beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.360.189/01 GDW
nummers eerste aanleg : C/13/760423 / DW RK 24/413
C/13/765658 / DW RK 25/68 (verzet)
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 23 juni 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] ,
appellant,
tegen
[geïntimeerde] ,
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: [naam] .
Partijen worden hierna klager en de gerechtsdeurwaarder genoemd.
1 De zaak in het kort
Klager is in hoger beroep gekomen van een beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) waarbij het door klager ingediende verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 39 lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) staat tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Dit rechtsmiddelenverbod kan slechts op een beperkt aantal gronden worden doorbroken. Klager is het met name niet eens met de beslissing van de kamer. Het hof stelt vast dat klager geen beroep heeft gedaan op een doorbrekingsgrond. Het hoger beroep van klager is daarom niet-ontvankelijk.
2 Het geding in hoger beroep
Klager heeft op 13 oktober 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer van 24 september 2025 onder nummer C/13/765658 / DW RK 25/68 (ECLI:NL:TGDKG:2025:93). Op 10 december 2025 heeft klager een aanvulling op zijn beroepschrift (over de ontvankelijkheid van het hoger beroep) – met bijlagen – ingediend.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 6 januari 2026 een verweerschrift over de ontvankelijkheid bij het hof ingediend.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 mei 2026. Het hof heeft partijen vooraf laten weten tijdens deze zitting alleen de ontvankelijkheid van het hoger beroep te zullen behandelen. De gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen en heeft het woord gevoerd. Klager (met voorafgaande berichtgeving aan het hof) en de gerechtsdeurwaarder zijn niet verschenen.
3 Ontvankelijkheid
Klager heeft op 1 december 2024 bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft op 24 december 2024 een verweerschrift ingediend. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 18 februari 2025 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beslissing heeft klager tijdig verzet ingesteld bij de kamer. Bij de bestreden beslissing heeft de kamer het verzet ongegrond verklaard.
Op grond van het bepaalde in artikel 45 lid 1 Gdw staat tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open, tenzij dit is uitgesloten. Artikel 39 lid 4 Gdw bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer waarbij het verzet ongegrond is verklaard, geen rechtsmiddel openstaat. Dit is ook vermeld onder de bestreden beslissing. Dit rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden doorbroken, bijvoorbeeld indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
Klager stelt dat hij het niet eens is met de beslissing van (de voorzitter van) de kamer. De gerechtsdeurwaarder had geen actie mogen ondernemen richting klager, omdat er geen rechterlijke uitspraak is.
Het hof stelt vast dat klager in zijn beroepschrift geen doorbrekingsgrond(en) heeft gesteld waarom hij, ondanks de uitsluiting van de mogelijkheid een rechtsmiddel in te stellen in artikel 39 lid 4 Gdw, toch ontvankelijk zou zijn in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer. Dat klager het inhoudelijk niet eens is met de beslissing van de kamer is niet voldoende. De aangevoerde bezwaren van klager zien niet op schending van fundamentele rechtsbeginselen die een doorbrekingsgrond opleveren. Het hof zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken en de uitsluiting van de mogelijkheid een rechtsmiddel in te stellen moet worden doorbroken.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
In het verweerschrift in hoger beroep en ter zitting heeft (de gemachtigde van) de gerechtsdeurwaarder nog verzocht klager te veroordelen in de proceskosten van de gerechtsdeurwaarder, omdat klager misbruik van recht zou maken door op voorhand kansloze procedures aanhangig te maken. Het hof kan een dergelijk verzoek niet in behandeling nemen, omdat de Gerechtsdeurwaarderswet niet de mogelijkheid kent om aan een klager een proceskostenveroordeling op te leggen.
4 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, H.T. van der Meer en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 door de rolraadsheer.