten wat op dit moment het effect hiervan is op [de minderjarige] . Voor het hof is nog veel onduidelijk. Zo citeerde de raad tijdens de mondelinge behandeling uit een eerdere beschikking om de dreiging/spanningen tussen [verzoeker] en de moeder te duiden, maar het hof heeft deze informatie van geen van de belanghebbenden of van de raad ontvangen. Het hof acht dit soort informatie wel van belang om een beslissing te kunnen geven op de verzoeken van [verzoeker] over de erkenning en de omgangsregeling. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden en aan [verzoeker] , de moeder en de bijzondere curator de gelegenheid geven om binnen twee maanden na de datum van deze beschikking – voor zover voorhanden – in ieder geval de volgende informatie aan het hof over te leggen:

  • (tussentijdse) verslagen/ evaluatierapporten van de ondertoezichtstelling/ uithuisplaatsing;

  • eerdere beschikkingen over de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing;

  • eerdere raadsrapporten;

  • eventuele mutaties met betrekking tot [verzoeker] en/of de moeder in de justitiële systemen voor zover opvraagbaar door partijen en

  • justitiële documentatie van [verzoeker] en van de moeder, dan wel een verklaring dat er geen justitiële documentatie is.

5.11

De informatie die aan het hof wordt gezonden, moet tegelijkertijd aan de overige belanghebbenden en aan de raad worden toegezonden, met uitzondering van eventuele justitiële documentatie en/of eventuele mutaties die alleen aan het hof kunnen worden gezonden. Het hof wijst er alle betrokkenen op dat zij zich moeten inspannen om de huidige verblijfplaats van [de minderjarige] en de oma dan wel gegevens waaruit die verblijfplaats kan worden afgeleid geheim te houden. Zo nodig dienen zij daarover in overleg te treden met de hierna te benoemen raadsheer-commissaris.

5.12

Het hof zal alle verdere beslissingen aanhouden. Na ontvangst van deze informatie zal het hof beslissen over de verdere voortgang van de procedure.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat [verzoeker] , de moeder en de bijzondere curator binnen twee maanden na de datum van deze beschikking dus uiterlijk 17 februari 2026 de informatie als hiervoor onder 5.10 omschreven – voor zover voorhanden – dienen over te leggen aan het hof, onder gelijktijdige toezending aan de overige belanghebbenden en de raad;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. M.H.F. van Vugt;

bepaalt dat de belanghebbenden zich voor vragen of opmerkingen betreffende de over te leggen informatie kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris;

bepaalt dat de belanghebbenden hun inlichtingen en verzoeken dienen te richten aan de raadsheer-commissaris;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, K.A.M. van Os-ten Have en A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is op 16 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »