ECLI:NL:GHAMS:2026:2693

Datum uitspraak
22-09-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.353.012/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewijswaardering; het hof oordeelt – anders dan de rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2024:7834 en ECLI:NL:RBAMS:2024:4847) – dat de gestelde vervalsing van een bankafschrift door een hypotheekadviseur niet is komen vast te staan. Ook overigens is er geen sprake van een tekortkoming in de nakoming van de opdracht die ontbinding en schadevergoeding rechtvaardigt. De daarop gegronde vorderingen worden afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.353.012/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/728664 / HA ZA 23-83

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 september 2026

in de zaak van

[appellant] h.o.d.n [bedrijf] ,

wonend in [plaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. A.J.C.L. Pals-Rubbens te Etten-Leur,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [plaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.J. Boogers te 's-Hertogenbosch.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 De zaak in het kort

[geïntimeerde] stelt dat zijn hypotheekadviseur [appellant] een bankafschrift heeft vervalst ten behoeve van het verkrijgen van een hypotheek bij hypotheekverstrekker Obvion en vordert ontbinding van de opdrachtovereenkomst en schadevergoeding. De rechtbank heeft (na bewijslevering) geoordeeld dat de vervalsing door [appellant] is komen vast te staan, waarmee sprake is van een tekortkoming die ontbinding van de overeenkomst en een schadevergoeding rechtvaardigt. Daartegen richt zich het hoger beroep.

Het hof komt – anders dan de rechtbank – tot het oordeel dat de vervalsing door [appellant] niet is komen vast te staan en wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af, behoudens ten aanzien van de meerwerkkosten die [appellant] ten onrechte in rekening heeft gebracht.

2 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 10 maart 2025 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 12 juli 2023, 19 juni 2024 en 11 december 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde (hierna: de bestreden vonnissen).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met productie.

Op 3 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellant] heeft de zaak laten toelichten door mr. Pals-Rubbens, voornoemd. [geïntimeerde] heeft de zaak laten toelichten door mr. Boogers, voornoemd. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. [geïntimeerde] heeft een akte ter rolle (wijziging gevorderd bedrag proceskosten) ingediend, die hij voorafgaand aan de zitting had toegezonden. [appellant] heeft nog aanvullende producties in het geding gebracht.

Vervolgens is de zaak aangehouden voor beraad partijen, waarna arrest is gevraagd. Bij rolbeslissing van 2 april 2026 is een nadere akte van [geïntimeerde] geweigerd.

3 Feiten

In de rechtsoverwegingen 2.1 t/m 2.23 van het tussenvonnis van 12 juli 2023 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geding wordt uitgegaan. Met grief 1 wordt deze vaststelling bestreden. Met inachtneming van deze grief stelt het hof als volgt de feiten vast die voor zijn beslissing in deze zaak relevant zijn.

3.1.

[appellant] houdt zich met zijn eenmanszaak [bedrijf] bezig met financieel advies op het gebied van inkomens- en vermogensplanning, hypotheek en pensioen. Zijn zoon [naam 1] (hierna ook: de zoon van [appellant] ) is werkzaam bij [bedrijf] .

3.2.

[geïntimeerde] en [appellant] hebben in juni 2022 contact met elkaar gehad over de mogelijkheden van financiering van de aankoop van een boot.

3.3.

Bij e-mail van 18 augustus 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] (onder meer) geschreven:

“Een aantal weken geleden zijn we bezig geweest met een stuk hypotheekverhoging m.b.t. de aanschaf van een boot (…)

Ik heb, samen met mijn partner besloten om de boot even naar de toekomst te verschuiven en ons te focussen naar een nieuwe woning (…) Afgelopen week hebben we een pand, dat we al langer op het oog hadden, bezocht en hebben we een principeakkoord met de verkopende makelaar bereikt. (…)

Nu zal de nieuwe woning moeten worden verbouwd, hoofdzakelijk inpandig, waarvoor een budget van 225k-250k benodigd is.

Wens is om 600k aan hypotheek te krijgen (…), met 550k zouden we in principe ook moeten uitkomen (…)”

3.4.

Op 18 augustus 2022 hebben [geïntimeerde] en [appellant] een overeenkomst gesloten (hierna: de opdrachtovereenkomst). Op grond van deze opdrachtovereenkomst staat [appellant] [geïntimeerde] bij als hypotheekadviseur bij het verkrijgen van een hypotheek in verband met de koop van de woning aan de [straat 1] 20 te [plaats 2] (hierna: de woning).

3.5.

In de opdrachtovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Hoogte van onze beloning

U heeft aangegeven het belangrijk te vinden vooraf te weten wat onze werkzaamheden precies gaan kosten zodat er achteraf geen onduidelijkheid zal bestaan. Zoals met u afgesproken zullen wij onze werkzaamheden, zoals in deze opdrachtbevestiging omschreven, geheel voor u uitvoeren voor:

Advies- en bemiddeling hypotheek

Bedrag

Oriëntatie en informatie

Voor onze rekening

Inventarisatie en analyse

€ 2.650,00

Advies en motivatie

€ 2.350,00

Offerte aanvragen

€ 500,00

Acceptatie en finaal akkoord

€ 495,00

Totaalbedrag

€ 5.995,00,- (vrijgesteld van BTW)

(…)

Akkoordverklaring

U verklaart met ondertekening van deze opdracht tot dienstverlening tevens dat u de navolgende documenten heeft bekeken op onze website en van de inhoud ervan kennis heeft genomen Het betreft de navolgende documenten:

Dienstenwijzer en algemene voorwaarden van ons kantoor (…)”

3.6.

[appellant] hanteert algemene voorwaarden (hierna: Algemene Voorwaarden), waarvan artikel 6.1 en 6.3 als volgt luiden:

“Artikel 6: Honorarium en betaling

6.1

Het voor haar dienstverlening aan [bedrijf] toekomende honorarium voor het financieel product vallend onder de definitie van schadeverzekering kan inbegrepen zijn in de aan Opdrachtgever door financiële instelling in rekening te brengen bedrag. Voor overige financiële producten kan tussen [bedrijf] en Opdrachtgever een uurtarief, vast honorarium, abonnement [bedrijf] tarief of een combinatie worden overeengekomen. Partijen maken hier steeds op voorhand afspraken over.

(…)

6.3

[bedrijf] is gerechtigd overeengekomen tarieven tussentijds te verhogen wanneer zich na het accepteren van de Opdracht stijgingen voordoen in de kosten van materialen of diensten die voor de uitvoering van de Opdracht nodig zijn, en/of van andere kosten, welke de kostprijs van [bedrijf] beïnvloeden.

(…)”

3.7.

Nadat [geïntimeerde] de opdracht had verstrekt, heeft [appellant] het afgesproken bedrag van € 5.995,00 gefactureerd. [geïntimeerde] heeft de factuur op 18 augustus 2022 voldaan.

3.8.

Op 24 augustus 2022 heeft [geïntimeerde] een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de koop van de woning onder de ontbindende voorwaarde van financiering.

3.9.

Bij e-mailbericht van 24 augustus 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Ik koop het huis met mijn partner, zoals je hebt kunnen zien in de koopovereenkomst. Volgens mij heb je echter geen gegevens van haar? Heb je die niet nodig dan? Nu is het zo, dat zij een BKR registratie heeft vanuit het verleden. (…) Of moet ik het huis in mijn eentje kopen om problemen te voorkomen? Graag even jouw advies hoe nu te handelen.”

3.10.

Bij e-mailbericht van 24 augustus 2022 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven:

“Op het inventarisatie formulier wat je in beginsel naar ons hebt gemaild daar heb je zelf de gegevens van je partner niet ingevuld. Wij gaan er dan in beginsel vanuit dat je alleen wilt gaan kopen en niet met je partner. Als je toch wilt dat je jouw partner mee gaat kopen dan is een negatieve BKR-codering op haar naam niet toegestaan. (…)”

3.11.

Bij e-mailbericht van 28 augustus 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Ik heb natuurlijk alle stukken ook van mijn partner [naam 2] , maar vanwege haar BKR registratie kunnen we daar niets mee hé? Ik koop, zoals samen besproken, het huis in mijn eentje om die reden, maar ze genereerd natuurlijk wel jaarlijks inkomsten binnen ons gezin (22k). Als jij onverhoopt toch die stukken nodig hebt, laat het maar weten. (…)”

3.12.

Bij e-mailbericht van 1 september 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Ik heb begrepen, dat BKR registratie binnen twee dagen wordt verwijderd. Mochten jullie nog aanvullende stukken voor het dossier nodig hebben, dan hoor ik het graag!”

3.13.

Bij e-mailbericht van 26 september 2022 heeft de zoon van [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven:

“Heb je voor mij nog een recent bankafschrift met voldoende eigen middelen erop? De geldverstrekker wil namelijk een bewijs hebben van de betaalbaarheid van de dubbele lasten.

De huidige bruto maandlasten zijn € 2.360, - x 12 = € 28.320, - kan je deze aantonen, mag ook van zakelijke rekening zijn en/of prive. Anders hebben we verder contact over hoe we dit kunnen oplossen.”

3.14.

Bij e-mailbericht van 29 september 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een printscreen gezonden van de saldi van zijn bankrekeningen. Daarop heeft de zoon van [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Helaas zijn printscreens niet acceptabel voor de geldverstrekker, dit dienen recente bankafschriften te zijn, mag alleen van het voorblad, dus ik hoef niet alle transacties te zien.

(…)”

3.15.

Bij e-mailbericht van 29 september 2022 heeft [geïntimeerde] aan de zoon van [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“Ik heb geprobeerd de rekeningafschriften uit het systeem te krijgen, maar krijg steeds foutmeldingen.

In de print screen staan de bedragen, alle rekeningnummers en de datum. Wellicht gewoon meesturen, als ze echt moeilijk doen, dan kunnen we dit altijd nog nasturen. Ik zal die dan bij de bank moeten opvragen, want dit (systeem) probleem (met de opvragen van bankafschriften) heb ik al langer… Lukt dus sowieso niet voor morgen. (…)”

3.16.

[appellant] heeft bij hypotheekverstrekker Obvion N.V. (hierna: Obvion) een hypotheekaanvraag voor [geïntimeerde] ingediend. Bij brief van 13 oktober 2022 heeft Obvion het volgende aan [appellant] geschreven:

“(…)

Uw hypotheekaanvraag voldoet helaas niet aan onze voorwaarden. Daarom wijzen wij uw hypotheekaanvraag af.

Het inkomen voldoet niet aan onze acceptatievoorwaarden.

(…)”

3.17.

Bij e-mailbericht van 13 oktober 2022 heeft [appellant] het volgende aan [geïntimeerde] geschreven:

“Wij hebben vandaag van de hypotheekbank Obvion de terugkoppeling gekregen dat ze helaas niet bereid zijn de gevraagde hypotheek te vertrekken.

In de bijlage sturen wij de formele afwijzing door die u nodig hebt om de getekende koopovereenkomst kosteloos te ontbinden.”

3.18.

Na afwijzing van de (eerste) hypotheekaanvraag is de aanvraag aangepast. Daarbij heeft [appellant] met [geïntimeerde] besproken dat Obvion de enige hypotheekverstrekker is bij wie het gewenste hypotheekbedrag inclusief het gewenste verbouwingsdepot van € 190.000,00 kan worden verkregen.

3.19.

Rond 17 oktober 2022 heeft [geïntimeerde] een bericht ontvangen van de verkopende makelaar van de woning dat de termijn waarbinnen de ontbindende voorwaarde inzake het financieringsvoorbehoud kan worden ingeroepen, is verlengd tot en met 28 oktober 2022.

3.20.

Bij brief van 20 oktober 2022 heeft Obvion het volgende aan [appellant] geschreven:

“Voor uw klant(en) [geïntimeerde] heeft u bij Obvion N.V. een aanvraag gedaan voor de Obvion Woon Hypotheek. (…) Om deze aanvraag verder te kunnen beoordelen, hebben wij nog de volgende documenten nodig:

(…)

- Bankafschrift met saldo is te laag voor dubbele woonlasten. Minimale bedrag is € 54.186,24

(…)”

3.21.

Diezelfde dag hebben [appellant] en [geïntimeerde] vanaf 16:14 uur (gedurende 19 minuten en 24 seconden) en vanaf 17:49 uur (gedurende drie minuten en 49 seconden) telefonisch contact gehad.

3.22.

Bij e-mailbericht van 21 oktober 2022 heeft [appellant] het volgende aan [geïntimeerde] geschreven:

“Gisteravond heb ik je duidelijk gemaakt dat wij het dossier ter finaal akkoord gaan afronden, zodat wij uiterlijk voor vandaag 11 uur van jou per mail bevestigd willen hebben of je de keuze maakt of je met of zonder je partner de woning wilt gaan kopen.

(…) Voor de duidelijkheid is het in beide opties met zekerheid dat wij de hypotheek vertrekking geregeld krijgen.

Aanvullend heb ik eerder deze week al aangegeven dat er sprake zal zijn van meer werkzaamheden. Als je de keuze maakt dat je toch alleen wilt kopen dat zullen wij je vandaag nog een factuur per mail sturen voor 8 uur- meer werkzaamheden. Als jij je met partner wilt gaan kopen dan zullen wij nog de extra nodige werkzaamheden moeten gaan verrichten en dan komen we uit op totaal 12- meerwerk.

In beide gevallen dien je de factuur uiterlijk vandaag voor 14.00 worden voldaan zodat wij het hypotheekdossier tijdig kunnen afronden.”

3.23.

Bij e-mailbericht van 21 oktober 2022 heeft [geïntimeerde] het volgende aan [appellant] geschreven:

“(…) Bij deze wil ik je bevestigen, dat [naam 2] zal worden toegevoegd als koper van het pand. Anders heeft het geen enkele zin om het pand aan te schaffen. Wij zullen dus met zijn tweeën kopen. Ik zal de makelaar vragen het koopcontract aan te passen en ik zal de door [de zoon van [appellant] ] gevraagde stukken z.s.m. aanleveren. Graag ontvang ik, na afronding van de werkzaamheden, het complete dossier en een urenspecificatie, zodat ik zicht heb op wat er nu gebeurd is. (…)”

3.24.

Op 21 oktober 2022 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] een factuur gestuurd voor meerwerk (hierna: de meerwerkfactuur) voor een bedrag van € 2.100,00. Op de meerwerkfactuur staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Deze kosten hebben betrekking op de mutatie- aanvraagkosten voor de toevoeging van de partner in de hypotheekaanvraag, vallend onder artikel 6 van onze algemene voorwaarden. (...)”

3.25.

In de periode tussen 21 en 28 oktober 2022 hebben [geïntimeerde] en [appellant] via Whatsapp onder meer de volgende berichten uitgewisseld over de meerwerkfactuur die uiteindelijk door [geïntimeerde] is betaald:

“ [appellant] : ‘Beste [ [geïntimeerde] ] , het kan zijn dat je het er niet mee eens bent maar ik verwijs je toch heel duidelijk naar onze algemene voorwaarden want die zijn duidelijk en in de getekende opdracht tot dienstverlening (OTD) staat ook duidelijk en transparant in dar we aanvullend verwijzen naar de algemene voorwaarden .

Ik raad je aan om de factuur inzake het meerwerk tijdig te voldoen zodat wij door kunnen gaan met de finale afrond van het explain dossier.

Het financiële eindrapport zullen wij naar jou versturen zodat alle cijfers na de nieuwe aanvullende mutatie verwerkt zijn’

[geïntimeerde] : ‘[ [appellant] ], ik ga hierover niet verder met je in discussie. Je reactie gaat mij alle perken te buiten. Ik verwacht morgen het financieel rapport, betreffende de afwijzing, dat ik feitelijk al had moeten hebben, een urenspecificatie, alsmede worden alle werkzaamheden per direct stopgezet. Ik ga het Kifid inschakelen en ben benieuwd naar hun reactie.’

[appellant] : ‘[ [geïntimeerde] ], ik zou als ik jou was maar eens goed nadenken wat je nu zegt want er is geen sprake van een afwijzing. Verdiep je eerst maar eens hoe dergelijke zaken gaan voordat je gaat schreeuwen.

Als je bij je standpunt blijft dan zullen wij zorgen dat je de bindende offerte gaat krijgen gebaseerd op jou inkomen.

De factuur inzake meerwerk zullen uiteraard tijdig volstaan moeten worden.

Incl partner kunnen we 190k verbouwing realiseren, zoals besproken en getoetst door [de zoon van [appellant] ]. Indien we de aanvraag enkel op jouw inkomen moeten meenemen dan kunnen we 40k verbouwing aanhouden.

Ze maar welke kant je op wilt ??”

Op 28 oktober 2022 herhaalde [appellant] dat de financiering voor elkaar komt.

3.26.

Op 28 oktober 2022 is het voorbehoud van financiering onder de koopovereenkomst voor de woning verlopen.

3.27.

Op 31 oktober 2022 om 10:14 uur hebben partijen telefonisch contact gehad over de voor de financiering benodigde stukken. Op diezelfde dag is volgens de informatie van ABN AMRO een bankafschrift opgemaakt.

3.28.

Op 2 november 2022 om 11:59 uur heeft de zoon van [appellant] een bankafschrift geüpload in het systeem van Obvion.

3.29.

Op 4 november 2022 mailde [geïntimeerde] aan de zoon van [appellant] onder meer:

“Ik ben even verbaasd, dat er wederom vragen zijn? Je had aangegeven, dat alles nu definitief rond was? Inmiddels had ik de stukken al verwacht.”

3.30.

Op 17 november 2022 heeft de afdeling Veiligheidszaken van Obvion met [geïntimeerde] contact opgenomen en hem vragen gesteld over de door Obvion ontvangen bankafschriften voor de hypotheekaanvraag. Bij e-mailbericht van 18 november 2022 heeft Obvion (onder meer) het volgende aan [geïntimeerde] geschreven:

“(…) Naar aanleiding van ons telefoongesprek van hedenmiddag bericht ik u als volgt. ABNAMRO heeft vandaag aangegeven dat bijgaand rekeningoverzicht niet overeenkomt met de werkelijkheid (…)

U hebt aangegeven dat u erg geschrokken bent en dat u geen bankafschrift heeft vervalst, waarbij ik u heb aangegeven dat de klant verantwoordelijk is voor de aangeleverde stukken. Ik heb uw aangegeven dat de eigenaar van het advieskantoor [bedrijf] mij gisteren telefonisch heeft aangegeven dat u het bankafschrift fysiek op kantoor heeft afgegeven, waarna dit is geüpload in het archief van het advieskantoor en naar Obvion en daarna weer door u is meegenomen. Het fysieke bankafschrift is niet meer in bezit van het advieskantoor. Obvion heeft het bankafschrift(bestand) ontvangen op 2 november 2021 via het portal. U heeft aangegeven dat u geen fysiek bankafsschrift heeft afgegeven en nog nooit op het advieskantoor bent geweest, niet weet hoe de adviseur en eigenaar eruit zien en dat u geen adviesgesprek heeft gehad. U gaf aan dat zij een kantoor in Eindhoven en Amsterdam hebben en dat u viavia aan dit advieskantoor bent gekomen. (…)”

4 Procedure bij de rechtbank

4.1.

Samengevat heeft [geïntimeerde] bij de rechtbank (na eiswijziging) gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (I) voor recht verklaart dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van de opdrachtovereenkomst althans onrechtmatig heeft gehandeld, en aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] daardoor lijdt, (II) de opdrachtovereenkomst ontbindt en [appellant] veroordeelt tot (III) betaling van een bedrag van € 8.095,00 aan [geïntimeerde] , (IV) vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade van € 286.177,54, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente, en (V) vergoeding van de werkelijke dan wel forfaitaire proceskosten, te vermeerderen met rente.

4.2.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 12 juli 2023 voorshands bewezen geacht dat [appellant] een bankafschrift van [geïntimeerde] heeft vervalst en [appellant] in de gelegenheid gesteld dit bewijsvermoeden te ontzenuwen door middel van het leveren van tegenbewijs. [appellant] heeft hierna op 30 oktober 2023 een tweetal getuigen doen horen, zijn zoon [naam 1] en [naam 3] , beveiliger bij het kantoorpand van [appellant] . Daarop heeft [geïntimeerde] een drietal getuigen doen horen in contra-enquête, [naam 4] en [naam 5] en [geïntimeerde] zelf als partij-getuige.

4.3.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 19 juni 2024 geoordeeld dat [appellant] niet in het tegenbewijs is geslaagd, waarmee de vervalsing van een bankafschrift door [appellant] (en de tekortkoming) volgens de rechtbank was komen vast te staan. Bij akte van 17 juli 2024 heeft [appellant] een “Rapport technisch onderzoek [bedrijf] ” van DigiJuris in het geding gebracht (hierna ook: “Rapport DigiJuris”). De rechtbank heeft wegens strijd met de eisen van een goede procesorde het Rapport DigiJuris niet in haar verdere beoordeling betrokken.

4.4.

De rechtbank heeft bij eindvonnis van 11 december 2024 de opdrachtovereenkomst ontbonden, de schadevorderingen van [geïntimeerde] gedeeltelijk toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] een bankafschrift van [geïntimeerde] heeft vervalst, waarmee een tekortkoming in de nakoming van de opdrachtovereenkomst is komen vast te staan die ontbinding rechtvaardigt en [geïntimeerde] aanspraak geeft op vergoeding van de in verband hiermee geleden schade. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van: (1) een bedrag van € 8.095,00 (het door [geïntimeerde] betaalde bedrag voor dienstverlening door [appellant] inclusief de meerwerkfactuur), (2) een bedrag van € 4.976,95 (schadevergoeding), met rente, (3) een bedrag van € 1,661,50 (buitengerechtelijke kosten), met rente en (4) een bedrag van € 21.357,57 (daadwerkelijk gemaakte proceskosten tot aan het tweede tussenvonnis), met rente. Tot slot heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld in de overige (forfaitair vastgestelde) proceskosten, met rente.

5 Vordering in hoger beroep

5.1.

[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] en veroordeling van [geïntimeerde] tot: (1) terugbetaling van het bedrag dat door [appellant] naar aanleiding van de bestreden vonnissen aan [geïntimeerde] is voldaan, zijnde een bedrag van € 38.026,15, met rente, (2) betaling van de onderzoekskosten van [appellant] (waaronder de kosten van DigiJuris, zijnde een bedrag van € 5.162,48), met rente, en (3) betaling van de werkelijke proceskosten in beide instanties, tot aan de zitting in hoger beroep begroot op een bedrag van € 42.003,88, althans de forfaitair vast te stellen proceskosten in beide instanties, met rente.

5.2.

Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen, de grieven verwerpen en de bestreden vonnissen bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de (werkelijke) kosten van het geding in hoger beroep, door hem begroot op een bedrag van € 15.242,72, met nakosten en rente.

6 Beoordeling

6.1.

[appellant] komt met één algemene grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij een bankafschrift van [geïntimeerde] heeft vervalst. Daarnaast heeft [appellant] afzonderlijke grieven geformuleerd tegen de feiten (grief 1), de bewijslastverdeling en het bewijsvermoeden (grief 2), de bewijswaardering (grieven 3 en 4), het oordeel over het meerwerk (grief 5), het oordeel over het bewijsaanbod (grief 6) en de proceskostenveroordeling (grief 7). Grief 8 betreft een slotgrief.

6.2.

Het hoger beroep van [appellant] is in de kern gericht tegen de bewijswaardering door de rechtbank en het feit dat de rechtbank daarbij het rapport van DigiJuris niet heeft betrokken. Dit rapport is in hoger beroep alsnog (dat wel zeggen: nu wel tijdig) in het geding gebracht. Het hof zal in het licht van de grieven beoordelen of [geïntimeerde] het bewijs van zijn stellingen heeft geleverd en of zijn vorderingen kunnen worden toegewezen.

6.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bankafschrift dat de zoon van [appellant] op 2 november 2022 heeft geüpload in het systeem van Obvion vervalst was. [geïntimeerde] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [appellant] de datum en het saldo van een eerder door [geïntimeerde] verstrekt bankafschrift heeft aangepast en vervolgens dat vervalste bankafschrift heeft ingediend bij Obvion. Tussen partijen is – terecht – niet in geschil dat op grond van artikel 150 Rv op [geïntimeerde] de bewijslast rust van deze stelling. In dat verband overweegt het hof als volgt.

Rapport DigiJuris

6.4.

Het enige technische bewijs in deze zaak is aangeleverd door [appellant] en wel in de vorm van het rapport van DigiJuris. [appellant] heeft zijn computer ter beschikking gesteld. Anders dan [geïntimeerde] ter zitting van het hof heeft gesuggereerd, is onjuist dat DigiJuris niets relevants heeft aangetroffen. DigiJuris heeft onderzoek verricht naar een bestand op het bureaublad van de computer (HP Desktop) van [appellant] met de naam “Bewijs eigen middelen-dubbele lasten ̲Geredigeerd.pdf” en naar systeem-bestanden of User activity bestanden. Op de HP Desktop van [appellant] is één duplicaat aangetroffen met de volgende locatiegegevens (onderstreping hof): [locatiegegevens] . De OneDrive is een cloud-opslagdienst. Dit onderzoek naar het bestand en het duplicaat levert naar de in zoverre onvoldoende bestreden uitleg van [appellant] de volgende bevindingen op:

• De eigenschappen van het bestand in de OneDrive en de computer zijn gelijk en

hebben dezelfde Hashwaarde (digitale vingerafdruk);

• Zowel het bestand op het bureaublad als het duplicaat in de OneDrive vermeldt als creator/maker [mail] ;

• Het bestand is op 2 november 2022 om 10:52:00 uur gecreëerd en om 11:52:00 uur voor het laatst aangepast en om 11:56:34 uur naar het bureaublad van de HP Desktop gekopieerd;

• Uit de technische waardes van het bestand valt op te maken dat het bestand is aangepast via een webbrowser (Generator), waarbij het rapport verwijst naar twee websites die gebruikt worden om Pdf-bestanden te kunnen bewerken.

Verder constateert het hof het volgende. Het onderzoek naar de aangesloten externe schijven heeft geen relevante resultaten opgeleverd, wat mede het gevolg zal zijn van het feit dat uit het rapport blijkt dat de registratie van aangesloten externe harde schijven niet verder teruggaat dan 9 maart 2023 volgens de gebruikte onderzoek software. Het onderzoek naar de activiteit op de HP Desktop rondom 2 november 2022 heeft ook geen resultaten opgeleverd. Het onderzoek naar bestanden met soortgelijke namen heeft een aantal verschillende resultaten opgeleverd, waaronder het openen op 9 juli 2024 en 15 juli 2024 van het (duplicaat van het) bestand en een Windows Shortcut File met datum 9 juli 2024 die aangeeft dat er een bestand op het bureaublad heeft gestaan met dezelfde omvang als het onderzochte bestand.

6.5.

In dit rapport van 1 augustus 2024 stelt DigiJuris het volgende voorop:

“1. Aanleiding

DigiJuris (…) is verzocht door [bedrijf] (…) technisch onderzoek te verrichten naar een bestand (hierna: Bestand) welke zich op een werkcomputer van [bedrijf] bevindt. Dit Bestand is op de computer gezet om vervolgens geüpload te worden naar een portal van Obvion via een webbrowser. Het verzoek is om te achterhalen welke data het Bestand (bijvoorbeeld de metadata) en de computer bevat, zodat inzicht kan worden verkregen in het antwoord op de vraag of het Bestand is aangepast van het moment van het op de computer zetten en het uploaden naar de portal van Obvion.”

DigiJuris komt tot de volgende conclusie en aanbevelingen:

“5. Conclusie

Het onderdeel van de metadata van het Bestand “File Created” indiceert dat het Bestand op een “normale” manier naar het bureaublad van de HP Desktop is gekopieerd op 2 november 2022 om 11:56:34. Hiernaast is het Bestand, volgens de metadata van dit Bestand, op 2 november 2022 om 10:52:00 gecreëerd en exact een uur later voor het laatst aangepast. Het Bestand is gegenereerd door pdftk 2.02 en pdf-lib door de maker [mail] .

De twee internet geschiedenis bestanden en het Windows Shortcut bestand, uitgelicht in de resultaten en bijlagen, indiceren dat er kopieën zijn gemaakt en aanpassingen zijn gedaan aan het desbetreffende Bestand. Maar dit is ver na het uploaden van het Bestand op 2 november 2022 gedaan. De bestanden indiceren dat dit op 9 en 15 juli 2024 heeft plaatsgevonden.

6. Aanbevelingen

Om de authenticiteit van de metadata van het Bestand te verifiëren heeft DigiJuris verzocht om het naar de Obvion geüploade bestand op te vragen en deze te onderzoeken en te vergelijken met de bevindingen van dit rapport. Op deze manier kon er wellicht met zekerheid gezegd worden of het onderdeel “File Created” van de metadata van het Bestand niet tussen 2 november 2022 en 15 juli 2024 nog is aangepast.

[bedrijf] (of haar advocaten) hebben dit bestand opgevraagd aan Obvion en aangeleverd aan ons. Dit bestand is onderzocht en was niet te vergelijken met het Bestand doordat deze gegenereerd werd door de software van Obvion zelf. Hierdoor was de metadata niet geschikt doordat de tijdindicaties allen van het moment van aanleveren waren (juli 2024).

[bedrijf] heeft contact gehad met de technische afdeling van Obvion, die verklaarde dat het vergelijken van de metadata met het bestand bij Obvion geen zin had doordat na het uploaden het originele bestand niet beschikbaar meer is.”

6.6.

[appellant] concludeert dat uit het rapport volgt dat [geïntimeerde] het bestand heeft gecreëerd (de maker van het bestand is) en dat het bestand op 2 november 2022 om 11:56:43 uur op het bureaublad van de computer van [appellant] is gekopieerd waarna het door [appellant] ongewijzigd is geüpload naar de OneDrive, voordat het op de server van Obvion is geplaatst. [appellant] voert aan dat hij aanvankelijk dacht dat het bankafschrift fysiek op zijn kantoor was afgegeven, maar dat hij nader van zijn zoon heeft begrepen dat die het bestand op 2 november 2022 – onaangekondigd op een usb-stick door [geïntimeerde] overhandigd heeft gekregen. Volgens [appellant] is het onmogelijk om in de paar minuten tussen het moment dat het bestand op zijn computer werd geplaatst en het uploaden van het bestand op de server van Obvion de vervalsing uit te voeren die [geïntimeerde] aan zijn vorderingen ten grondslag legt. Verder kan volgens [appellant] uit het rapport worden afgeleid dat het bestand vóór 10:52 uur is gewijzigd via een website (www.pdftk.com en pdf-lib (https://github.com/Hopding/pdf-lib)), terwijl gebleken is dat [geïntimeerde] op zijn computer een snelkoppeling in zijn webbrowser heeft naar een website ‘PDF naar DOC’. Het bankafschrift is aangemaakt door middel van een gelijkwaardige methode/webbrowser-toepassing, aldus [appellant] .

6.7.

[geïntimeerde] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die het hof ertoe nopen om de bevindingen van DigiJuris terzijde te schuiven, zodat het hof van de juistheid ervan zal uitgaan. Het had in het licht van de bevindingen van DigiJuris en de op basis daarvan door [appellant] ingenomen stellingen op de weg van [geïntimeerde] gelegen om tegenover het rapport van DigiJuris concrete feiten of omstandigheden te stellen en te bewijzen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat niet [geïntimeerde] maar [appellant] de maker is van het bestand, of dat het door [geïntimeerde] gecreëerde bestand door [appellant] is gewijzigd, voordat het is geüpload naar de server van Obvion. [geïntimeerde] heeft dit nagelaten.

6.8.

[geïntimeerde] heeft weliswaar gewezen op de mogelijkheid, die ook het rapport van DigiJuris niet uitsluit, dat het daadwerkelijk aan Obvion verstrekte bestand afwijkt van het door DigiJuris onderzochte bestand, waarbij [geïntimeerde] suggereert dat het onderzochte bestand is gemanipuleerd, maar hij heeft niets concreets aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De enkele opmerking dat metadata toevoegen of aanpassen aan een pdf bestand via allerlei bronnen kan, en dat een persoon van Digitale Opsporing B.V. in reactie op het rapport van DigiJuris aan [geïntimeerde] heeft aangeven dat daarvoor zelfs gratis websites beschikbaar zijn, is hiertoe in elk geval niet voldoende. [geïntimeerde] heeft [appellant] in dit verband weliswaar verweten dat hij pas in juli 2024 contact heeft opgenomen met Obvion, maar daarmee miskent [geïntimeerde] dat op hem de bewijslast rust van de gestelde vervalsing door [appellant] van het bankafschrift en dat het dus aan hem was om contact op te nemen met Obvion teneinde bewijs van de vervalsing door [appellant] te vergaren. Dat de gewenste gegevens niet (meer) door Obvion kunnen worden aangeleverd, komt voor risico van [geïntimeerde] .

6.9.

De stelling van [appellant] dat het bestand is gewijzigd door middel van een webbrowser-toepassing die ook bij [geïntimeerde] in gebruik is, is door [geïntimeerde] niet voldoende weersproken. De verklaring van [geïntimeerde] ter zitting dat hij geen Microsoft-account heeft dat is gekoppeld aan zijn gmail-adres, dient op grond van de tweeconclusieregel buiten beschouwing te blijven. Bovendien had hij dit nader moeten toelichten gezien nr. 16 van de antwoordakte van 28 augustus 2024 waarin namens [geïntimeerde] is aangevoerd dat vrijwel alle documenten die hij aan [appellant] heeft verstuurd, zijn verstuurd vanuit zijn privé-emailadres: [mail] en dat zijn account of PDF-software mogelijk ook aan dat e-mailadres is gekoppeld. [geïntimeerde] heeft daarenboven niet zijn eigen computer ter onderzoek aangeboden aan een deskundige.

6.10.

Uit de bijlage bij het rapport van DigiJuris blijkt dat het bestand om 11:52 uur ‘last modified’ was. In dat licht heeft [appellant] geopperd dat [geïntimeerde] in de auto het bestand nog kan hebben aangepast om het daarna aan de zoon van [appellant] te overhandigen. Zoals namens [appellant] ter zitting – onweersproken – is gesteld kan ‘modified’ ook betrekking hebben op het plaatsen van het bestand op een usb-stick. [geïntimeerde] heeft betoogd dat dit scenario onwaarschijnlijk is, gelet op de vele handelingen die in korte tijd verricht moesten worden. [appellant] heeft geopperd wat er mogelijk gebeurd kan zijn op het moment van de laatste wijziging. Het is echter niet aan [appellant] om te stellen en te bewijzen wie het bestand om 11:52 uur heeft gewijzigd, wat dit inhield en waar dat gebeurde. De stelplicht en bewijslast rusten immers op [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft gesteld dat het heel goed mogelijk is dat de zoon van [appellant] om 10:52 uur is gestart met het bewerken van het document en de laatste aanpassingen daaraan op 11:52 uur heeft gedaan. Dit scenario volgt echter niet uit het rapport van DigiJuris en [geïntimeerde] heeft daarvoor geen bewijs aangedragen, terwijl dit wel op zijn weg lag, als degene op wie de bewijslast rust.

6.11.

Het hof concludeert op grond van al het voorgaande dat als vaststaand moet worden beschouwd dat het door [geïntimeerde] gebruikte e-mailadres [mail] de maker van het bestand is, en dat [geïntimeerde] niet heeft bewezen dat [appellant] het bestand heeft gemanipuleerd. Dit betekent dat in deze procedure verder als vaststaand moet worden beschouwd dat [geïntimeerde] zelf het bestand heeft gecreëerd en dat het bestand om 11:56:43 uur op het bureaublad van de computer van [appellant] is gekopieerd waarna het door [appellant] ongewijzigd is geüpload naar de OneDrive, voordat het op de server van Obvion is geplaatst. Dat [appellant] het bankafschrift heeft vervalst, zoals [geïntimeerde] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd, volgt hieruit in elk geval niet.

Verder aangedragen bewijs

6.12.

Het verder in deze procedure aangedragen bewijs, noopt niet tot een ander oordeel. [geïntimeerde] probeert met dit bewijs aan te tonen dat hij niet op het kantoor van [appellant] is geweest, vlak voordat het bestand werd geüpload. [geïntimeerde] stelt dat hij op 2 november 2022 niet op het kantoor van [appellant] was en ook niet kan zijn geweest, omdat hij die ochtend bij een autobedrijf in Beverwijk was en daarna is doorgereden naar een afspraak in Rotterdam. [geïntimeerde] , die als gezegd de bewijslast heeft, bestrijdt hier dus de betwisting van [appellant] en het daartoe door [appellant] geschetste scenario. [geïntimeerde] leunt hierbij zwaar op de bij de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen. Naar het oordeel van het hof kan aan deze getuigenverklaringen echter geen doorslaggevend bewijs worden ontleend ten aanzien van de door beide partijen geschetste scenario’s. De verklaringen zijdens [appellant] vertonen enkele ongerijmdheden. Dat geldt echter ook voor de verklaringen zijdens [geïntimeerde] . Bovendien zijn de verklaringen zijdens [geïntimeerde] niet zonder meer te rijmen met de uitdraai van de telefoongegevens van [geïntimeerde] en andere vaststaande gegevens. Het hof licht dit als volgt toe.

6.13.

[geïntimeerde] beroept zich op de verklaringen van de getuigen [naam 4] , salesmanager bij een autobedrijf in Beverwijk, [naam 5] , werknemer van [geïntimeerde] , en [geïntimeerde] zelf, naast schriftelijke verklaringen, pintransacties en verder bewijs dat reeds in eerste aanleg was overgelegd. [naam 4] , [naam 5] en [geïntimeerde] verklaren allen als getuigen dat [geïntimeerde] en [naam 5] op 2 november 2022 een afspraak hadden bij het autobedrijf in Beverwijk, dat zij om iets voor 10 uur arriveerden en na ongeveer twee uur vertrokken. Daarmee zou een bezoek van [geïntimeerde] kort voor 12 uur op het kantoor van [appellant] in [plaats 3] ( [straat 2] ) onmogelijk zijn volgens [geïntimeerde] . Deze door de getuigen afgelegde verklaringen vertonen echter ongerijmdheden.

6.14.

Zo heeft [naam 4] verklaard dat [geïntimeerde] en [naam 5] samen aankwamen in dezelfde auto en dat zij ook weer in dezelfde auto vertrokken. [naam 5] en [geïntimeerde] daarentegen verklaren dat zij ieder met hun eigen auto naar het autobedrijf in Beverwijk zijn gereden. Volgens [naam 5] hebben zij beiden hun auto in de straat van het autobedrijf geparkeerd. Ook [geïntimeerde] verklaart dat hij [naam 5] heeft opgewacht bij een tankstation in de buurt van het autobedrijf en dat zij daarna ieder hun auto hebben geparkeerd en samen het autobedrijf zijn binnengelopen. Dit verschil met [naam 4] is opmerkelijk, zeker omdat [naam 4] concreet verklaart dat de auto voor de deur stond en dat hij daarom weet dat ze in één auto kwamen. Verder heeft [naam 4] verklaard dat naast [naam 5] en [geïntimeerde] geen andere mensen bij het gesprek aanwezig waren, terwijl [naam 5] heeft verklaard dat zij met vier mensen uiteindelijk het gesprek hebben gehad; ook de verklaring van [geïntimeerde] , die bij de verhoren van [naam 4] en [naam 5] aanwezig is geweest, komt erop neer dat af en toe een vierde persoon is aangeschoven. Ook dit verschil met de verklaring van [naam 4] is opmerkelijk.

6.15.

Daar komt bij dat de verklaringen van [geïntimeerde] , [naam 5] en [naam 4] niet goed zijn te rijmen met de gegevens zoals die blijken uit de door [geïntimeerde] overgelegde uitdraai van zijn telefoon.

[appellant] betoogt dat de telefoon van [geïntimeerde] rond 11:00 uur heeft geregistreerd dat een afstand is afgelegd, dat [geïntimeerde] vervolgens zonder enige beweging diverse telefonische overleggen heeft gevoerd, waarvoor volgens [appellant] de enige waarschijnlijke uitleg is dat [geïntimeerde] in die tijd in een auto zat, en dat de telefoon van [geïntimeerde] ook rond 12:00 uur “Distance Traveled” registreert, waaruit volgt dat [geïntimeerde] dan weer te voet onderweg is. Om 12:08 uur raadpleegt [geïntimeerde] zijn navigatie wat erop duidt dat hij naar een volgende locatie wenste te gaan, aldus steeds [appellant] . Bij memorie van antwoord voert [geïntimeerde] aan dat de registraties passen bij de afgelegde verklaringen die erop neerkomen dat het gesprek heeft geduurd tot ongeveer 11:45 uur /12 uur. [geïntimeerde] stelt dat hij gedurende het overleg in Beverwijk niet (tussentijds) is weggeweest, anders dan voor het voeren van een telefoongesprek en het halen van documenten uit zijn auto, en dat het laatste verklaart waarom hij om 11:00 uur een bepaalde afstand heeft afgelegd. Na het overleg, dus rond 12:00 uur, heeft [geïntimeerde] (opnieuw) naar zijn auto moeten lopen en daarna nog kort met [naam 5] gesproken, zij stonden achterelkaar geparkeerd. Ook het inloggen op Google Maps rond 12:08 is volgens [geïntimeerde] niet vreemd. Rond dat tijdstip is [geïntimeerde] immers vertrokken naar Rotterdam, wat de overige bewijsmiddelen bevestigen, aldus zijn betoog.

Dit een en ander strookt echter niet geheel met de verklaring van [geïntimeerde] als getuige dat hij tussen 12 uur en half 1 onderweg was naar Rotterdam, en ook niet met de verklaring van [naam 5] dat hij tot 11:45 uur/12 uur in aanwezigheid van [geïntimeerde] was. Dit zou immers duiden op een eerder vertrek dan 12:08 uur. Het hof sluit niet uit dat de getuigen zich door het tijdsverloop het exacte tijdstip niet meer herinneren. Echter, zelfs als zou worden aangenomen dat het vertrek uit Beverwijk in werkelijkheid iets later is geweest dan [geïntimeerde] en [naam 5] hebben verklaard, namelijk om 12:08 uur, blijven er nog ongerijmdheden over. Om te beginnen heeft [geïntimeerde] in de procedure de stelling betrokken dat hij om 12:48 uur in Rotterdam is aangekomen en dat de rit van het autobedrijf naar de lunchafspraak in Rotterdam, zonder vertraging, 1 uur en 3 minuten duurt. Dat betekent volgens [geïntimeerde] dat hij rond 11:45 -11:50 uur is vertrokken in Beverwijk richting Rotterdam. [geïntimeerde] heeft niet toegelicht hoe een vertrek na 12:08 uur zich met dit standpunt in de procedure verhoudt. Bij dat tijdstip van vertrek is de aankomst om 12:48 uur niet te verklaren als de reistijd 1 uur en 3 minuten bedraagt.

In de telefoongegevens is verder zichtbaar dat [geïntimeerde] om 11:26 uur, 11:45 uur, 11:46 uur, 11:53 uur en 11:55 uur vijf telefoongesprekken heeft gevoerd (“outgoing call”). [geïntimeerde] heeft verklaard dat de afspraak bij het autobedrijf vanaf 10 uur een kleine twee uur heeft geduurd. Tijdens dat overleg zou hij samen met zijn collega [naam 5] voortdurend in overleg zijn geweest met [naam 4] , waarbij er ook af en toe een verkoopmedewerker is aangeschoven. Hij heeft als getuige verklaard dat hij tijdens dit gesprek heeft gebeld met zijn accountant en de fiscus. Later wijzigt hij die verklaring en zegt hij alleen met zijn accountant te hebben gebeld, die op zijn beurt contact had met de fiscus. De vijf geregistreerde telefoongesprekken zijn daarmee echter niet voldoende verklaard. Nadere informatie over de gebelde nummers is ook niet verstrekt.

Volgens de verklaring van [naam 5] zijn zij na het overleg meteen vertrokken en hebben zij ieder vanuit hun auto nog even telefonisch nagepraat. [geïntimeerde] heeft ter zitting van het hof verklaard dat het waarschijnlijk zo is gegaan. Na 12:08 uur is echter geen inkomend of uitgaand telefoongesprek meer geregistreerd; pas om 12:38 uur is er een weer een outgoing call.

[geïntimeerde] heeft - ter zitting van het hof daarnaar gevraagd - ook overigens geen sluitende en onderbouwde verklaring kunnen geven voor de genoemde tijdstippen en registraties uit zijn telefoongegevens. [geïntimeerde] erkent zelf dat uit de door hem overgelegde telefoongegevens niet blijkt op welke locaties hij is geweest. Hij heeft verder niet zijn belhistorie in het geding gebracht met betrekking tot de door hem gevoerde gesprekken in het tijdvak van 11 uur tot 13 uur, terwijl dat wel van hem verlangd kon worden. Ook is onvoldoende duidelijkheid gegeven over de in dit tijdvak door [geïntimeerde] afgelegde loopafstanden. Een nadere toelichting was nodig, temeer omdat volgens getuige [naam 4] de auto waarmee [geïntimeerde] bij het autobedrijf in Beverwijk was aangekomen voor de deur geparkeerd stond.

6.16.

Zowel de zoon van [appellant] als de beveiliger, [naam 3] , verklaarden als getuige dat [geïntimeerde] op 2 november 2022 op het kantoor van [appellant] is verschenen om een usb-stick af te leveren. De zoon van [appellant] verklaart dat het bezoek heeft plaatsgevonden tussen 12 uur en half 1, en dat het maar kort heeft geduurd. [geïntimeerde] is door de beveiliger naar het kantoor op de eerste verdieping begeleid en heeft daar de usb-stick overhandigd. De zoon van [appellant] heeft het document op het bureaublad van zijn computer geplaatst en daarna naar de Cloud gekopieerd. Hij heeft het vervolgens, na het vertrek van [geïntimeerde] , ongewijzigd geüpload in het systeem van Obvion. De beveiliger verklaart dat hij tijdens het bezoek van [geïntimeerde] alleen achter de receptie stond, omdat zijn collega’s na 12 uur met lunchpauze waren. Ook hij verklaart dat hij [geïntimeerde] naar boven heeft begeleid en dat het bezoek maar kort heeft geduurd. Hij herkende [geïntimeerde] tijdens het getuigenverhoor als degene die op 2 november 2022 het kantoor bezocht.

6.17.

Deze verklaringen bieden steun aan de betwisting van [appellant] . Naar [geïntimeerde] terecht heeft opgemerkt, stroken de door beide getuigen genoemde tijdstippen waarop het bezoek zou hebben plaatsgevonden echter niet met het tijdstip waarop het document volgens de informatie van Obvion is geüpload, te weten 11:59 uur. De zoon van [appellant] heeft verklaard dat hij het document heeft geüpload nadat [geïntimeerde] weer was vertrokken. Dit betekent dat het bezoek moet hebben plaatsgevonden vóór 12 uur, en niet tussen 12 uur en half 1. Ook strookt het tijdstip van 11:59 uur niet met de verklaring van [naam 3] dat het bezoek plaatsvond na 12 uur. Het hof neemt in overweging dat de verklaringen zijn afgelegd twee jaar na het bewuste bezoek. Dat de getuigen zich het exacte tijdstip niet meer herinneren, is daarmee wellicht verklaarbaar. Echter ook dan roept de verklaring van [naam 3] over de tijdsbepaling in dit licht vragen op. Hij koppelde het bezoek immers aan de lunchpauze van zijn collega’s. Hij verklaart dat rond de middag, na 12 uur, iedereen met pauze gaat en dat hij dan bij de receptie staat. Waarom [naam 3] in dit geval op 2 november 2022 vóór 12 uur bij de receptie stond, wordt niet verklaard.

6.18.

Dat de verklaring van de zoon van [appellant] innerlijk tegenstrijdig zou zijn, zoals [geïntimeerde] betoogt, wordt niet gevolgd. Volgens [geïntimeerde] heeft de zoon van [appellant] enerzijds verklaard dat [geïntimeerde] enkel de usb-stick heeft afgegeven en dat hij na het vertrek van [geïntimeerde] het document heeft gekopieerd naar Obvion, en anderzijds dat in de aanwezigheid van [geïntimeerde] de usb-stick is gekopieerd. Het hof stelt vast dat de zoon van [appellant] heeft verklaard dat hij het bestand op de usb-stick op het bureaublad van zijn computer heeft geplaatst en het daarna heeft verplaatst naar de Cloud. Hij heeft de usb-stick weer aan [geïntimeerde] meegegeven. Om het bestand te kunnen uploaden naar Obvion moest hij inloggen en wachten op een verificatiecode. Dat heeft hij in afwezigheid van [geïntimeerde] gedaan. De verklaring van de zoon van [appellant] dat het bezoek niet lang heeft geduurd en alleen heeft bestaan uit het overhandigen van de usb-stick zodat hij deze kon kopiëren, is op zichzelf niet strijdig met deze gang van zaken. De verklaring van de beveiliger dat het gehele bezoek niet meer dan vijf minuten in beslag heeft genomen, komt ook het hof daarentegen wel erg kort voor. Verder heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat [geïntimeerde] kennelijk niet als bezoeker was geregistreerd en er niet is gebeld naar het kantoor van [appellant] dat er een bezoeker was, terwijl dit kennelijk wel gebruikelijk was. Deze omstandigheden zijn inderdaad opmerkelijk.

6.19.

Het hof stelt daarnaast echter vast dat de bewegingen die zichtbaar zijn in de door [geïntimeerde] overgelegde uitdraai van zijn telefoon en het raadplegen van de navigatie om 12:08 uur door [geïntimeerde] , zouden kunnen passen bij het scenario dat [geïntimeerde] kort voor 12 uur op het kantoor van [appellant] in Amsterdam is geweest en daarna is vertrokken naar Rotterdam. Dat [geïntimeerde] om 12:48 uur in Rotterdam was, zoals volgens hem blijkt uit een overgelegd betaalbewijs voor parkeren in Rotterdam, is volgens [geïntimeerde] met dit scenario strijdig. Het hof merkt daarover op dat dit inderdaad uitermate krap lijkt, maar dat het niet minder waarschijnlijk is dan het scenario van [geïntimeerde] waarin hij om 12:08 uur uit Beverwijk zou zijn vertrokken naar Rotterdam en daar om 12:48 uur was.

6.20.

Als gezegd, vertonen de verklaringen van de getuigen aan beide zijden ongerijmdheden. [geïntimeerde] heeft nog aangevoerd dat ten aanzien van de verklaring van de zoon van [appellant] behoedzaamheid is geboden, gelet op de familieband met [appellant] . Daartegenover staat echter dat behoedzaamheid evenzeer op zijn plaats is ten aanzien van de verklaring van [naam 5] die immers in dienst is van [geïntimeerde] . En dat geldt temeer voor de verklaring van [geïntimeerde] zelf, die een groot belang heeft bij de uitkomst van deze zaak. Daarbij wist [geïntimeerde] voorafgaand aan zijn getuigenverhoor dat het bankafschrift om 11:59 uur was geüpload. De zoon van [appellant] en de beveiliger waren niet op de hoogte van dit specifieke tijdstip toen zij werden gehoord. De conclusie op basis van al het voorgaande luidt dat, op basis van de getuigenverklaringen en de verdere bewijsstukken die [geïntimeerde] heeft overgelegd, geen zekerheid kan worden verkregen over de gebeurtenissen op 2 november 2022, zelfs niet wat betreft (de duur van) het overleg in Beverwijk. Deze onzekerheid komt voor risico van [geïntimeerde] , als degene die de bewijslast en daarmee het bewijsrisico draagt. Dat geldt temeer tegen de achtergrond van hetgeen eerder in dit arrest is overwogen over de bevindingen in het rapport DigiJuris.

6.21.

Het hof merkt nog op dat [geïntimeerde] [appellant] verwijt dat de camerabeelden van 2 november 2022 niet bewaard zijn gebleven. Daarmee miskent [geïntimeerde] echter dat primair op hem de verplichting rustte bewijs zeker te stellen.

Ook andere aspecten leveren geen bewijs op

6.22.

[geïntimeerde] heeft voorts ter onderbouwing van zijn stellingen aangevoerd dat het vervalste bankafschrift een saldo vertoont dat overeenkomt met het saldo dat volgens de e-mail van 20 oktober 2022 van Obvion nodig was om de gevraagde hypotheek te kunnen verstrekken. Volgens [geïntimeerde] was hij niet op de hoogte van deze e-mail omdat deze niet aan hem was verstrekt. Dit is volgens [geïntimeerde] een aanwijzing dat de vervalsing door [appellant] is geschied, die immers wel op de hoogte was van deze e-mail. [appellant] heeft in reactie hierop gesteld dat de inhoud van de e-mail tijdens de uitvoerige telefoongesprekken van 20 oktober 2022 door de zoon van [appellant] met [geïntimeerde] is besproken. Zoals hiervoor onder 3.21 is vastgesteld hebben partijen die namiddag inderdaad langdurige gesprekken gevoerd. Het komt het hof onwaarschijnlijk voor dat daarbij niet het bedrag is genoemd dat Obvion eerder die dag aan [appellant] had medegedeeld. [geïntimeerde] heeft weliswaar gesteld dat de stukken die hij in zijn e-mail van 21 oktober 2022 (zie 3.23 hiervoor) bedoelde geen betrekking hadden op bankafschriften maar op loonspecificaties en ter zake een bewijsaanbod gedaan, maar dat bewijsaanbod passeert het hof. Ook als juist is dat de stukken waarom de zoon van [appellant] had gevraagd (zoals kennelijk in deze e-mail van [geïntimeerde] bedoeld) alleen zagen op loonspecificaties, volgt daaruit niet dat [geïntimeerde] niet op de hoogte was van het door Obvion genoemde bedrag. Dat kan ook overigens niet worden aangenomen.

6.23.

[geïntimeerde] heeft verder gewezen op het feit dat het vervalste bankafschrift, gedateerd 14 oktober 2022, slechts zijn naam vermeldt, terwijl de bankrekening vóór 14 oktober 2022 was omgezet naar een en/of rekening. Ook dit wijst er volgens [geïntimeerde] op dat de vervalsing door [appellant] is gedaan. [geïntimeerde] stelt dat hij zelf wel op de hoogte was van de omzetting en [appellant] kennelijk niet en dat [appellant] kennelijk bij de vervalsing gebruik heeft gemaakt van een eerder toegezonden bankafschrift, dat nog alleen op naam van [geïntimeerde] stond.

De naamsvermelding op het bankafschrift levert echter ook geen overtuigend bewijs op van vervalsing door [appellant] . Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het vervalste bankafschrift gedateerd is op 14 oktober 2022 terwijl op die dag volgens [geïntimeerde] geen bankafschrift is opgemaakt door de bank. Ook dit kan [geïntimeerde] zelf zijn overkomen. Overtuigend bewijs dat [appellant] en niet [geïntimeerde] de vervalser was, levert het voorgaande in elk geval niet op, zeker niet in het licht van hetgeen eerder in dit arrest over het rapport van DigiJuris is overwogen.

6.24.

Verder had [appellant] volgens [geïntimeerde] een motief voor het vervalsen van het bankschrift. Hij zou er belang bij hebben om bij Obvion een hypotheek voor [geïntimeerde] te verkrijgen omdat hij eerder tweemaal aan [geïntimeerde] had toegezegd dat de hypotheek zou worden verstrekt. Volgens [appellant] was het op 2 november 2022 echter juist [geïntimeerde] die kennelijk steeds meer in paniek raakte over het verkrijgen van de hypotheek, omdat de termijn voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud was verstreken.

[geïntimeerde] betwist weliswaar dat hij in paniek was en dat hij zelf enig motief had voor het vervalsen van het bankafschrift, maar daarin kan hij niet worden gevolgd. Vast staat immers dat de termijn voor het inroepen van het financieel voorbehoud was verstreken, terwijl eveneens vast staat dat [geïntimeerde] er nog niet in was geslaagd om aan Obvion het bewijs te leveren van de financiële ruimte die vereist was voor het verstrekken van de gewenste hypotheek met bouwdepot; eerder was de aanvraag immers afgewezen en de zoon van [appellant] had nog nadere stukken aan [geïntimeerde] gevraagd. Daar komt bij dat [appellant] onbetwist heeft gesteld dat [geïntimeerde] hem steeds had voorgehouden dat hij de benodigde financiële draagkracht zou kunnen aantonen. Niet valt in te zien welke reden tot zorg [appellant] dan moet hebben gehad.

6.25.

Volgens [geïntimeerde] is voorts het door [appellant] geschetste scenario onwaarschijnlijk omdat [geïntimeerde] altijd alle benodigde stukken via de e-mail had aangeleverd. Ook dit levert echter geen bewijs op van de gestelde vervalsing door [appellant] . In de vervalsing kan een reden gelegen zijn geweest niet de e-mail te gebruiken. De stelling van [geïntimeerde] , tot slot, dat vervalsen van een bankafschrift niet nodig was omdat hij eenvoudig een hoger saldo kon creëren, door zichzelf (eenmalig) meer uit te laten betalen uit zijn B.V. passeert het hof, reeds omdat deze stelling onvoldoende is onderbouwd.

6.26.

Het hof is alles overwegende van oordeel dat [geïntimeerde] geen voldoende concreet bewijs heeft aangeleverd of aangeboden voor de vervalsing door [appellant] . [geïntimeerde] moet het risico hiervan dragen.

Conclusie: bewijs niet geslaagd

6.27.

Het voorgaande betekent dat de grieven 3 en 4 slagen. Grief 2 behoeft bij die stand van zaken geen bespreking meer. [geïntimeerde] heeft geen nadere concrete feiten te bewijzen aangeboden die de stelling kunnen dragen dat [appellant] het bankafschrift heeft vervalst. Aan (nadere) bewijslevering wordt daardoor niet toegekomen. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [geïntimeerde] , voor zover gebaseerd op de gestelde vervalsing van het bankafschrift en de tekortkoming in de nakoming van de opdrachtovereenkomst vanwege deze gestelde vervalsing (ontbinding en schadevergoeding), niet toewijsbaar zijn.

Toezegging

6.28.

[geïntimeerde] heeft zijn vorderingen tot ontbinding en schadevergoeding ook gebaseerd op een tweetal toezeggingen door [appellant] dat de hypotheek (inclusief het bouwdepot) door Obvion zou worden verstrekt. Daarbij heeft [geïntimeerde] verwezen naar het onder 3.22 aangehaalde e-mailbericht van [appellant] van 21 oktober 2022 (“Voor de duidelijkheid is het in beide opties met zekerheid dat wij de hypotheek vertrekking geregeld krijgen”) en de hiervoor onder 3.25 weergegeven Whatsapp-correspondentie (o.m. het bericht van 28 oktober 2022). [appellant] heeft aangevoerd dat hij geen belofte of toezegging heeft gedaan, maar op grond van zijn kennis en ervaring als hypotheekadviseur enkel een inschatting heeft gemaakt op basis van de door [geïntimeerde] aangeleverde documenten en gegeven informatie, waarvan hij de juistheid niet hoefde te betwijfelen. Door [geïntimeerde] is niet, althans onvoldoende, weersproken dat hij tegenover [appellant] steeds heeft volgehouden dat hij over voldoende financiële draagkracht beschikte en de benodigde gegevens zou kunnen verstrekken. Niet is toegelicht op grond waarvan [appellant] niet op de juistheid daarvan heeft mogen vertrouwen en zijn verwachtingen daarop niet heeft mogen baseren. Daarmee heeft [geïntimeerde] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht voor de conclusie dat [appellant] met de mededelingen in zijn e-mailberichten of het feit dat deze in werkelijkheid niet konden worden gerealiseerd anders heeft gehandeld dan van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hypotheekadviseur mag worden verwacht, of anderszins is tekortgeschoten in de nakoming van de opdracht. Ook om deze reden zijn de vorderingen van [geïntimeerde] niet toewijsbaar. In het midden kan daarom blijven dat de rechtbank heeft overwogen dat [geïntimeerde] zelf heeft erkend dat zijn vorderingen tot ontbinding en schadevergoeding niet zelfstandig kunnen worden gestoeld op de gestelde toezeggingen van [appellant] (rechtsoverweging 4.9 tussenvonnis van 12 juli 2023).

Meerwerk (grief 5)

6.29.

Grief 5 van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat voor het door [appellant] in rekening gebrachte meerwerk geen grondslag bestaat en de op dat oordeel gebaseerde veroordeling van [appellant] tot terugbetaling op grond van onverschuldigde betaling (rechtsoverwegingen 4.10 t/m 4.13 van het tussenvonnis van 12 juli 2023). [appellant] voert aan dat [geïntimeerde] op grond van tussentijdse afspraken de post meerwerk heeft geaccepteerd, dat [appellant] meerwerk in rekening mocht brengen op grond van artikel 6.3 van de Algemene Voorwaarden en dat [geïntimeerde] het bedrag als redelijke vergoeding verschuldigd is omdat meerwerk moest worden verricht na het toevoegen van de partner van [geïntimeerde] aan de aanvraag.

6.30.

Het hof oordeelt dat geen grondslag bestaat voor het in rekening brengen van meerwerk. Ten eerste is niet gebleken van nieuwe, tussentijdse afspraken waarbij [geïntimeerde] het meerwerk heeft geaccepteerd. [geïntimeerde] stelt dat hij over meerwerk geen aanvullende afspraken met [appellant] heeft gemaakt en dat hij destijds de factuur voor meerwerk onder protest heeft betaald. Hier heeft [appellant] onvoldoende tegenovergesteld. Uit de onder 3.5 weergegeven partijafspraken volgt dat een totaalprijs is overeengekomen voor alle werkzaamheden “zodat er achteraf geen onduidelijkheid [over] zal bestaan.” [appellant] heeft onvoldoende toegelicht waarom hij er desondanks op mocht vertrouwen dat hij meerwerkkosten in rekening mocht brengen in verband met het toevoegen van (het inkomen van) de partner van [geïntimeerde] . Voor het aannemen van het bestaan van “op voorhand” gemaakte (nieuwe) afspraken tussen partijen als bedoeld in het onder 3.6 aangehaalde artikel 6.1 van de Algemene Voorwaarden bestaat, gelet op het voorgaande, evenmin grond. Er valt daarnaast niet in te zien dat het onder 3.6 aangehaalde artikel 6.3 van de Algemene Voorwaarden, dat ziet op iets anders, te weten op het tussentijds verhogen van overeengekomen tarieven in, kort gezegd, het geval van kostenstijgingen, hier een grondslag zou kunnen bieden voor het in rekening gebrachte meerwerk. Tot slot hebben partijen, zoals blijkt uit de feiten onder 3.9 e.v., al bij de start van de aanvraag gesproken over het al dan niet meenemen van het inkomen van de partner van [geïntimeerde] . Bij deze stand van zaken heeft [appellant] het betoog van [geïntimeerde] onvoldoende weersproken dat er geen sprake was van een wijziging van de aanvraag in verband met het toevoegen van de (inkomsten van de) partner, waarvoor een redelijke vergoeding is verschuldigd. Grief 5 slaagt daarom niet. Ten overvloede overweegt het hof nog dat aldus weliswaar vast staat dat [appellant] ten onrechte een bedrag van € 2.100,00 heeft gefactureerd, maar dat dit de gevorderde ontbinding en schadevergoeding niet zelfstandig kan dragen.

Conclusie: geen tekortkoming

6.31.

Het hof komt tot de conclusie dat een tekortkoming aan de zijde van [appellant] die de gevorderde ontbinding en schadevergoeding kan dragen, niet is komen vast te staan. De daarop gebaseerde vorderingen van [geïntimeerde] zijn dus niet toewijsbaar. Grieven 3 en 4 slagen, grief 2 behoeft daarom geen bespreking meer. Het hof zal de bestreden vonnissen vernietigen en deze vorderingen alsnog afwijzen, behoudens ten aanzien van de hiervoor besproken meerwerkkosten.

Gevolgen voor de vorderingen

6.32.

Het door [appellant] ingestelde hoger beroep heeft, afgezien van grief 5, succes. Omdat grief 5 ten aanzien van de meerwerkkosten faalt, dient het bestreden eindvonnis te worden bekrachtigd voor zover [appellant] is veroordeeld tot (terug)betaling van € 2.100 (vordering III). Voor het overige zal het worden vernietigd. De overige vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen. [appellant] heeft gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 38.026,15 dat hij uit hoofde van het bestreden vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met rente. Deze vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat op dit bedrag een bedrag € 2.100 in mindering zal worden gebracht. Hier zijn ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten relevant. Het hof verstaat dat deze toewijsbaar zijn naar rato van het door de rechtbank toegewezen bedrag (€ 1.661,50 gedeeld door € 8.095,00 maal € 2.100 dus) € 431. Ook dat bedrag wordt op het bedrag van € 38.026,15 in mindering gebracht. Het voorgaande resulteert in toewijzing van een bedrag van € (38.026,15 – 2.100 – 431=) 35.495,15.

Bewijsaanbod

6.33.

Het hof ziet geen aanleiding om partijen toe te laten tot (nadere) bewijslevering, zoals uit de eerdere overwegingen in dit arrest volgt.

Proceskosten

6.34.

Bij deze stand van zaken is er geen grond voor een veroordeling van [appellant] in de (reële) proceskosten. [geïntimeerde] zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Het hof komt daarmee niet toe aan de (subsidiair) voorgedragen grief 7, waarmee [appellant] verzoekt om matiging van een eventuele proceskostenveroordeling naar het forfaitaire tarief.

6.35.

[appellant] heeft recht op vergoeding van de kosten van de door hem ingeschakelde deskundige DigiJuris, ter hoogte van een bedrag van € 5.162,48. Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk is gesteld zal hij worden veroordeeld in de (proces)kosten van [appellant] op grond van artikel 237-241 Rv. Als onderdeel van deze kosten komen ook de kosten van het deskundigenhonorarium van DigiJuris als verschotten in de zin van artikel 239 Rv voor vergoeding in aanmerking.

6.36.

[appellant] heeft evenmin recht op vergoeding van daadwerkelijke gemaakte proceskosten. Volledige proceskosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.

Voor een veroordeling van [geïntimeerde] in de werkelijke proceskosten is in het licht van het voorgaande onvoldoende gesteld. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat [geïntimeerde] van zijn vorderingen had behoren af te zien en, door de procedure tegen [appellant] aanhangig te maken, misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Daarbij speelt een rol dat deze procedure in de kern gaat om de vraag of de door [geïntimeerde] aan zijn vordering ten grondslag gelegde vervalsing van het bankafschrift door [appellant] aannemelijk is geworden, waarbij de rechtbank en het hof tot een andere waardering komen van het geleverde (tegen)bewijs; dit is in het licht van de genoemde maatstaf niet voldoende.

6.37.

Met inachtneming van het voorgaande stelt het hof de proceskosten als volgt vast. Daarbij constateert het hof dat in eerste aanleg de inzet van de procedure een bedrag was dat viel onder tarief VI. Een groot deel van de schadevergoedingsvordering van [geïntimeerde] is door de rechtbank afgewezen en daartegen is geen rechtsmiddel ingesteld. De inzet van het hoger beroep betreft een bedrag dat in tarief III valt. Verder gaat het hof ervan uit dat [appellant] ter gelegenheid van de getuigenverhoren € 5,00 aan getuigentaxe heeft vergoed aan de getuigen en [geïntimeerde] € 38,00. Laatstgenoemd bedrag dient voor rekening van [geïntimeerde] te blijven, het bedrag van € 5,00 dient door [geïntimeerde] aan [appellant] te worden vergoed.

Proceskosten rechtbankprocedure

- griffierecht € 1.325,00

- salaris advocaat € 12.213,00 (tarief VI, 4,5 punten)

- getuigentaxe € 5,00

Totaal € 13.543,00

Proceskosten hoger beroep

- explootkosten € 145,45

- griffierecht € 2.129,00

- onderzoekskosten € 5.162,48

- salaris advocaat € 3.340,00 (tarief III, 2 punten)

Totaal € 10.776,93

6.38.

Bij deze uitkomst bestaat geen belang bij een verdere afzonderlijke bespreking van de grieven van [appellant] . Ook behoeft het beroep van [appellant] op de artikelen 22 en 194 Rv geen (verdere) behandeling. Bij deze uitkomst behoeft ook geen (verdere) bespreking dat [geïntimeerde] , pas na vragen van het hof, ter zitting heeft bevestigd dat hij en [appellant] al eerder contact met elkaar hadden gehad, namelijk over de mogelijkheden van financiering van de aankoop van een boot (zie onder 3.2 hiervoor).

7 Beslissing

Het hof:

7.1

vernietigt de bestreden vonnissen, behoudens voor zover [appellant] uitvoerbaar bij voorraad is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.100,00 en een bedrag van € 431,00 aan [geïntimeerde] , laatstgenoemd bedrag vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 januari 2023, en bekrachtigt het eindvonnis in zoverre,

opnieuw rechtdoende:

7.2

wijst af de overige vorderingen van [geïntimeerde] ;

7.3

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 35.495,15 aan [appellant] , te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 25 december 2024;

7.4.

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties. De kosten voor de eerste aanleg worden tot nu vastgesteld op € 13.543,00 en de kosten voor het hoger beroep worden tot nu vastgesteld op € 10.776,93, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

7.5.

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;

7.6

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

7.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.D. Lubach, J.F. Aalders en M.M. Korsten-Krijnen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »