24/324 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 december 2023, 23/2837 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.B. de Jong, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Hogeschool heeft een zienswijze ingebracht.
Op 21 juli 2025 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Op 5 november 2025 heeft appellante hierop haar zienswijze gegeven en tevens nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd bij brieven van 2 december 2025, 17 februari 2026 en 16 maart 2026 en eveneens nadere stukken ingezonden. Op 23 maart 2026 heeft appellante hierop een reactie gegeven.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. Namens de Hogeschool zijn verschenen mr. Z. Boumnir en A.D.W. de Vries. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv in de gelegenheid gesteld zich te beraden op zijn standpunt.
Op 21 mei 2026 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Bij brief van 18 juni 2026 heeft appellante meegedeeld zich te kunnen vinden in deze beslissing op bezwaar met dien verstande dat dit besluit op één onderdeel voor haar niet inzichtelijk is. Appellante heeft na overleg met het Uwv bij brief van 22 juli 2026 het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Bij schrijven van 4 augustus 2026 heeft appellante haar verzoek om vergoeding van proceskosten nader toegelicht. Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Op 24 juli 2026 is de Hogeschool verzocht om binnen vier weken na dagtekening van deze brief mee te delen of zij het hoger beroep wenst voort te zetten. De Hogeschool heeft niet binnen de gestelde termijn hierop gereageerd.
De Raad heeft partijen verzocht om toestemming om de zaak af te doen zonder een behandeling ter zitting. Partijen hebben niet om een zitting gevraagd. De Raad heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 mei 2026 aan haar bezwaren tegemoet is gekomen. Omdat het Uwv al bij de beslissing op bezwaar van 21 juli 2025 had besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, zal de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
3. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1) en € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de zienswijze op het gewijzigde besluit van 21 juli 2025; 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de zienswijze op het gewijzigde besluit van 21 mei 2026, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). De reiskosten die appellante heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de Raad, ten bedrage van € 32,40 (openbaar vervoer 2e klasse), komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. In totaal wordt het Uwv daarmee veroordeeld tot een bedrag € 4.702,40,-.
4. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.702,40;
-
bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) A.N. Bechinka