ECLI:NL:CRVB:2026:1313

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
23/1765 ZW
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Hoger beroep werkgever. Het Uwv is er ook na de tussenuitspraak niet in geslaagd om op juiste wijze uitvoering te geven aan eerdere uitspraak van de Raad. Nieuw besluit onzorgvuldig voorbereid en niet toereikend gemotiveerd. Vernietiging besluit kan niet leiden tot gevolgen voor de al toegekende ZW-uitkering. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

23/1765 ZW

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 16 maart 2023

Partijen:

[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv met het voortzetten van de ZW-uitkering van werknemer per 12 juli 2018 op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan een eerdere uitspraak van de Raad. Volgens appellante is dat niet het geval. De Raad volgt het standpunt van appellante en komt tot het oordeel dat het Uwv het bestreden besluit ook na de tussenuitspraak niet voldoende heeft gemotiveerd. De Raad stelt het Uwv niet opnieuw in de gelegenheid het besluit van een nadere motivering te voorzien en vernietigt het bestreden besluit. Dat betekent dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Omdat intrekking van een ZW-uitkering, die voortvloeit uit een door een werkgever ingesteld beroep, niet eerder kan plaatsvinden dan met ingang van de dag volgend op die waarop de uitspraak is gedaan, worden wel de rechtsgevolgen in stand gelaten.

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 29 oktober 2025 een tussenuitspraak1 gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. Appellante heeft hierop gereageerd, waarna het Uwv aanvullende stukken heeft ingediend. Appellante heeft ook hierop gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Daaraan wordt het volgende aan toegevoegd.

1.1.

In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv met het bestreden besluit geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht die de Raad heeft gegeven in de uitspraak van 22 februari 2023,2 omdat het Uwv niet heeft onderzocht of het mogelijk zou zijn geweest om andere voor werknemer geschikte functies te selecteren zonder kenmerkende belasting op hand- en vingergebruik. Als in dat geval zou komen vast te staan dat alsnog voldoende geschikte functies hadden kunnen worden geselecteerd ter onderbouwing van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, dan zou daarmee de onrechtmatigheid van het besluit van 16 maart 2023, waarbij de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) na 12 juli 2018 is gecontinueerd, ten opzichte van appellante gegeven zijn en kan de ZW-uitkering in dat geval niet op appellante worden verhaald. Het Uwv is opgedragen te onderzoeken of andere functies geselecteerd hadden kunnen worden, die werknemer zou kunnen verrichten met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen in overweging 2.2 van de uitspraak van 22 februari 2023 over de beperkingen voor hand- en vingergebruik en fijne motoriek.

1.2.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv de Raad een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 januari 2026 ingediend. Uit dat rapport blijkt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep – indien rekening wordt gehouden met een kenmerkende belasting aan de beperkte dominante rechterhand (in het geheel geen belasting mogelijk voor wat betreft het gebruik van de rechterhand) – niet voldoende functies heeft kunnen duiden. Voor het verrichten van de handelingen in de (voorgeselecteerde) functies is – op een enkele uitzondering na – steeds het gebruik van beide handen dan wel het gebruik van de beperkte dominante rechterhand vereist. Gelet op de vraagstelling van de Raad gaat het Uwv ervan uit dat alleen arbeid waarbij de dominante beperkte rechterhand/-arm volledig kan worden ontzien geschikt is voor werknemer. Nu er onvoldoende functies kunnen worden geduid, wordt volgens het Uwv niet tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35% gekomen en dat betekent dat het besluit van 16 maart 2023, waarbij de ZWuitkering vanaf 12 juli 2018 is voortgezet, niet onrechtmatig is. Er is volgens het Uwv dan ook geen sprake van onrechtmatig handelen en geen sprake van schadeplichtigheid jegens appellante.

1.3.

Appellante heeft in reactie aangevoerd dat het Uwv er niet in is geslaagd is het gebrek te herstellen.

1.3.1.

In de eerste plaats is appellante van mening dat het Uwv nog steeds geen onderzoek heeft gedaan met inachtneming van het gestelde in de einduitspraak van 22 februari 2023. Appellante heeft in dit verband benadrukt dat geen medisch onderzoek door een verzekeringsarts heeft plaatsgevonden en dat bij het aannemen van beperkingen op het hand- en vingergebruik en fijne motoriek gradaties zitten. Volgens appellante had het Uwv een verzekeringsarts bezwaar en beroep moeten inschakelen. Dit maakt ook dat niet kan worden geverifieerd of wat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aangevoerd als redenen waarom de functies niet geschikt zijn, wel juist is. Appellante heeft erop gewezen dat onduidelijk is waarom er zo weinig functies uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zijn gekomen waarbij het hand- en vingergebruik geen kenmerkende belasting vormt. Zo heeft appellante gewezen op de functies van suppoost of gastheer/vrouw, parking host, winkelhulpkracht en verkoper tickets, die niet zijn onderzocht. Op zijn minst hadden de functies van parking host en verkoper tickets volgens appellante onderzocht moeten worden.

1.3.2.

Appellante is verder van mening dat het Uwv en niet zij de ZW-uitkering aan werknemer moet betalen. Met de uitspraak van de Raad van 22 februari 2023 is vast komen te staan dat het onderzoek van het Uwv op 31 mei 2018 onvoldoende is geweest en dat dit, voor zover dit door het verloop van tijd niet meer kon worden hersteld, voor risico van het Uwv moet komen. Dit geldt volgens appellante niet alleen voor het Uwv ten opzichte van werknemer, maar ook ten opzichte van haar. Appellante heeft als gevolg van het onrechtmatig handelen van het Uwv schade geleden. Daarbij is van belang dat het Uwv in het bestreden besluit heeft vermeld dat het Uwv de ZW-uitkering zal betalen. Als het Uwv had bedoeld dat appellante de ZW-uitkering moet betalen dan had het Uwv dat moeten opnemen in dit besluit.

1.3.3.

Appellante heeft tot slot opgemerkt van mening te zijn dat het Uwv niet nogmaals in de gelegenheid moet worden gesteld een gebrek te herstellen dan wel opnieuw na een einduitspraak in de gelegenheid mag worden gesteld een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

1.4.

Op verzoek van de Raad om een reactie op het standpunt van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 19 maart 2026 een fictieve Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin aanvullende beperkingen voor hand- en vingergebruik zijn opgenomen, en heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met inachtneming van deze FML opnieuw het CBBS geraadpleegd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is niet tot een andere conclusie gekomen. Ter onderbouwing van het standpunt dat het merendeel van de voorgeselecteerde functies niet geschikt zijn, heeft hij verwezen naar de notities functiebelasting. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep opgemerkt dat de functies suppoost of gastheer/vrouw, parking host en verkoper tickets niet zijn voorgeselecteerd en dus niet kunnen worden beoordeeld op hun geschiktheid en dus niet kunnen worden geduid en dat de functies winkelhulpkracht en verkoper niet geschikt zijn.

1.5.

Appellante heeft naar aanleiding van de aanvullende reactie van het Uwv haar standpunt herhaald dat het Uwv er niet in is geslaagd het gebrek te herstellen.

Het oordeel van de Raad

2. De Raad beoordeelt of het bestreden besluit in stand kan blijven aan de hand van wat appellante in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

2.1.

In de uitspraak van 22 februari 2023 heeft de Raad het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarvoor een nieuwe medische en arbeidskundige beoordeling zal moeten plaatsvinden met inachtneming van deze uitspraak. De Raad heeft daartoe in overweging 2.2 overwogen dat de motivering die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gegeven in zijn rapport onvoldoende overtuigend is. Zo was deze arts niet ingegaan op de klachten die zijn vermeld in de medische informatie van voor en na de beoordelingsdatum die door werknemer naar voren waren gebracht en was niet nader gemotiveerd waarom niet wordt uitgegaan van stijfheid van vingers en van doof gevoel in de vingers en wat hiervan het mogelijke gevolg is voor het kunnen uitvoeren van verschillende hand- en vingergrepen en de fijne motoriek. Op grond van de klachten en de aanwezige medische informatie waren er naar het oordeel van de Raad aanwijzingen voor meer beperkingen voor hand- en vingergebruik en fijne motoriek dan in de FML van 24 augustus 2022 was aangenomen.

2.2.

In zijn tussenuitspraak heeft de Raad onder meer overwogen dat uit de uitspraak van 22 februari 2023 voortvloeit dat de motivering van de verzekeringsarts wat betreft de mogelijke belasting voor de werknemer voor het hand- en vingergebruik onvoldoende was en dat het Uwv niet heeft onderzocht of het mogelijk zou zijn geweest om andere voor werknemer geschikte functies te selecteren zonder kenmerkende belasting op hand- en vingergebruik. Het Uwv is daarbij in de gelegenheid gesteld te onderzoeken of andere functies geselecteerd hadden kunnen worden, die werknemer zou kunnen verrichten met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen in overweging 2.2 van de uitspraak van 22 februari 2023.

2.3.

Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 maart 2026 blijkt dat deze de verzekeringsarts bezwaar en beroep op verzoek van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een fictieve FML van 19 maart 2026 heeft opgesteld. Daarin zijn ten opzichte van de FML van 24 augustus 2022 beperkingen toegevoegd op het item hand- en vingergebruik. Aan de FML van 19 maart 2026 is echter geen nader medisch onderzoek voorafgegaan. Ook ontbreekt een motivering waarom de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de in de fictieve FML neergelegde beperkingen is gekomen. Ook is niet duidelijk waarom de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 23 maart 2026 bij de functieduiding ervan is uitgegaan dat in het geheel geen belasting mogelijk is voor wat betreft het gebruik van de rechterhand en uitsluitend heeft gezocht naar functies waarbij de inzet van de niet beperkte, niet dominante linkerhand aan de orde is. Uit de uitspraak van de Raad van 22 februari 2023 volgt weliswaar dat door tijdsverloop het functioneren van de vingers van werknemer niet meer kan worden onderzocht, maar dat betekent niet dat een medisch onderzoek volledig achterwege kon blijven en dat – zonder nader medisch onderzoek – ervan uit moet worden gegaan dat het gebruik van de rechterhand in het geheel niet mogelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had op basis van de in het dossier aanwezige informatie moeten motiveren welke beperkingen hij op de datum in geding aangewezen achtte. Door dit niet te doen is het medisch onderzoek niet zorgvuldig verricht. Dit betekent ook dat de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit niet deugdelijk is. Wat appellante verder heeft aangevoerd, behoeft daarom geen verdere bespreking.

2.4.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit berust op een onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Gelet op het tijdsverloop en de mogelijkheden die het Uwv gedurende de procedure heeft gehad, zal de Raad het Uwv niet opnieuw in de gelegenheid stellen het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering te voorzien. De Raad zal daarom het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en artikel 7:12 van de Awb.

2.5.

In artikel 30b, eerste lid, van de ZW is geregeld dat de intrekking van een ZWuitkering, die voortvloeit uit een door een werkgever ingesteld bezwaar of beroep, niet eerder plaatsvindt dan met ingang van de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekend gemaakt of de uitspraak is gedaan. Dit betekent dat de vernietiging van het bestreden besluit niet kan leiden tot gevolgen voor de al toegekende ZW-uitkering van werknemer. Daarom zal de Raad bepalen dat dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.3 Appellante heeft aangekondigd te zijner tijd een schadeverzoek bij het Uwv in te dienen, zodat de Raad daarover in deze procedure niet hoeft te beslissen.

Conclusie en gevolgen

2.6.

Het beroep slaagt dus. Dit betekent dat appellante terecht heeft aangevoerd dat het besluit van 16 maart 2023, waarbij de ZW-uitkering van werknemer wordt gecontinueerd ten opzichte van appellante onrechtmatig is. Aangezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, blijft de voortzetting van de ZW-uitkering wel in stand.

3. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden begroot op € 3.269,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, driemaal 0,5 punt voor het indienen van een reactie op verzoek van de Raad, met een waarde per punt van € 934,-).

4. Ook moet het Uwv het door appellante betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 maart 2023;

  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.269,-;

  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 365,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en M.E. Fortuin en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

(getekend) E. Dijt

(getekend) B. Uçurum

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »