ECLI:NL:CRVB:2026:1314

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
25/1732 WAJONG
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Inhouding derdenbeslag op Wajong-uitkering. Uit het bestreden besluit blijkt dat het Uwv met de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet rekening heeft gehouden. Het Uwv is naar het oordeel van de rechtbank derhalve binnen de grenzen van het gelegde beslag gebleven. Bezwaren betreffende een beslag kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

25/1732 WAJONG, 25/1733 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 1 juli 2025, 23/7062 (aangevallen uitspraak 1) en 24/1022 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 september 2026

SAMENVATTING

In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan op de Wajong-uitkering van appellant gelegde derdenbeslagen en of de rechtbank het beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft de hoger beroepen (geregistreerd onder 25/1732 en 25/1733) ingesteld en tevens verzocht het Uwv te veroordelen in de door hem geleden schade. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 19 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Zaak 25/1732 Wajong

1.1.

Ingevolge een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 14 mei 2020 is door gerechtsdeurwaarderskantoor [naam] ( [naam gerechtsdeurwaarderkantoor] ) op 19 januari 2021 executoriaal derdenbeslag gelegd onder het Uwv op de uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) van appellant. Op 13 januari 2023 heeft [naam gerechtsdeurwaarderkantoor] het Uwv bericht dat de beslagvrije voet is aangepast naar € 811,- per maand. Bij besluit van 26 januari 2023 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat het Uwv vanaf 1 februari 2023 het deel van de Wajong-uitkering van appellant boven de beslagvrije voet zal afdragen aan [naam gerechtsdeurwaarderkantoor] Op 17 februari 2023 heeft [naam gerechtsdeurwaarderkantoor] het Uwv bericht dat de beslagvrije voet is aangepast naar € 1.160,- per maand. Bij besluit van 24 februari 2023 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat het Uwv vanaf 1 maart 2023 het deel van de Wajong-uitkering van appellant boven de beslagvrije voet zal afdragen aan [naam gerechtsdeurwaarderkantoor] .

1.2.

Bij besluit van 16 november 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de door appellant tegen de besluiten van 26 januari 2023 en 24 februari 2023 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

Aangevallen uitspraak 1

2. De rechtbank heeft aan appellant vrijstelling van de betaling van griffierecht verleend en het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat bezwaren over een beslaglegging voorgelegd kunnen worden aan de burgerlijke rechter en dat de derde beslagene (Uwv) gehouden is volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid daarvan te beoordelen. Ook de bestuursrechter dient daarover niet te oordelen. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als in dit geding aan de orde, moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard. De bestuursrechter dient zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing gebleven is binnen het kader van het beslag. Het Uwv heeft daarom terecht het standpunt ingenomen dat het niet vrij staat de juistheid van het beslag te beoordelen. Uit het bestreden besluit blijkt dat het Uwv met de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet rekening heeft gehouden. Het Uwv is naar het oordeel van de rechtbank derhalve binnen de grenzen van het gelegde beslag gebleven.

Zaak 25/1733 Wajong

2.1.

Het Uwv heeft appellant bij brief van 7 december 2023 bericht dat gebleken is dat hij niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) van zijn gemeente, wat betekent dat zijn uitkering op grond van de Wajong misschien stopt. Verder heeft het Uwv in voormelde brief van 7 december 2023 uiteengezet wat appellant moet doen om dit te voorkomen. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.2.

Met een brief van 26 februari 2024 heeft het Uwv appellant bericht dat hij zich inmiddels bij zijn gemeente heeft ingeschreven en dat dat betekent dat hij zijn Wajonguitkering behoudt. De betaling van de Wajong-uitkering van appellant is in de tussentijd ongewijzigd voortgezet.

2.3.

Met het besluit van 22 februari 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de brief van 7 december 2023 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze brief geen voor bezwaar vatbaar besluit betreft.

Aangevallen uitspraak 2

2.4.

De rechtbank heeft aan appellant vrijstelling van de betaling van griffierecht verleend en vervolgens ambtshalve beoordeeld of appellant een procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval, waarna de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het vaste rechtspraak is dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Naar het oordeel van de rechtbank kan een beoordeling van de vraag of het Uwv al dan niet terecht heeft geacteerd na de melding over uitschrijving uit het BRP geen feitelijk betekenis meer hebben, omdat de Wajonguitkering van appellant ongewijzigd is voortgezet. De rechtbank heeft overwogen dat uit de rechtspraak volgt dat procesbelang ook aanwezig kan zijn in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand niet aannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant weliswaar claimt schade te hebben geleden, maar nog geen begin van bewijs voor het ontstaan van schade heeft geleverd. Daarom is op voorhand onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden. Appellant heeft daarom geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met beide voormelde uitspraken van de rechtbank niet eens. Daartoe heeft appellant in zijn algemeenheid tegen beide uitspraken aangevoerd dat de rechtbank nagelaten heeft te beslissen op de kernpunten en te reageren op belangrijke door hem naar voren gebrachte rechtsvragen. Daardoor is sprake van een onvolledige objectieve en onafhankelijke boordeling, rechtsweigering en een motiveringsgebrek. Volgens appellant heeft hij geen eerlijk proces gekregen en is artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden. Appellant heeft aangevoerd dat hij persoonlijke en financiële schade heeft geleden als gevolg van het handelen van het Uwv en de juridische procedures die over de afgelopen dertig jaar zijn gevoerd. Dit heeft een zware tol geëist met aanhoudende psychische en emotionele schade en een negatieve impact op zijn levenskwaliteit en welzijn. Ook is er sprake van inkomensverlies en financiële onzekerheid. Verder heeft appellant aangevoerd dat het Uwv het executoriaal derdenbeslag niet blindelings had moeten uitvoeren, maar een eigen onderzoek had moeten verrichten. Het Uwv heeft een zorgplicht. Nu appellant gesteld heeft dat het ingehouden derdenbeslag te hoog is, had het Uwv de juistheid van het derdenbeslag moeten onderzoeken. Ook heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank miskend heeft dat hij een indirect belang heeft bij een inhoudelijk beoordeling van zijn beroep, namelijk een mogelijke beëindig van zijn Wajong-uitkering. Appellant heeft verder gesteld dat het Uwv op grond van artikel 2:34 van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) verplicht was om de gemeente op de hoogte te brengen van zijn woonadres.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het Uwv op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het executoriaal derdenbeslag. De Raad beoordeelt daarnaast of de rechtbank terecht het beroep van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Dat doet de Raad aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen.

5.1.

Wat appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraken afdoende besproken. De Raad onderschrijft dan ook zowel het oordeel van de rechtbank in beide uitspraken als de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

5.2.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2024 heeft geoordeeld1 beperkt de omvang van het geding zich in geval van executoriaal derdenbeslag op een Wajong-uitkering tot de vraag of de derdebeslagene, in dit geval het Uwv, bij het nemen van de betalingsbeslissing gebleven is binnen het kader van het beslag. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord.

5.3.

Verder staat vast dat de Wajong-uitkering van appellant in de periode tussen de brief van 7 december 2023 en de brief van 26 februari 2024 ongewijzigd is voortgezet. De door het Uwv in de brief van 7 december 2023 genoemde mogelijkheid dat de Wajong-uitkering van appellant misschien stopt, heeft zich dus niet voorgedaan, waardoor aan een oordeel over de vraag of het Uwv bij bestreden besluit 2 het bezwaar van appellant tegen de brief van 7 december 2023 terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, geen feitelijke betekenis voor hem meer kan toekomen. Daarnaast heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat op voorhand onaannemelijk is dat appellant schade heeft geleden. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat appellant geen procesbelang meer had bij een oordeel over bestreden besluit 2.

5.4.

Tot slot wordt overwogen dat van de door appellant gestelde schending van artikel 6 van het EVRM niet is gebleken en dat wat appellant heeft aangevoerd over verplichtingen van het Uwv op grond van de Wet BRP, wat daar verder ook van zij, buiten de omvang van de onderhavige hogerberoepsprocedures valt en daarom onbesproken blijft.

Conclusie en gevolgen

5.5.

De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken – voor zover aangevochten – worden bevestigd. Voor een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade bestaat geen aanleiding, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgt appellant ook geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten;

  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) B. Uçurum

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »