ECLI:NL:GHAMS:2026:1993

Datum uitspraak
21-07-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.360.489/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

herstelbeschikking (verbetering van de beschikking van 16 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1617) in de zaak met zaaknummer 200.360.489/01. Ambtshalve herstel van kennelijke fouten die zich voor eenvoudig herstel lenen. Artikel: 31 Rv.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.360.489/01

zaaknummer rechtbank: C/15/339904 / FA RK 23-2298

herstelbeschikking van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. E.C. Weijsenfeld te Amsterdam,

en

[pleegouders] ,

beiden wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 2] ,

verweerders in hoger beroep,

hierna respectievelijk: de pleegvader en de pleegmoeder,

hierna gezamenlijk: de pleegouders,

advocaat: mr. E.P.J. Appelman te Alkmaar.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ,

- de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna ook: de voogd,

- [de moeder] , hierna: de moeder, en

- de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag, hierna: de ambtenaar.

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,

hierna: de raad.

1. Beslissing ambtshalve verbetering ex artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

1.1

Het hof heeft in de zaak op 16 juni 2026 een beschikking gegeven.

1.2

Het hof heeft ambtshalve geconstateerd dat in die beschikking fouten voorkomen die zich voor eenvoudig herstel lenen.

1.3

De vader, de pleegouders en de voogd zijn in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren. De pleegouders en de voogd hebben binnen de gestelde termijn niet gereageerd. Bij brief van 8 juli 2026 heeft de advocaat van de vader het hof bericht dat de vader zich niet verzet tegen de tekstuele correcties. Met betrekking tot de zin

‘Verder is het in de jaren vanaf de uithuisplaatsing van [minderjarige] in 2017 tot 2021 ook aan de zijde van de vader stil gebleven’ zou de vader willen toevoegen ‘omdat omgang met [minderjarige] hem was verboden.’ Deze toevoeging zou de vader wenselijk en passend vinden.

1.4

Het hof overweegt dat de rechter op grond van artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout verbetert die zich voor eenvoudig herstel leent.

Het hof heeft de volgende kennelijke fouten geconstateerd:

  • in rechtsoverweging 5.23 is het verband tussen de zin die begint met de woorden ‘Tegen de achtergrond….’ en de daaropvolgende zin die begint met de woorden ‘Het moet er…’abusievelijk verbroken. Het moet één zin zijn.

  • in rechtsoverweging 5.23 staat in de elfde regel abusievelijk het jaartal ‘2012’ vermeld. Dat moet zijn: ‘2017’;

  • in rechtsoverweging 5.30 staat in de laatste zin abusievelijk als datum van het raadsrapport vermeld: ’30 november 2022’. Dat moet zijn: ’30 november 2023’;

  • in rechtsoverweging 5.42 staat in de laatste zin abusievelijk ‘De hof…’. Dat moet zijn: ‘Het hof….’

Aangezien sprake is van kennelijke fouten, die eenvoudig te herstellen zijn, zal het hof zijn beschikking van 16 juni 2026 verbeteren als na te melden.

De vader heeft in zijn brief van 8 juli 2026 verklaard in te stemmen met de verbeteringen indien de door hem voorgestelde aanvulling wordt opgenomen. Aangezien die aanvulling geen verbetering van een kennelijke fout betreft, maar een inhoudelijke wijziging, zal het hof in het verzoek van de vader niet bewilligen. De vader heeft overigens geen blijk gegeven van inhoudelijke bezwaren tegen de voorgestelde verbeteringen.

1.5

Dit leidt tot de volgende beslissing.

2. Beslissing

Het hof:

verbetert de kennelijke fouten in de beschikking van 16 juni 2026 en wel zo, dat rechtsoverweging 5.23 in plaats van:

‘Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat [minderjarige] van de moeder als ouder niets meer te verwachten heeft.

Ten aanzien van de vader is gebleken dat het contact tussen hem en [minderjarige] in 2017 is gestopt. Na het stoppen van het contact in 2017 is van de zijde van de voogd niet meer geprobeerd om het contact weer op te starten. Tegen de achtergrond van de op de overheid rustende positieve verplichting om persoonlijke banden tussen ouder en kind in stand te houden en, indien en zodra geëindigd hereniging van kind en ouder te bevorderen. Het moet er, bij gebreke van andersluidende informatie, voor worden gehouden dat van de zijde van de voogd te weinig initiatieven zijn ontplooid om de mogelijkheden van contactherstel te onderzoeken. Daar staat tegenover dat [minderjarige] zelf geen behoefte had om het contact met de vader weer op te bouwen. Verder is het in de jaren vanaf de uithuisplaatsing van [minderjarige] in 2012 tot 2021 ook aan de zijde van de vader stil gebleven. Hij heeft niet getracht het contact weer op te bouwen. Vanaf 2021 zijn door de vader pogingen gedaan om omgang met [minderjarige] op te starten. Er is na ruim zes jaar slechts één contactmoment geweest: in 2023 is er eenmalig contact geweest tussen [minderjarige] , de vader en [naam 1] . Daarna is er geen contact meer geweest. [minderjarige] wil dat nu ook niet. Hoewel de voogd na 2017 meer initiatieven had moet nemen, is ook de vader langdurig niet consistent geweest in zijn pogingen tot contact. Dit is geen verwijt aan vader, maar een gegeven.’

komt te luiden:

‘Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat [minderjarige] van de moeder als ouder niets meer te verwachten heeft.

Ten aanzien van de vader is gebleken dat het contact tussen hem en [minderjarige] in 2017 is gestopt. Na het stoppen van het contact in 2017 is van de zijde van de voogd niet meer geprobeerd om het contact weer op te starten. Tegen de achtergrond van de op de overheid rustende positieve verplichting om persoonlijke banden tussen ouder en kind in stand te houden en, indien en zodra geëindigd, hereniging van kind en ouder te bevorderen moet het er, bij gebreke van andersluidende informatie, voor worden gehouden dat van de zijde van de voogd te weinig initiatieven zijn ontplooid om de mogelijkheden van contactherstel te onderzoeken. Daar staat tegenover dat [minderjarige] zelf geen behoefte had om het contact met de vader weer op te bouwen. Verder is het in de jaren vanaf de uithuisplaatsing van [minderjarige] in 2017 tot 2021 ook aan de zijde van de vader stil gebleven. Hij heeft niet getracht het contact weer op te bouwen. Vanaf 2021 zijn door de vader pogingen gedaan om omgang met [minderjarige] op te starten. Er is na ruim zes jaar slechts één contactmoment geweest: in 2023 is er eenmalig contact geweest tussen [minderjarige] , de vader en [naam 1] . Daarna is er geen contact meer geweest. [minderjarige] wil dat nu ook niet. Hoewel de voogd na 2017 meer initiatieven had moet nemen, is ook de vader langdurig niet consistent geweest in zijn pogingen tot contact. Dit is geen verwijt aan vader, maar een gegeven.’,

dat de slotzin van rechtsoverweging 5.30 in plaats van:

‘De raad heeft uitgebreid onderzoek gedaan, op 30 november 2022 rapport en advies uitgebracht en dit ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep bevestigd en aangevuld.’

komt te luiden:

‘De raad heeft uitgebreid onderzoek gedaan, op 30 november 2023 rapport en advies uitgebracht en dit ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep bevestigd en aangevuld.’,

en dat de slotzin van rechtsoverweging 5.42 in plaats van:

‘De hof stelt – met de rechtbank - vast dat [minderjarige] na de adoptie zal heten: [naam 2].’

komt te luiden:

‘Het hof stelt – met de rechtbank - vast dat [minderjarige] na de adoptie zal heten: [naam 2].’;

bepaalt dat deze verbeteringen met vermelding van de dag van deze uitspraak op de minuut van voornoemde beschikking worden gesteld;

beveelt afgifte van de, met inachtneming van deze beslissing verbeterde, authentieke afschriften van de voornoemde beschikking;

bepaalt dat partijen de eerder verstrekte afschriften, opgemaakt in executoriale vorm, binnen twee weken na heden aan de griffier doen toekomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Schoemaker, mr. A.N. van de Beek en mr. J.M. van Baardewijk, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 21 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »