ECLI:NL:CRVB:2026:1332

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
26/23 ZW
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering omdat appellant geschikt wordt geacht voor zijn eigen maatgevende arbeid. Beoordeling EZWb. Zorgvuldig medisch onderzoek en geen twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

26/23 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 december 2025, 25/572 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellant terecht per 18 maart 2024 heeft beëindigd. Appellant vindt dat hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat was om zijn eigen werk te verrichten, zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.W.M. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant heeft laatstelijk gewerkt als inkoper fossiele brandstof voor 40 uur per week. Vanaf 1 oktober 2021 ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 13 februari 2023 heeft appellant zich, vanuit de WW, ziekgemeld met gewrichtsklachten aan de rug en pols, met name rechts. Het Uwv heeft appellant met ingang van 16 februari 2023 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellant is vanaf 1 september 2023 ongeveer drie dagen per week gaan werken in de bouw als zelfstandige. De inkomsten uit deze werkzaamheden zijn in mindering gebracht op de ZWuitkering.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft op basis van zijn onderzoek vastgesteld dat appellant vanaf 18 maart 2024 geschikt is voor zijn maatgevende arbeid. Met een besluit van 18 maart 2024 heeft het Uwv de ZW-uitkering per 18 maart 2024 beëindigd.

Bij besluit van 10 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 december 2024 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 december 2024 ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanwijzingen dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant op een hoorzitting gezien en de ingebrachte medische informatie bij haar beoordeling betrokken. Zij heeft haar visie voldoende inzichtelijk gemaakt in het rapport van 4 december 2024. Daarbij is de beschrijving van ‘zijn arbeid’, als bedoeld in artikel 19, vijfde lid van de ZW, zoals door de arbeidsdeskundige is vastgelegd in een rapport van 3 december 2024, betrokken. De rechtbank is niet gebleken dat de rapporten inconsistenties bevatten of onvoldoende zijn gemotiveerd.

2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er ook geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de ernst van de lichamelijke klachten van appellant op de datum in geding van 18 maart 2024 en de zwaarte van het eigen werk van appellant onjuist heeft ingeschat. De door appellant in beroep ingebrachte ongedateerde brief van zijn reumatoloog, waarin appellant wordt aangeraden om computerwerkzaamheden te minimaliseren en af te wisselen en verder zoveel mogelijk in beweging te blijven, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank wijst in dat verband op een aanvullend rapport van 14 juli 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarin op duidelijke wijze is gemotiveerd waarom de informatie van de reumatoloog geen aanleiding geeft voor het innemen van een ander standpunt. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht opgemerkt dat de werkplek verder aangepast zou kunnen worden, dat een advies om zoveel mogelijk in beweging te blijven niet betekent dat het eigen werk ongeschikt is, gelet op de mogelijkheid het zitten te onderbreken en een zit-sta bureau te gebruiken, en dat het doen van uitspraken over de arbeidsbelasting niet tot het specialisme van een reumatoloog behoort. Het behoort tot de taak en deskundigheid van verzekeringsartsen om medische gegevens te wegen en te vertalen naar beperkingen in arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische gegevens volgens de rechtbank op de juiste wijze gewogen en vertaalt naar beperkingen in arbeid. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat de functie van inkoper voor hem niet geschikt is omdat hij vanwege de ziekte van Bechterew en zijn rugklachten zoveel mogelijk in beweging moet blijven en hij vanwege zijn polsklachten geen computerwerkzaamheden kan verrichten. Aanpassing van de werkplek is niet in voldoende mate mogelijk of is al geprobeerd zonder succes. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de reeds in beroep overgelegde brief van zijn reumatoloog, waarin de reumatoloog volgens appellant heeft geobjectiveerd dat zijn polsklachten verergeren door het verrichten van computerwerkzaamheden. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt in hoger beroep heeft appellant een contraexpertise van verzekeringsarts E.C. van der Eijk van 5 februari 2026 overgelegd. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank heeft verzuimd om te beslissen op zijn verzoek een onafhankelijke deskundige te benoemen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering per 18 maart 2024 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

5.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft op overtuigende wijze gemotiveerd waarom die aanleiding niet is gezien. De gronden waarop het oordeel van de rechtbank berust, worden onderschreven. Naar aanleiding van het hoger beroep wordt hieraan het volgende toegevoegd.

5.2.1.

Bij appellant is in februari 2023 een operatie aan zijn rechterpols uitgevoerd in verband met de ziekte van Quervain. De primaire arts heeft tijdens het lichamelijk onderzoek op 11 maart 2024 in het geheel geen hand- en polsklachten (meer) kunnen objectiveren. Er was sprake van normale kracht en normale vingerbewegingen van de rechterhand. Verder trad geen pijn op bij druk op de pees van de rechterduim. Appellant heeft geen medische informatie overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat op de datum in geding van 18 maart 2024 wel sprake was van geobjectiveerde polsklachten die tot beperkingen voor computerwerkzaamheden hadden moeten leiden.

5.2.2.

De door appellant in hoger beroep ingebrachte contra-expertise van verzekeringsarts Van Der Eijk geeft ook geen aanleiding tot twijfel over de juistheid van het medische oordeel over de polsklachten. Van Der Eijk heeft appellant niet zelf gezien op een spreekuur. Daar komt bij dat Van Der Eijk zijn rapport heeft gebaseerd op de aanname dat de polsklachten van appellant verergeren door computergebruik, terwijl dat in het geval van appellant niet geobjectiveerd is. Anders dan waar Van Der Eijk van is uitgegaan en anders dan wat appellant heeft betoogd, kan die objectivering niet worden gevonden in de ongedateerde brief van de behandelend reumatoloog. In die brief wordt antwoord gegeven op door de gemachtigde van appellant gestelde vragen. Op de vraag welke factoren de klachten verergeren, heeft de reumatoloog ten aanzien van de polsen geantwoord: ‘Pt geeft aan meer last te hebben bij veelvuldig computergebruik ondanks reeds aangepaste muis en werkhouding’. Op de vraag of de polsklachten verergeren bij computerwerk en, zo ja, of daar een medische verklaring voor is, heeft de reumatoloog geantwoord: ‘Pt geeft aan dat de klachten verergeren bij computerwerk. Peesklachten zijn vaak hardnekkig en worden in stand gehouden door belasting/repetitieve bewegingen. Afwisseling en rust zijn belangrijke componenten om de klachten onder controle te houden’. Uit deze bewoordingen, waarbij de Raad ‘patiënt’ leest waar ‘pt’ staat, blijkt duidelijk dat sprake is van een weergave van de subjectieve beleving van de polsklachten van appellant, en niet van een objectieve medische vaststelling door een arts over de gevolgen van computerwerkzaamheden voor de polsklachten van appellant.

5.2.3.

Voor zover het de rugklachten van appellant betreft, ziet ook Van Der Eijk verzekeringsgeneeskundig gezien geen reden voor ongeschiktheid voor het eigen werk. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank op dit punt.

5.2.4.

De beroepsgrond dat de rechtbank heeft verzuimd te beslissen op het verzoek tot het benoemen van een deskundige slaagt niet. Uit het slot van rechtsoverweging 8.5 van de aangevallen uitspraak blijkt duidelijk dat de rechtbank geen aanleiding heeft gezien voor het benoemen van een deskundige.

5.3.

Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat ook in hoger beroep geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige.

Conclusie en gevolgen

5.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) B. Uçurum

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »