ECLI:NL:GHAMS:2026:2814

Datum uitspraak
25-08-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
25/1648
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Aanslag waterschapsbelasting; strijd met wettelijke bepalingen of rechtsbeginselen? Schending hoorrecht leidt niet tot toekenning proceskostenvergoeding vanwege bijzondere omstandigheid.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/1648

25 augustus 2026

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. D.R. de Vries)

tegen de uitspraak van 21 mei 2025 in de zaak met kenmerk AMS 24/4263 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is een aanslag waterschapsbelasting voor het jaar 2023 opgelegd van in totaal € 323,59 (de aanslag).

1.2.

Het door belanghebbende daartegen gemaakte bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Hierop heeft het Hof besloten een zitting achterwege te laten, het onderzoek te sluiten en heeft het Hof partijen medegedeeld dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende woont op het adres [adres] te [plaats] .

2.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2023 door de heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) de volgende aanslag watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing woonruimten (tezamen aangeduid als: waterschapsbelasting) opgelegd:

“Uw waterschapsbelasting 2023

Watersysteemheffing Ingezetenen

Vast bedrag per jaar per huishouden. Ook als u u verhuist.

1,00 x € 136,48

€ 136,48

Zuiveringsheffing Woonruimten

Periode 01-01-2023 tot 01-01-2024Woont u met meer dan één persoon, dan betaalt u altijd 3 vervuilingseenheden

3,00 x € 62,37

€ 187,11

Totaal

€ 323,59”

2.3.

De uitspraak op bezwaar bestaat uit acht bladzijden. Op bladzijde 2 en 3 gaat de heffingsambtenaar in op de bevoegdheid van de heffingsambtenaar en het gebied van het waterschap. Op bladzijde 3 op de geldigheid van de verordening voor de watersysteemheffing. Op bladzijde 3 tot en met 5 op de kosten die samenhangen met de watersysteemheffing en de inwonerdichtheid. Op bladzijde 5 op de geldigheid van de verordening voor de zuiveringsheffing. Op bladzijde 5 tot en met 7 op de kosten die samenhangen met de zuiveringsheffing. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de volgende afbeelding gevoegd, waarbij de “gele stip” het adres van belanghebbende weergeeft:

[afbeelding]

3 Geschil in hoger beroep

In geschil is of er een reden is de aanslag te vernietigen, omdat deze is opgelegd in strijd met wettelijke bepalingen of rechtsbeginselen. Ook is in geschil of aan belanghebbende een kostenvergoeding moet worden toegekend, onder meer vanwege schending van het hoorrecht.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen en beslist (waarbij belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’):

“3. Eiser voert aan dat de hoorplicht is geschonden. Eiser heeft geen uitnodiging voor een hoorzitting ontvangen, terwijl hij wel in het bezwaarschrift heeft verzocht om te worden gehoord. De heffingsambtenaar geeft aan dat de gemachtigde van eiser op 29 april 2024 om 11:00 uur is uitgenodigd ten kantore van Waternet. De uitnodiging voor de hoorzitting is naar het adres van de gemachtigde gestuurd en niet onbestelbaar retour gekomen. Er moet dan ook van uit worden gegaan dat de uitnodiging de gemachtigde heeft bereikt. Omdat er niemand is verschenen, is de heffingsambtenaar ervan uitgegaan dat er geen behoefte meer bestond aan een hoorzitting. In overeenstemming met het standpunt van de heffingsambtenaar gaat de rechtbank ervan uit dat de uitnodiging voor de hoorzitting de gemachtigde heeft bereikt. Bovendien heeft eiser voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoorplicht niet geschonden.

4. Eiser voert verder aan dat de aanslag en de uitspraak op bezwaar onbevoegd zijn genomen, nu het aanslagbiljet geen naam en handtekening bevat. De heffingsambtenaar legt uit dat een besluit door hem als heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht wordt genomen. Dat staat ook op de aanslag. De heffingsambtenaar is een zelfstandig bestuursorgaan en geen persoon. De heffingsambtenaar meent dat het ontbreken van een naam en/of natte handtekening niet maakt dat de aanslag onbevoegd is genomen. Het moet eiser door de ondertekening als heffingsambtenaar duidelijk zijn dat de heffingsambtenaar het besluit heeft genomen. De rechtbank volgt dit standpunt van de heffingsambtenaar en oordeelt dat de aanslag en de uitspraak op bezwaar bevoegd zijn genomen.

5. Daarnaast stelt eiser dat zijn adres niet binnen het beheersgebied van het waterschap is gelegen, waardoor geen aanslag kan worden opgelegd door het waterschap. De heffingsambtenaar verwijst naar het Reglement van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het Reglement), waar met gebruikmaking van een kaart het verzorgingsgebied van het waterschap is vastgelegd. De heffingsambtenaar merkt op dat zelfs als de begrenzing van het verzorgingsgebied door de grootte van de kaart onduidelijk zou zijn, die onduidelijkheid zich hooguit op de uiterste randen van het gebied voordoet. Het adres valt echter ruimschoots binnen de belijning van het verzorgingsgebied. Er kan daarom geen twijfel bestaan over de vraag of het adres in het verzorgingsgebied valt. De rechtbank stelt vast, na het raadplegen van de kaart in het Reglement, dat het belastbaar feit binnen het beheersgebied van het waterschap is gelegen. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert verder aan dat de Verordening watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht 2023 en de Verordening zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht 2023 (hierna: de Verordeningen) op 9 december 2023 zijn ingetrokken, zodat op basis van deze verordeningen nadien geen aanslagen meer konden worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de Verordeningen zijn ingetrokken met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op de belastbare feiten die zich in 2023 hebben voorgedaan. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de watersysteemheffing ingezetenen geschiedt per woonruimte en dat dat in strijd is met verdragen en rechtsbeginselen, overweegt de rechtbank als volgt. De heffingsambtenaar heeft aangegeven dat de watersysteemheffing ingezetenen wordt geheven conform de bepalingen van de Waterschapswet en de geldende belastingverordening, nader ingevuld door het bestuur van het waterschap binnen de aan dit bestuur gegeven autonome bevoegdheden. In artikel 121 van de Waterschapswet wordt bepaald dat de watersysteemheffing ingezetenen wordt geheven per woonruimte naar een vast bedrag per woonruimte. De rechtbank oordeelt dan ook dat er geen strijd is met de door eiser genoemde verdragen en rechtsbeginselen. De beroepsgrond slaagt niet.

8. De overige aangevoerde beroepsgronden kunnen ook niet slagen.”

5 Beoordeling van het geschil

De aanslag waterschapsbelasting

5.1.

Belanghebbende voert een palet aan klachten aan die onder meer zien op de bevoegdheden van het waterschap, de grondslag, de kenbaarheid, de tariefstelling en de kostendekking van de waterschapsbelastingheffing. Belanghebbende concludeert onder andere tot strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met de Grondwet, met de Waterschapswet en tot ongeldigheid en het buiten toepassing laten van de desbetreffende waterschapsverordeningen en tot ongeldigheid van de aanslag. De heffingsambtenaar wijst erop dat deze klachten in bijna identieke vorm in verschillende zaken door deze gemachtigde naar voren zijn gebracht. De heffingsambtenaar heeft steeds inhoudelijk op de klachten gereageerd.

5.2.

Naar het oordeel van het Hof falen deze klachten, zoals de rechtbank in rechtsoverwegingen 4 tot en met 8 terecht heeft geoordeeld. Het Hof neemt die oordelen over en maakt deze en de gronden waarop zij berusten tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof als volgt.

5.3.

Ten eerste over de benodigde regelgevende bevoegdheden om watersysteemheffing en zuiveringsheffing te heffen:

  • Artikel 133 van de Grondwet regelt de instelling en verordenende bevoegdheden van de (besturen van de) waterschappen.

  • Artikel 110 van de Waterschapswet bevat de grondslag voor het waterschapsbestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een waterschapsbelasting door het vaststellen van een belastingverordening voor het gebied van dat waterschap.

  • Op grond van artikel 117, lid 1, van de Waterschapswet, heeft het waterschap de bevoegdheid om watersysteemheffing te heffen. Watersysteemheffing wordt geheven van ingezetenen en van hen die het genot hebben van gebouwde onroerende zaken en dient ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan het beheer van watersystemen.

  • Op grond van artikel 122d, lid 1, van de Waterschapswet, heeft het waterschap eveneens de bevoegdheid om een zuiveringsheffing in te stellen. Zuiveringsheffing wordt geheven van leden van het huishouden die een woonruimte gebruiken en dient ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater.

5.4.

Ten tweede over de kosten die met de heffingen gedekt worden:

  • Uit de in zowel artikel 117 als artikel 122d van de Waterschapswet opgenomen zinsnede ‘ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan’ volgt dat de heffingen bestemd moeten zijn om de kosten van die in de artikelen 117 en 122d beschreven, respectieve taken te dekken en dat de opbrengsten niet hoger mogen zijn dan de daarmee te financieren uitgaven.

  • Het gaat niet alleen om kostenposten die rechtstreeks samenhangen met de taken, maar daartoe behoren ook indirecte kosten die meer dan zijdelings daarmee samenhangen (HR 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990).

  • De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van belanghebbendes stellingen over de kosten gewezen op de begroting van het waterschap voor het jaar 2023, die (thans nog steeds) op de website van het waterschap is te vinden1.

  • De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar en in zijn beide verweerschriften steeds opnieuw uitgelegd dat en waarom naar zijn mening sprake is van lasten “ter zake” en heeft toegelicht waarom de opbrengstlimiet niet is overschreden. Daarbij is hij ingegaan op de taken van het waterschap en specifiek op de opmerkingen van belanghebbende over ramingen, het aantal huishoudens, de opbrengst van leges voor vergunningen, over de kosten voor kwijtscheldingen en oninbaarheid, het beheersen van lozingen en kosten van het bestuur.

  • Het Hof constateert dat de heffingsambtenaar het vereiste inzicht in de ramingen heeft verschaft en gezien de inhoud van de stellingen van belanghebbende (dat wil zeggen voor zover zij als voldoende gemotiveerde stellingen zouden moeten worden beschouwd) afdoende daarop is ingegaan om de door belanghebbende opgeworpen twijfel weg te nemen. Belanghebbende is niet in zijn bewijslast geslaagd (HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938).

  • Voor de zuiveringsheffing kan worden uitgegaan van één of drie vervuilingseenheden voor één- en meerpersoonshuishoudens (HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:416).

5.5.

Ten derde over het beheersgebied van het waterschap:

  • Artikelen 2 en 6 van de Waterschapswet regelen dat de provincies het gebied van een waterschap kunnen wijzigen.

  • De kaart die behoort bij het door de provincies vastgestelde Reglement voor het Waterschap Amstel Gooi en Vecht 2017 geeft buiten twijfel aan dat belanghebbendes adres in Amsterdam zich binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel Gooi en Vecht bevindt.

  • De heffingsambtenaar wijst ten overvloede op andere openbare informatie van de waterschappen waar belastingplichtigen kunnen opzoeken onder welk waterschap zij vallen2.

5.6.

Ten vierde over de geldigheid van de verordeningen:

  • De Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht 2023 en de Verordening Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht 2023 zijn tijdig gepubliceerd in het Waterschapsblad (Waterschapsblad 5 december 2022, nr. 13375, respectievelijk nr. 13384).

  • Artikel 111 van de Waterschapswet bepaalt aan welke kenbaarheidseisen voor de heffing een verordening dient te voldoen. De onderhavige verordeningen voldoen aan die eisen, want zij bevatten alle essentialia waaruit de belastingplichtige de omvang van zijn belastingschuld kan afleiden.

  • De verordeningen voor het jaar 2023 zijn ingetrokken op 1 januari 2024, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan (Waterschapsblad 1 december 2023, nr. 14932 en 14933).

5.7.

De klachten van belanghebbende zien tevens op het - naar zijn opvatting - niet compleet of uitvoerig genoeg ingaan door de heffingsambtenaar en rechtbank op al zijn argumenten. De heffingsambtenaar heeft erop gewezen dat het een veelheid aan formele klachten betreft. Reeds bij zijn uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar hierop inhoudelijk (en redelijk uitvoerig, zie 2.3) gereageerd. Niettemin worden sommige klachten tot in hoger beroep herhaald, terwijl daarop al een duidelijk antwoord is gegeven dat geen enkele twijfel over de juistheid van dat antwoord overlaat, zoals bijvoorbeeld het geval is met de klacht dat de woning van belanghebbende niet in het beheersgebied van het waterschap zou liggen. Ook is van bepaalde klachten niet duidelijk wat deze behelzen, of wordt naar verkeerde stukken verwezen, zoals bij de klacht over de kosten. Het gaat om generieke klachten die deze gemachtigde sjabloonmatig in diverse zaken naar voren brengt, ook in zaken waar deze evident niet spelen, terwijl hij nalaat per zaak de toepassing daarvan te concretiseren. Deze wijze van procederen draagt het risico in zich dat een klacht niet wordt behandeld die in een concreet voorliggende zaak mogelijk – mits voldoende geconcretiseerd – met succes zou kunnen worden verdedigd. Dit is het rechtstreekse gevolg van de wijze van procederen door de gemachtigde en komt derhalve voor rekening van de belanghebbende namens wie hij optreedt.

5.8.

Gelet op het onder 5.2 tot en met 5.7 overwogene komt het Hof tot de slotsom dat de aanslag waterschapsbelasting voor het jaar 2023 rechtmatig is opgelegd en dat geen reden bestaat deze te vernietigen.

Proceskosten vanwege niet horen?

5.9.

In zijn bezwaarschrift heeft belanghebbende verzocht te worden gehoord. Volgens de heffingsambtenaar is de uitnodiging voor een op 29 april 2024 te houden hoorgesprek per gewone post naar het adres van de gemachtigde van belanghebbende gezonden. De brief is niet retour gekomen. Toen op 29 april 2024 namens belanghebbende niemand verscheen, is de heffingsambtenaar er vanuit gegaan dat geen behoefte meer bestond aan het gesprek en is daarna uitspraak op bezwaar gedaan, aldus nog steeds de heffingsambtenaar.

5.10.

Anders dan de rechtbank, is het Hof van oordeel dat hiermee belanghebbendes hoorrecht is geschonden. Het gaat hier weliswaar niet om toezending van een besluit, waarvoor bepaalde bekendmakingsvereisten gelden, maar het had op de weg van de heffingsambtenaar gelegen om ofwel te zorgen voor (meer) zekerheid over het ontvangen van de uitnodiging voor het hoorgesprek, ofwel contact te zoeken met de gemachtigde nadat niemand voor het horen verscheen. Er kan onder deze omstandigheden niet rauwelijks van worden uitgegaan dat belanghebbende alsnog van het horen heeft afgezien. Er bestond in de bezwaarfase bovendien onduidelijkheid over de feiten en de daarover ingenomen standpunten, zodat belanghebbende door het niet horen is benadeeld.

5.11.

Aangezien belanghebbendes hoorrecht is geschonden, zal het Hof de uitspraak op bezwaar vernietigen, met instandhouding van de rechtsgevolgen daarvan (uit het bovenstaande volgt immers dat deze uitspraak inhoudelijk juist was). Als gevolg daarvan heeft belanghebbende recht op vergoeding van het betaalde griffierecht en in beginsel ook op een proceskostenvergoeding. Het Hof zal een proceskostenvergoeding echter niet toekennen omdat daar bijzondere omstandigheden aan in de weg staan (vgl. HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106).

5.12.

Het Hof stelt voorop dat het hoorrecht belangrijke functies kan hebben in de bezwaarfase (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 144-145):

“Allereerst biedt de bezwaarschriftprocedure in een groot aantal gevallen aan betrokkene de belangrijkste mogelijkheid mondeling zijn mening naar voren te brengen bij het bestuursorgaan. (…)Het horen kan er in de tweede plaats toe dienen om nadere informatie ter beschikking te krijgen. Zo kan blijken, dat de gegevens waarover het bestuursorgaan beschikt, nog onvolledig of gebrekkig zijn, zodat de oorspronkelijke beslissing herzien moet worden. Juist een mondelinge gedachtenwisseling kan daartoe een goede aanvulling op de tot dan toe langs andere weg verzamelde gegevens opleveren. In de derde plaats bestaat aldus de gelegenheid om meer in het algemeen naar een oplossing voor de gerezen problemen te zoeken. Die oplossing kan bestaan uit het tegemoet komen aan het bezwaar maar kan ook een ander karakter hebben. Zo kan de betrokkene gewezen worden op een andere weg om het door hem beoogde resultaat te bereiken, of kan in gezamenlijk overleg een compromis tot stand worden gebracht dat zonder hoorzitting wellicht niet bereikt zou zijn. Ten slotte is het horen voor de burger van belang, omdat hij ervan overtuigd kan raken dat aan zijn bezwaren ernstig aandacht is besteed. Zo hij al geen gelijk krijgt, kan hem toch duidelijk worden dat met zijn standpunt rekening is gehouden. Soms kan hem op de hoorzitting duidelijk zijn geworden om welke reden niet aan zijn bezwaar tegemoet kan worden gekomen. Door uitwisseling van informatie en wederzijdse standpunten kan het vertrouwen van de burger in de overheid worden versterktHet horen schept aldus niet slechts waarborgen voor de belanghebbende, maar ook voor het orgaan, dat zich ervan kan vergewissen te beschikken over alle relevante informatie die nodig is om tot zorgvuldige heroverweging en besluitvorming te komen. Op deze wijze kan het horen ertoe bijdragen, dat zowel de besluitvorming bij het bestuur beter wordt onderbouwd door de alsnog ter beschikking gekomen informatie, als een tijdrovende procedure voor een administratieve rechter wordt voorkomen.”

5.13.

Het Hof maakt uit de stukken van het geding op dat het (de gemachtigde van) belanghebbende echter helemaal niet te doen was om daadwerkelijk te worden gehoord. Dat maakt het Hof op uit de volgende omstandigheden. Er is na het verzoek om een hoorgesprek geen contact gezocht met de heffingsambtenaar, ook niet nadat via de uitspraak op bezwaar duidelijk werd dat de gemachtigde het hoorgesprek had gemist. Zowel bij de rechtbank als bij het Hof is geen gebruik gemaakt van het recht om op de zitting de zaak mondeling toe te lichten of een van de andere in 5.12 verwoorde doelen te dienen. Belanghebbendes gemachtigde verzoekt in deze procedure op geen enkel moment om alsnog te worden gehoord of om terugwijzing. Hij verzoekt slechts om vergoeding van proceskosten. Het in deze overweging beschreven gedrag en de onder 5.7 beschreven wijze van procederen, leiden het Hof tot de constatering dat het bij het horen om een louter formele klacht gaat. Een klacht die er enkel op is gericht om proceskostenvergoeding te verkrijgen. Indien louter formele klachten worden aangevoerd, die niet de rechtsbescherming (inclusief de in 5.12 verwoorde belangen) dienen maar worden aangevoerd met het enkele oogmerk om proceskostenvergoedingen te incasseren vormt dat een bijzondere omstandigheid die in de weg staat aan het vergoeden van proceskosten in dit geval.

Slotsom

5.14.

Het hoger beroep is gegrond, evenals het beroep, uitsluitend vanwege de schending van het hoorrecht. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, maar met instandhouding van de rechtsgevolgen. De aanslag waterschapsbelasting 2023 blijft in stand.

6 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het voor de procedure bij de rechtbank en het Hof betaalde griffierecht van € 194 (€ 51 + € 143).

7 Beslissing

Het Hof:

  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar en bepaalt dat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand blijven;

  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 194 dient te vergoeden, en

  • beslist dat, indien dat bedrag niet tijdig wordt uitbetaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.

De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, H.E. Kostense en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 25 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

  2. (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »