ECLI:NL:CRVB:2026:1350

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
24/464 PW-S
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

24/464 PW-S

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

De Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 6 oktober 2026

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. T.M.J. Oosterhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft met een brief van 31 augustus 2026 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 september 2026. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. T.M.J. Oosterhuis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.B. Holtjer en J. Postma.

Ter zitting heeft appellante het hoger beroep ingetrokken met handhaving van het ingediende verzoek om vergoeding van schade.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoekster heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat er tussen haar en het college een schikking is bereikt.

1.2.

Het geschil gaat dus alleen nog over het verzoek om immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

1.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd.1 De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.2

1.4.

In dit geval is vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 15 september 2022 tot aan de intrekking van het hoger beroep ter zitting van 22 september 2026 vier jaar en één week verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van verzoekster zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met één week overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Aan verzoekster zal daarom een schadevergoeding van € 500,- worden toegekend, te betalen door de Staat.

Proceskostenveroordeling

2. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoekster van de Staat ook een vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken voor het indienen van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om vergoeding van schade, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van W.B. Eefting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) W.B. Eefting

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »