ECLI:NL:CRVB:2026:1258

Datum uitspraak
23-09-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
25/1984 WIA
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Weigering om terug te komen van het besluit van 25 oktober 2018 tot beëindiging van de ZW-uitkering van appellant. Zorgvuldige medische beoordeling. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

25/1984 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 augustus 2025, 25/438 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 25 oktober 2018, waarbij de ZW-uitkering van appellant per 2 december 2018 is beëindigd. Volgens appellant is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat de rechtbank de weigering terecht in stand heeft gelaten.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V.C.D. Klaassen, kantoorgenoot van mr. Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als junior aangiftemedewerker voor 35,86 uur per week. Op 2 november 2017 heeft hij zich ziekgemeld. Hij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 februari 2018 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft het Uwv appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 september 2018. Bij besluit van 25 oktober 2018 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 2 december 2018 beëindigd omdat hij op 1 november 2018 meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Op 15 februari 2019 heeft appellant zich opnieuw ziekgemeld. Bij besluit van 26 maart 2019 heeft het Uwv appellant per 25 maart 2019 weer arbeidsgeschikt geacht voor zijn eigen werk. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen deze besluiten.

1.2.

Op 16 januari 2024 heeft appellant een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellant heeft vermeld dat hij sinds 1 oktober 2016 arbeidsongeschikt is en voor hem pas later duidelijkheid is gekomen over zijn medisch toestandsbeeld. Zijn autisme en burn-out zijn destijds niet onderkend. Ter ondersteuning van zijn aanvraag heeft appellant informatie ingebracht van bedrijfsarts P.E. van Helden van 5 juli 2016. Het Uwv heeft de aanvraag van appellant opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 25 oktober 2018. Volgens de verzekeringsarts bevatten de door appellant opgestuurde medische gegevens geen nieuwe feiten of omstandigheden die uit de EZWb (en eventueel tijdens de latere hersteldmelding per 25 maart 2019) nog niet bekend waren. Met het besluit van 17 mei 2024 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 25 oktober 2018. Omdat appellant de wachttijd niet heeft volgebracht, komt hij ook niet in aanmerking voor een WIA-uitkering.

1.3.

Bij besluit van 16 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 25 oktober 2018 heeft afgewezen, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft aangevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en goed gemotiveerd toegelicht dat appellant niet concreet heeft gemaakt dat sprake is van nieuwe inzichten wat betreft autismespectrumstoornis (ASS) en heeft in dat kader geen informatie overgelegd die op hem persoonlijk betrekking heeft. De artsen van het Uwv waren in 2018 (EZWb) en 2019 (ziekmelding) al op de hoogte van het bestaan van autisme bij appellant en hebben bij het opstellen van de FML rekening gehouden met de medische beperkingen die deze aandoening voor appellant oplevert.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is omdat de verzekeringsartsen zich hebben beperkt tot dossieronderzoek en geen informatie hebben opgevraagd bij de behandelend sector.

3.1.

Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat hij al bij zijn ziekmelding vanuit de WW in 2019 melding heeft gemaakt van maag- en darmklachten. Destijds is echter geen gericht onderzoek naar deze klachten gedaan. Inmiddels is bij hem op 16 januari 2025 de diagnose colitis ulcerosa vastgesteld. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij mede door psychoeducatie pas na 2018 heeft geleerd wat de diagnose ASS voor hem betekent in termen van overprikkelbaarheid, behoefte aan structuur en beperkte mogelijkheden tot sociale interactie. Volgens appellant is dit inzicht op zijn persoon toegesneden nieuwe informatie die een inhoudelijk heroverweging rechtvaardigt. Appellant heeft aangevoerd dat de combinatie van ASS, langdurige psychische klachten, ernstige vermoeidheid en colitis ulcerosa maakt dat zijn daadwerkelijke verdiencapaciteit duurzaam beperkt is gebleven en er in 2018 al sprake was van forse beperkingen en een onzekere prognose. Volgens appellant was het besluit van 25 oktober 2018 onjuist en is het vasthouden daaraan evident onredelijk.

3.2.

Tot slot heeft appellant de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen op het gebied van verzekeringsgeneeskunde en zo nodig gastro-enterologie.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om terug te komen van de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Het Uwv heeft op het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 25 oktober 2018 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

5.2.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

5.3.

Er bestaat geen aanleiding het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig te achten omdat geen informatie is opgevraagd bij de behandelend sector. Het gaat in dit geval om een beoordeling of sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden ten opzichte van de besluitvorming en de daaraan ten grondslag liggende medische beoordeling in 2018. Op grond van vaste rechtspraak1 geldt dat wanneer een betrokkene verzoekt om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, de bewijslast bij de betrokkene ligt en het aan hem is om aan te geven waarom dat eerdere besluit niet juist zou zijn en van zijn stellingen het nodige bewijs te leveren.

5.4.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De diagnose colitis ulcerosa is geen nieuw feit of omstandigheid ten aanzien van de datum in geding 2 december 2018. Appellant heeft bij de AIOS verzekeringsgeneeskundige in 2019 (eenmalig) maagklachten genoemd, maar van darmklachten is in 2018 en 2019 geen melding gemaakt. Voorts wordt met de rechtbank overwogen dat de diagnose ASS evenmin een nieuw feit is, omdat dit al bekend was in 2018 en ook in het rapport van de verzekeringsarts van 24 september 2018 is benoemd, in verband waarmee toentertijd in de FML beperkingen zijn gesteld. De door appellant in beroep ingebrachte informatie is algemeen van aard en leidt niet tot een ander oordeel.

5.5.

Nu er geen twijfel is aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv, is er geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige.

5.6.

Er is voorts geen aanleiding om te oordelen dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van dit besluit evident onredelijk is.

Conclusie en gevolgen

5.7.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) G.T. Hunsel

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »