ECLI:NL:CRVB:2026:1308

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
24/1734 ZW
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Medisch onderzoek zorgvuldig en conclusies toereikend gemotiveerd. Uwv is uitgegaan van juiste functiebelasting. Geen aanleiding voor benoeming deskundige.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

24/1734 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 mei 2024, 23/7310 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de uitkering die appellante ontving op grond van de ZW per 15 juni 2023 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om haar eigen werk te verrichten zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ö. Sahin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingestuurd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 september 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sahin en een begeleidster. Verder is A. Kabaktepe als tolk verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaakster in een bakkerij voor 14 uur per week. Haar dienstverband is op 7 maart 2022 geëindigd. Op 31 oktober 2022 heeft zij zich ziekgemeld met fysieke en mentale klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 13 juni 2023 heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 15 juni 2023 geschikt geacht voor haar laatste werk. Met een besluit van 15 juni 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering per die datum beëindigd.

1.2.

Bij besluit van 4 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 oktober 2023 ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Ook inhoudelijk heeft de rechtbank de beoordeling onderschreven. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de primaire arts heeft vastgesteld dat de door appellante ervaren klachten van de schouder en de rug verklaarbaar zijn en ook de psychische klachten worden onderkend. Appellante heeft haar werk kunnen verrichten ondanks haar klachten, omdat het om fysiek licht werk ging. De omstandigheid dat appellante voor haar psychische problemen is doorverwezen naar een specialist maakt niet dat zij ongeschikt is voor haar arbeid per 15 juni 2023. Over de stukken die appellante in beroep heeft overgelegd heeft de rechtbank overwogen dat deze zijn besproken op de zitting en niet weersproken is dat die stukken geen nieuwe medische informatie bevatten. De informatie van de zorgverzekeraar VGZ van 11 januari 2024 en van de wijkverpleegkundige maakt de beoordeling niet anders, omdat deze ziet op de periode na de datum in geding.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft herhaald dat haar rugklachten zijn verergerd sinds 2022 als gevolg van artrose en fybromyalgie. De aangevallen uitspraak is onvoldoende gemotiveerd. Zo is niet duidelijk waarom stukken van de wijkverpleegkundige niet zouden kunnen zien op de datum in geding. Verder is ten onrechte geoordeeld dat het om lichte werkzaamheden ging. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt nadere stukken overgelegd en de Raad verzocht om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

5.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

5.2.

Appellante heeft in hoger beroep de gronden van beroep herhaald. De rechtbank heeft die gronden op inzichtelijke wijze besproken. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

5.3.

Eerst in hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste functiebelasting van de maatgevende arbeid. De Raad volgt appellante hierin niet. Bij de vaststelling van de belastende factoren in de door appellante vervulde functie is het Uwv uitgegaan van de mededelingen van appellante op de vragenlijsten van 15 maart 2022 en 11 juli 2022. Op het spreekuur van de verzekeringsarts en bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante vervolgens desgevraagd de inhoud van haar werkzaamheden en de belastende aspecten hiervan uiteengezet. Daarbij heeft appellante aangegeven dat zij in haar werk als schoonmaakster voor twee uur per dag, zeven dagen per week, borden en kopjes in de vaatwasser moest doen, moest opruimen en stoffen. Qua belastende aspecten was er de mogelijkheid om zo nodig te zitten en te staan tijdens het werk, hoefden geen zware dingen te worden getild of gedragen, werden geen taken op schouderhoogte verricht, was de werkdruk niet hoog en mocht appellante op eigen tempo werken. Op basis hiervan heeft het Uwv geconcludeerd dat het om fysiek lichte werkzaamheden gaat en dat ook de psychische belasting gering is. Er bestaat geen aanleiding om deze conclusie niet te volgen. Eerst ter zitting bij de Raad stelt appellante dat zij zich tijdens het spreekuur bij de verzekeringsarts niet goed heeft kunnen uiten en dat de tolk het verhaal van appellante niet goed zou hebben weergegeven. Ook hierin wordt appellante niet gevolgd. In het rapport van de verzekeringsarts staat vermeld dat tijdens het gesprek is gebleken dat appellante in staat is om Nederlands te spreken, dat zij het gesprek goed kan volgen en dat zij heldere antwoorden kan geven op de gestelde vragen. Verder is vermeld dat ook haar dochter tijdens het gesprek aanwezig was en dingen heeft toegelicht/toegevoegd.

5.4.

De grond van appellante dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is geweest, slaagt niet. Appellante is op het spreekuur van een verzekeringsarts lichamelijk en psychisch onderzocht en de verzekeringsarts heeft beschikbare informatie van de behandelend sector (brieven van polikliniek reumatologie en van pijngeneeskunde) in zijn beoordeling betrokken. Appellante is in bezwaar op een hoorzitting gezien en door een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzocht. Deze heeft informatie bij de huisarts opgevraagd. Recente informatie van de huisarts alsmede onderliggende informatie van de behandelend sector is vervolgens kenbaar in de beoordeling meegenomen. Voor zover appellante meent dat de onzorgvuldigheid ziet op de uitkomst van het onderzoek, wordt zij hierin niet gevolgd. Dit op grond van het volgende.

5.5.

De verzekeringsartsen van het Uwv zijn uitgegaan van klachten van fibromyalgie, medicamenteus behandelde gewrichtspijnen, rechter schouderklachten, rugklachten en psychische klachten. Uit een MRI bleek dat geen sprake is van een hernia. Ondanks de schouder- en rugklachten is appellante in staat geacht het fysiek en mentaal als licht beschouwde werk te verrichten. De in hoger beroep overgelegde medische informatie maakt de beoordeling niet anders. Daarvan heeft het Uwv met juistheid gesteld dat deze informatie niet ziet op de datum in geding, 15 juni 2023. Die informatie werpt daarom geen ander licht op de beoordeling.

5.6.

Omdat er geen twijfel bestaat aan de juistheid van de beoordeling door het Uwv wordt het verzoek om een onafhankelijk deskundige te benoemen afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5.7.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van het ziekengeld per 15 juni 2023 in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) A.N. Bechinka

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »