RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/795
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aanspraak van eiseres op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het UWV heeft vastgesteld dat eiseres geen recht (meer) heeft op een ZW-uitkering. Eiseres is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de beslissing van het UWV.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is omdat het bestreden besluit niet zorgvuldig en gemotiveerd tot stand is gekomen. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd. Omdat het UWV inmiddels met een nieuwe beoordeling alsnog een toereikende onderbouwing heeft gegeven, bepaalt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven voor zover die zien op de afwijzing van een ZW-uitkering per 21 oktober 2024. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 30 april 2024 (het primaire besluit I) heeft het UWV in het kader van een eerstejaarsziektewetbeoordeling (EZWb) de ZW-uitkering van eiseres beëindigd per 16 augustus 2024. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 16 oktober 2024 (het primaire besluit II) heeft het UWV na een nieuwe ziekmelding bepaald dat eiseres per 21 oktober 2024 (weer) geschikt is voor het eigen werk en daarom per die datum geen ZW-uitkering meer krijgt. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 10 december 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het besluit van 16 oktober 2024 gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Het UWV heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Het onderzoek is op zitting geschorst en het UWV is in de gelegenheid gesteld nieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek uit te voeren en voor zover nodig de besluitvorming daarop aan te passen.
Het UWV heeft op 19 maart 2026 aangegeven de primaire besluiten I en II te handhaven en heeft ter onderbouwing de volgende stukken overlegd:
- een verzekeringsgeneeskundig rapport van 9 december 2025;
- een functionele mogelijkheden lijst (FML) van 9 december 2025; en
- een arbeidsdeskundig rapport van 10 maart 2026.
Eiseres heeft op 22 april 2026 op de stukken gereageerd.
De rechtbank heeft met inachtneming van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft van 16 januari 2023 tot 12 februari 2023 gewerkt als commercieel medewerkster binnendienst voor 40 uur per week. Zij heeft zich op 17 juli 2023 vanuit de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld. Met het besluit van 17 oktober 2023 heeft het UWV aan eiseres per 16 oktober 2023 een ZW-uitkering toegekend.
In het kader van de EZWb is eiseres op 23 april 2024 op het spreekuur van de verzekeringsarts van het UWV geweest. Deze verzekeringsarts heeft onderzocht wat de arbeidsbeperkingen van eiseres zijn. Deze beperkingen zijn opgenomen in de FML van 23 april 2024. De verzekeringsarts heeft in het rapport ook opgenomen dat eiseres niet geschikt is voor het eigen werk. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige van het UWV in het rapport van 30 april 2024 vastgesteld welk werk eiseres kan doen met die beperkingen. Volgens de arbeidsdeskundige is eiseres geschikt voor haar eigen werk. Ook zijn er drie functies die eiseres, ondanks haar beperkingen, nog zou kunnen doen. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat eiseres met de middelste van de drie functies 92,23% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij zich ziek meldde. Omdat eiseres meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij zich ziek meldde, heeft het UWV in het primaire besluit I bepaald dat eiseres per 16 augustus 2024 geen ZW-uitkering meer krijgt.
Eiseres heeft zich op 30 september 2024 opnieuw ziek gemeld.
Met het primaire besluit II heeft het UWV bepaald dat eiseres vanaf 21 oktober 2024 weer geschikt is voor het eigen werk en per die datum geen ZW-uitkering meer ontvangt. Er wordt daarbij verwezen naar het medisch onderzoeksverslag van 11 september 2024 van de verzekeringsarts die ook de FML van 23 april 2024 heeft vastgesteld. In het rapport is opgenomen dat eiseres ongeschikt is voor het eigen werk. Er is geen arbeidsdeskundig rapport opgesteld.
Met het bestreden besluit verklaart het UWV het bezwaar tegen het primaire besluit II ongegrond. In het bestreden besluit wordt verwezen naar het rapport van de bedrijfsarts bezwaar en beroep van 5 december 2024. Daarin wordt onder meer aangegeven dat eiseres per 21 oktober 2024 geschikt is voor het “eigen werk”. In het bestreden besluit verwijst het UWV niet naar het primaire besluit I.
Toetsingskader
4. Een verzekerde heeft recht op een ZW-uitkering als hij of zij ongeschikt is tot het verrichten van zijn of haar arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte.1 Een verzekerde zonder werkgever heeft na 52 weken geen recht (meer) op een ZW-uitkering als na een EZWb blijkt dat hij of zij ongeschikt is tot het verrichten van zijn of haar arbeid (waaronder wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid2) en hij of zij op basis van in dat kader geselecteerde functies3 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij of zij met zijn of haar arbeid verdiende voor hij of zij ziek werd.4 Of de verzekerde dit percentage kan verdienen, baseert het UWV op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.5
Als een verzekerde zich opnieuw ziekmeldt en na beëindiging van de ZW-uitkering niet in enig werk heeft hervat, kan een ZW-uitkering worden geweigerd als de verzekerde nog steeds geschikt is voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Daarbij geldt dat als de verzekeringsarts naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen van een betrokkene sinds de eerdere EZWb niet zijn toegenomen, daarmee dan gegeven is dat de bij de EZWb geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook op de datum in geding van de tweede ziekmelding voor de verzekerde geschikt zijn. Deze vaststelling is voldoende om de ZW-uitkering te weigeren.6
Reikwijdte beroep
5. Ter zitting is met partijen gesproken over de status en de samenhang van de twee primaire besluiten, de daartegen gemaakte bezwaren en het bestreden besluit. Partijen zijn het erover eens dat (i) het bestreden besluit niet ziet op het bezwaar tegen het primaire besluit I, (ii) eiseres procesbelang heeft bij een beslissing op dat bezwaar vanwege de gemaakte aanspraak op de WW als gevolg van het primaire besluit I; en (iii) de motivering van het primaire besluit II niet klopt onder meer omdat die niet concreet ziet op de tweede ziekmelding. Het UWV heeft ter zitting erkend dat er in de besluitvorming meerdere fouten zijn gemaakt en dat die fouten hersteld moeten worden met een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek waarbij eiseres opnieuw wordt onderzocht.
Uit oogpunt van efficiëntie en finale geschilbeslechting is in overleg met partijen het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen de beroepsprocedure een nieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek te verrichten waarbij zou worden gekeken naar de rechtmatigheid van beide primaire besluiten in relatie tot de daartegen aangevoerde bezwaargronden. Het UWV heeft daaraan gevolg gegeven en daarmee het bestreden besluit voorzien van een nieuwe onderbouwing en alsnog beslist op het bezwaar tegen het primaire besluit van 30 april 2024 (zie verder hieronder). Het UWV erkent dat die onderbouwing ten aanzien van de medische beperkingen inhoudelijk afwijkt van de eerdere FML waarop de eerdere besluitvorming is gebaseerd.
De rechtbank is op grond van voorgaande van oordeel dat hiermee vaststaat dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel is genomen. In zoverre is het beroep van eiseres gegrond. De hierop betrekking hebbende beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Hieronder beoordeelt de rechtbank de gronden van eiseres zoals deze zijn verwoord in de brief van 22 april 2026 en zijn gericht tegen de nieuwe onderbouwing van het bestreden besluit en aanvullende besluitvorming en de daaraan door het UWV verbonden gevolgen. Daarvoor volgt eerst kort een beschrijving van de uitkomst van de nieuwe beoordeling.
Nieuwe beoordeling
6. Het UWV heeft een nieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek laten verrichten naar de situatie van eiseres op de relevante data in geding: 16 augustus 2024 (het primaire besluit I) en 21 oktober 2024 (het primaire besluit II). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich daarbij gericht op de volgende vragen:
( i) Is er een noodzaak om af te wijken van de per 16 augustus 2024 aangegeven mogelijkheden en beperkingen (FML) van belanghebbende?
( ii) Is sprake van toegenomen beperkingen per 21 oktober 2024? Zo ja, is belanghebbende geschikt te achten voor de geduide functies die de verzekerde arbeid voor de Ziektewet vormen?
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiseres op 9 december 2025 gezien en onderzocht. In het rapport stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep vast dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid omdat aan de daarvoor opgenomen uitzonderingscriteria van het Schattingsbesluit op beide data niet wordt voldaan. Wel stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep vast dat de primaire verzekeringsarts geen volledig beeld heeft gehad van de medische situatie op de datum in geding (16 augustus 2024). De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft aan dat de primaire verzekeringsarts ervan uit is gegaan dat de beperkingen van eiseres het gevolg zijn van een depressieve stoornis en de fysieke klachten van eiseres onder de noemer van een somatoforme stoornis heeft geplaatst. Met name die laatste werkdiagnose acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist. Hoewel de psychische kwetsbaarheid ook voor de primaire arts aanleiding was beperkingen op te nemen voor de mentale belastbaarheid, acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres op de datum in geding echter aanvullend beperkt in persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van depressie en PTSS-symptomen en de chronische, wisselende stemmingsklachten. Eiseres is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom aangewezen op relatief voorspelbaar werk zonder hulpbehoevenden en leidinggevende taken en onder regelmatige werktijden. Door de pijnklachten in het linkerbeen als gevolg van een progressieve vernauwing van de slagader was op de datum in geding ook sprake van een aanzienlijk beperkte belastbaarheid waarbij eiseres is aangewezen op overwegend zittende werkzaamheden. Voor de twee poliklinische ingrepen, die op 30 september 2024 en 4 oktober 2024 hebben plaatsgevonden, stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de belastbaarheid van eiseres daardoor niet significant is beïnvloed. Daarbij verwijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar de relatief korte hersteltijd van beide ingrepen. Om die reden stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiseres op 21 oktober 2024 weer belastbaar kon worden geacht met relatief licht werk. Voor de rugklachten neemt de verzekeringsarts geen aanvullende beperkingen aan, omdat geen sprake is van specifieke rugpathologie rondom de data in geding. Ook vindt de verzekerginsarts bezwaar en beroep geen aanleiding voor een beperking in de duurbelastbaarheid, omdat aan de criteria van de verzekeringsgeneeskundige standaard ‘duurbelastbaarheid in arbeid’ niet wordt voldaan. Aan de hand van voornoemde bevindingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 9 december 2025 een nieuwe FML opgesteld. Daarbij wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat in de relatief korte periode tussen 16 augustus 2024 (datum in geding van het primaire besluit I) en 21 oktober 2024 (datum in geding van het primaire besluit II) geen significante wijzigingen hebben voorgedaan in de totale belastbaarheid zodat de nieuwe FML geldig is op beide data.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aan de hand van de nieuwe FML beoordeeld of de in het kader van de EZWb geselecteerde functies zoals opgenomen in het primaire besluit I nog geschikt zijn voor eiseres. Onder verwijzing naar de in het CBBS van 17 februari 2026 opgenomen motivering voor eventuele signaleringen, concludeert de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 10 maart 2026 dat de functies van archiefmedewerker (SBC-code 513132), administratief medewerker notaris, advocaat, rechtbank (SBC-code 532040) en boekhouder, loonadministrateur (SBC-code 315040) nog steeds geschikt zijn voor eiseres.
Het UWV heeft op grond van bovenstaande in de brief van 19 maart 2026 overwogen dat ook met de nieuwe vastgestelde beperkingen de in het kader van de EZWb geselecteerde functies uit het primaire besluit I geschikt blijven en geen sprake is van een toename van klachten op datum in geding van het primaire besluit II. Daarmee bestaat volgens het UWV in beide gevallen geen recht (meer) op een ZW-uitkering en zijn de primaire besluiten van 30 april 2024 en 16 oktober 2024 juist genomen. De rechtbank begrijpt dat het UWV hiermee de bezwaren tegen de primaire besluiten ongegrond heeft geacht.
Is eiseres meer beperkt dan opgenomen in de FML?
7. Eiseres vindt dat haar medische situatie – ondanks de extra beperkingen in de FML van 9 december 2025 – alsnog is onderschat. Zij geeft aan dat zij psychisch en lichamelijk meer beperkt is dan het UWV heeft vastgesteld in de FML. In dat kader voert eiseres aan dat zij inmiddels weer in behandeling is bij de GGZ en dat ook tijdens het spreekuur naar voren is gekomen dat eiseres nog altijd psychische klachten ervaart en inmiddels op een wachtlijst staat voor verdere behandeling en tot die tijd beperkt wordt begeleid via de POH-GGZ. Tegen die achtergrond meent eiseres dat verwacht mag worden van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat nadere informatie wordt opgevraagd of psychiatrisch of psychologische expertiseonderzoek wordt verricht en niet enkel wordt afgegaan op dossieronderzoek of een eenmalige eigen observatie op het spreekuur. Verder betoogt eiseres dat vanwege onder meer de energetische beperkingen onvoldoende is onderzocht waarom eiseres niet in aanmerking komt voor een urenbeperking zoals bedoeld in de standaard duurbelasting. Tot slot geeft eiseres aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte stelt dat de klachten tussen 16 augustus 2024 en 21 oktober 2024 niet zijn toegenomen, omdat zij zich eind september / begin oktober 2024 opnieuw heeft ziekgemeld als gevolg van een medische ingreep terwijl de overige klachten reeds bestonden en ook daarna voortduurden.
De rechtbank overweegt dat het UWV de besluitvorming heeft gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Het UWV mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op die rapporten als die rapporten:
-
op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
-
geen tegenstrijdigheden bevatten; en
-
voldoende begrijpelijk zijn.
Als iemand vindt dat de besluiten van het UWV over zijn arbeidsongeschiktheid niet juist zijn, moet hij of zij aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Om aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat eiseres mentale en fysieke klachten heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de bezwaren van eiseres meer beperkingen opgenomen dan de eerste verzekeringsarts heeft gedaan en de FML daarop aangepast. De rechtbank vindt dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoet aan de onder overweging 7.1 genoemde voorwaarden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiseres op 9 december 2025 lichamelijk en psychisch onderzocht. Er heeft een gesprek over de gezondheid en het functioneren van eiseres plaatsgevonden. Ook is het medische dossier, waaronder de informatie die eiseres in bezwaar en beroep heeft ingebracht mede naar aanleiding van de medische ingrepen op 30 september 2024 en 4 oktober 2024, betrokken.
De rechtbank begrijpt dat eiseres (nog) meer beperkingen ervaart, maar uit vaste rechtspraak volgt dat het bij de beoordeling gaat om de beperkingen die objectief medisch kunnen worden onderbouwd.7 De klachten die iemand ervaart of een gestelde diagnose is niet beslissend bij de beoordeling. Anders dan eiseres stelt, volgt uit vaste rechtspraak dat een verzekeringsarts in beginsel mag uitgaan van zijn eigen medisch oordeel en niet verplicht is om zelf gegevens op te vragen van de behandelend sector.8 Omdat eiseres zelf niet met medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de data in geding een onjuist beeld had van haar gezondheidstoestand op de datum in geding, twijfelt de rechtbank niet aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts. Dat geldt ook voor de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de beperkingen op 21 oktober 2024 – ondanks eerdergenoemde ingrepen die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport zijn betrokken – niet zijn toegenomen ten opzichte van 16 augustus 2024. Anders dan eiseres stelt houdt de verzekeringsarts op beide data in geding rekening met de bestaande en voortdurende psychisch en fysieke beperkingen. Dat eiseres inmiddels op een wachtlijst staat voor verdere GGZ-behandeling en tot die tijd beperkt wordt begeleid via de POH-GGZ voor haar psychische klachten, leidt in onderhavig beroep niet tot een andere uitkomst, omdat dit een omstandigheid is van na de datum in geding. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat vanwege onder meer de energetische beperkingen een urenbeperking had moeten worden opgenomen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat eiseres is aangewezen op fysiek, mentaal en energetisch relatief licht belastende werkzaamheden en dat daarmee voldoende rekening wordt gehouden met de ervaren vermoeidheid.
Op grond van voorgaande oordeelt de rechtbank dat het UWV de beperkingen van eiseres (inmiddels) correct heeft vastgesteld en dat de beperkingen in de FML van 9 december 2025 juist zijn en als uitgangspunt kan worden genomen voor zowel het besluit van 30 april 2024 (het primaire besluit I) als het besluit van 16 oktober 2024 (het primaire besluit II).
Kan eiseres de geselecteerde functies verrichten?
8. Eiseres merkt op dat de arbeidsdeskundig bezwaar en beroep in het rapport van 10 maart 2026 niet heeft vastgesteld dat eiseres geschikt is voor haar eigen werk als commercieel medewerkster binnendienst. Voor zover eiseres geschikt zou zijn voor de geselecteerde functies, geeft eiseres aan dat die beoordeling is gemaakt aan de hand van een volgens eiseres onvolledige FML.
De rechtbank overweegt dat de vraag of eiseres nog geschikt is voor haar laatstelijk voor de (eerste) ziekmelding feitelijk verrichte arbeid niet meer relevant is, omdat uit het juridisch kader (zie onder 4) volgt dat in een situatie zonder werkgever de geselecteerde functies in het kader van de EZWb uitgangspunt zijn voor de vraag of eiseres recht heeft op een ZW-uitkering. Dat geldt vervolgens ook voor de situatie dat er een nieuwe ziekmelding komt en eiseres daarvoor niet in enig werk heeft hervat. De arbeidsdeskundige stelt vast dat de in het kader van de EZWb geselecteerde functies de nieuwe beperkingen niet overschrijden en eventuele signaleringen gemotiveerd zijn weerlegd. Onder verwijzing naar het rapport van de eerste arbeidsdeskundige van 30 april 2024 volgt daaruit dat eiseres meer dan 35% van het maatmaninkomen kan verdienen.
Zoals de rechtbank in overweging 7.1 heeft aangegeven, mag van de juistheid van de bevindingen van de arbeidsdeskundige worden uitgegaan, tenzij daarover op objectieve gronden twijfel bestaat. De rechtbank overweegt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij gebrek aan objectief (medisch) bewijs voor het tegendeel de FML als uitgangspunt heeft kunnen nemen en voor het selecteren van de functies geen rekening heeft hoeven houden met andere fysieke of mentale beperkingen. Omdat eiseres geen gronden richt tegen de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de geselecteerde functies de beperkingen niet overschrijden, kan van de juistheid van deze conclusie worden uitgegaan voor de vraag of eiseres op 16 april 2024 meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen (het primaire besluit I) en de geselecteerde functies op 21 oktober 2024 nog steeds geschikt zijn voor eiseres.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd tot stand gekomen en dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb.
Uit de nieuwe beoordeling volgt dat het UWV aan de hand van de EZWb de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd omdat eiseres op 16 augustus 2024 meer dan 65% van het maatmaninkomen kon verdienen. Daarmee heeft het UWV alsnog inhoudelijk en voldoende gemotiveerd het bezwaar tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard. Het beroep daartegen is daarom ongegrond. Ook heeft het UWV na de tweede ziekmelding terecht geoordeeld dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering omdat de beperkingen op 21 oktober 2024 niet waren toegenomen ten opzichte van 16 augustus 2024. Omdat dit ook de uitkomst is van het bestreden besluit, blijven de rechtsgevolgen van dat vernietigde bestreden besluit in stand.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV de proceskosten vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het huidige Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de proceskosten in beroep wordt de vergoeding vastgesteld op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na de nieuwe beoordeling van het UWV met een waarde per punt van € 934,-, wegingsfactor 1). Het UWV moet ook het griffierecht van eiseres vergoeden. Verder zijn er in beroep geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 10 december 2024 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven voor zover die zien op het primaire besluit van 16 oktober 2024;
- verklaart het beroep ongegrond voor zover dit betrekking heeft op de alsnog genomen beslissing op het bezwaar tegen het primair besluit van 30 april 2024.;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.
De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.