25/1634 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 juli 2025, 24/3608 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om het WAOdagloon van appellante, dat per 28 november 1998 is vastgesteld op fl. 147,89, te herzien. Volgens appellante heeft het Uwv het dagloon verkeerd berekend. De Raad volgt het standpunt van appellante niet en is van oordeel dat appellante niet heeft onderbouwd dat de dagloonvaststelling niet juist is. Dit betekent dat de weigering van het Uwv om het dagloon te herzien in stand blijft.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. van Helden, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft gereageerd op het verweerschrift.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Helden en mr. M.J.W.G. de Esch, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante is werkzaam geweest op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 18 maart 1997 tot 18 maart 1998 bij [naam nutsbedrijf] ( het Nutsbedrijf ). Op 19 november 1997 is zij uitgevallen voor haar werk als documentair informatieverzorger. Bij besluit van 20 januari 1999 is aan appellante met ingang van 28 november 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Het dagloon is daarbij vastgesteld op fl. 147,89. De hoogte van de uitkering is gebaseerd op het vervolgdagloon, dat is vastgesteld op fl. 120,57.
Appellante heeft op 15 februari 2021 verzocht haar WAO-dagloon te herzien. Bij besluit van 2 maart 2021 heeft het Uwv het verzoek van appellante afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 3 augustus 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 april 2024 heeft de rechtbank Limburg het beroep van appellante tegen het besluit van 3 augustus 2021 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die tot herziening van het oorspronkelijke toekenningsbesluit van de WAOuitkering zouden moeten leiden. De door appellante als novum overgelegde jaaropgave over 1998 had zij uiterlijk in een bezwaarschrift tegen het toekenningsbesluit kunnen overleggen. Dat heeft zij niet gedaan. De in bezwaar overgelegde Verklaring inkomstenbelasting van de Belastingdienst over 1998, gedateerd op 15 november 1999, mist relevantie, omdat daarin niets meer of anders staat dan in de jaaropgave over 1998. Voor zover het herzieningsverzoek strekte tot herziening voor de toekomst heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv niet heeft beoordeeld of wat appellante heeft aangevoerd leidt tot de vaststelling dat het besluit van 20 januari 1999 onjuist is en, als dit het geval is, heeft het Uwv geen belangenafweging gemaakt.
Bij beslissing op bezwaar van 30 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat uit artikel 7 van de destijds geldende Dagloonregelen WAO blijkt dat als sprake was van een vast loon, het dagloon wordt berekend door het maandloon te vermenigvuldigen met twaalf en te delen door 261. Bovendien gold voor appellante het refertejaar 19 januari 1996 tot en met 18 januari 1997. Omdat de jaaropgave 1998 geen betrekking heeft op dit refertejaar, is deze niet relevant voor de vaststelling van het dagloon.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover nog van belang, overwogen dat het bestreden besluit niet goed was gemotiveerd, omdat hierin voor de vaststelling van het dagloon wordt verwezen naar een refertejaar. Nu niet in geschil is dat appellante destijds een vast loon had, is in dit geval de vast-loonbepaling van artikel 7 van de Dagloonregelen WAO van toepassing, zodat bepalend is het loon dat appellante zou hebben genoten op de eerste WAO-dag. Het Uwv heeft dit in het verweerschrift ook uiteengezet. De rechtbank heeft daarom het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd. Daarbij heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep en tot betaling van het griffierecht van appellante in beroep.
Met betrekking tot de herziening voor de toekomst heeft de rechtbank, met een verwijzing naar de uitspaak van de Raad van 4 april 2024, overwogen dat het op grond van vaste rechtspraak aan de verzekerde is om gegevens in te brengen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het destijds vastgestelde dagloon onjuist is en dat de omstandigheid dat door tijdsverloop de situatie niet meer verantwoord is vast te stellen voor risico komt van degene die de late aanvraag of een laat verzoek doet.1 Blijkens de gedingstukken is de dagloonberekening destijds uitgevoerd op basis van de door de werkgever van appellante bij haar aanvraag (werkgeversgedeelte) verstrekte gegevens, waarbij rekening is gehouden met de vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering. Met betrekking tot de jaaropgave 1998 heeft de rechtbank overwogen dat deze betrekking heeft op het gehele jaar 1998 terwijl haar WAOuitkering is aangevangen op 28 november 1998 en haar dienstbetrekking is geëindigd op 17 maart 1998. Het Uwv heeft zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat onduidelijk is wat er na 17 maart 1998 (precies) is verloond en dat in de jaaropgave loon zou kunnen zitten dat na 28 november 1998, de ingangsdatum van de WAO-uitkering, is verloond. De door appellante ter zitting overgelegde cao-bepalingen2 maken dit niet anders. Dit betekent dat appellante met deze jaaropgave niet heeft aangetoond dat het Uwv het dagloon onjuist zou hebben berekend. Op grond van de rechtspraak blijft de omstandigheid dat door tijdsverloop de situatie niet meer verantwoord is vast te stellen voor risico van appellante.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat voor de vaststelling van het dagloon gekeken moet worden naar het loonpeil op de dag van ingang van de WAO, 28 november 1998. Haar loon over 1998 bedroeg fl. 41.008. Appellante heeft aangevoerd dat haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag 19 november 1997 was en dat zij op grond van de van toepassing zijnde cao recht had op 52 weken doorbetaling van haar salaris. Dit betekent dat de loonbetaling per 19 november 1998 is gestopt. Appellante had een vast loon en het loon op de jaaropgave van 1998 moet worden toegerekend aan tien maanden en 19 dagen (236,5 dagen). Gelet op het door appellante ontvangen loon (fl. 41.008,08) komt dit neer op een bedrag van fl. 173,395 per dag. Per maand dus een bedrag van fl. 3.771,35 (21,75 x fl. 173,395). Op grond van de jaaropgave en de cao kan volgens appellante daarom worden vastgesteld wat het loonpeil was. Het verschil met het door het Uwv vastgestelde bedrag bedraagt ruim fl. 550,- per maand, welk verschil ook doorwerkt in de hoogte van haar invaliditeitspensioen. Volgens appellante heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom het Uwv kan worden gevolgd in zijn standpunt dat onduidelijk is wat er na 17 maart 1998 (precies) is verloond. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt kort voor de zitting nog twee verklaringen ingebracht, een van [naam 1] , voormalig financieel manager bij het Nutsbedrijf , en een van [naam 2] , voormalig Manager Algemene en Personele Zaken van het Nutsbedrijf .
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft benadrukt dat voor de berekening van het dagloon moet worden uitgegaan van het loon dat appellante zou hebben genoten op 28 november 1998, wat appellante niet heeft betwist. De door appellante gehanteerde berekening kan dan ook niet als uitgangspunt gelden, omdat deze berekening niet uitgaat van het loon zoals dat genoten werd op 28 november 1998. Volgens het Uwv is niet gebleken dat de berekening van het dagloon niet juist is. Het Uwv is daarbij uitgegaan van het loon dat door de werkgever is opgegeven. Het door de werkgever opgegeven bedrag is vermeld op de aanvraag WAO-uitkering (versie voor de werkgever) van 28 september 1998. Ook uit de basisgegevens berekening dagloon van 17 juni 1999 blijkt dat het Uwv de opgave van de werkgever heeft gevolgd en tot de juiste berekening van het dagloon is gekomen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering dagloon gewijzigd vast te stellen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Verklaringen van getuigen
Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Appellante heeft in hoger beroep verklaringen overgelegd van [naam 1] respectievelijk [naam 2] . De eerste verklaring van [naam 1] is binnen de termijn van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb ingediend. Dit geldt niet voor de tweede verklaring van [naam 1] en de verklaring van [naam 2] . De Raad heeft ter zitting de tweede verklaring van [naam 1] en de verklaring van [naam 2] vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten, omdat deze niet tijdig zijn ingediend. In dit verband acht de Raad van belang dat appellante op geen enkel moment heeft gemeld dat zij nog van plan was nadere informatie in te brengen. In de toelichting van appellante dat zij al geruime tijd op zoek was naar oud-collega’s die nog iets zouden kunnen verklaren, maar er niet eerder aan had gedacht om via LinkedIn te zoeken, ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel.
De Raad ziet geen aanleiding [naam 1] en [naam 2] als getuigen op te roepen en te horen, zoals appellante heeft verzocht. Zo kan het horen van deze personen redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak omdat appellante desgevraagd niet heeft kunnen toelichten hoe zij – als managers – kennis hadden van specifieke loonbetalingen die in 1998, dus bijna dertig jaar geleden, aan appellante zijn gedaan. Ook uit de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] valt dit niet af te leiden. Appellante heeft ter zitting toegelicht dat zij haar dossier aan hen heeft overhandigd en dat zij vervolgens hun verklaringen hebben opgesteld, zodat ook daardoor onduidelijk is of en in hoeverre ze uit eigen herinnering kunnen verklaren.
Aanvraag voor de toekomst
Als sprake is van een aanvraag waarbij voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een eerder besluit, dan moet de aanvrager feiten of omstandigheden vermelden die aanleiding (kunnen) geven tot een ander, voor de aanvrager gunstiger, besluit dan het besluit waarvan herziening wordt gevraagd. Hierbij zijn met name feiten en omstandigheden relevant die – ten minste ook – zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum. De aanvraag moet deugdelijk en toereikend worden onderbouwd en, voor zover mogelijk, worden voorzien van relevant bewijs. Een enkele herhaling van feiten en omstandigheden die bij de beoordeling van de eerdere aanvraag zijn betrokken zal doorgaans niet voldoende zijn om van het Uwv te verlangen om te onderzoeken of er bij het oorspronkelijke besluit ten onrechte niets of te weinig is toegekend. Indien de onjuistheid van het besluit door het Uwv wordt vastgesteld, is het Uwv gehouden een belangenafweging te maken. Daarbij moet rekening worden gehouden met relevante wijzigingen die zich na het oorspronkelijke besluit, tot aan de besluitvorming naar aanleiding van de nieuwe aanvraag, hebben voorgedaan. Voor geschillen waarin ook belangen van derden een rol spelen, bijvoorbeeld wanneer een uitkering op een werkgever wordt verhaald of deze anderszins nadelige financiële gevolgen ondervindt, moeten ook die belangen bij de afweging worden betrokken.3
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag liggende overwegingen. Uit artikel 7, eerste en tweede lid, van de Dagloonregelen WAO, zoals dat artikel destijds luidde, volgt dat het dagloon wordt vastgesteld op 1/261 van het 12-voud van het maandloon, indien het loon uitsluitend bestond uit een vast bedrag. Uit artikel 8 van de Dagloonregelen WAO volgt verder dat het loon wordt herzien als het loonpeil in het beroep van de uitkeringsgerechtigde op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering afwijkt van het loonpeil dat medebepalend was voor het loon zoals vastgesteld op grond van artikel 7 van de Dagloonregelen WAO.
Het Uwv is dan ook terecht uitgegaan van de opgave van het loon door het Nutsbedrijf op het werkgeversformulier. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat onduidelijk is wat er na het einde van het dienstverband per 17 maart 1998 precies is verloond en dat in de jaaropgave ook loonbestanddelen zouden kunnen zitten die na 28 november 1998 zijn verloond.4 Op de jaaropgave is enkel een ongespecificeerd totaalbedrag vermeld en er zijn geen onderliggende stukken waaruit blijkt hoe dit bedrag is samengesteld.
Anders dan appellante lijkt te veronderstellen is het – nu het hier gaat om een verzoek om herziening van een in rechte komen vast te staan dagloon – niet aan het Uwv om aan te tonen dat de dagloonvaststelling in 1998 juist is geweest, maar aan appellante om te onderbouwen dat de dagloonvaststelling niet in overeenstemming is geweest met de Dagloonregelen WAO. De enkele stelling dat het dagloon mogelijk niet juist is vastgesteld onder verwijzing naar de jaaropgave 1998, de Verklaring inkomstenbelasting van de Belastingdienst en de cao-bepalingen is daartoe onvoldoende. Op basis van die stukken kan niet worden vastgesteld dat de eerdere dagloonvaststelling onjuist is geweest. Bovendien kan – zoals het Uwv ter zitting heeft toegelicht – ook op basis van genoemde stukken geen deugdelijke dagloonberekening worden vastgesteld, omdat de benodigde informatie over de inkomensbestanddelen ontbreekt.
Zoals de rechtbank heeft overwogen blijft op grond van de rechtspraak de omstandigheid dat door tijdsverloop de situatie niet meer verantwoord is vast te stellen voor risico van degene die de late aanvraag of een laat verzoek doet.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat weigering om het dagloon te wijzigen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en C. Karman en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) D. Semiz
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Artikel 14 van de WAO
1. Voor de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt als dagloon beschouwd: hetgeen de uitkeringsgerechtigde, ware hij niet arbeidsongeschikt, indien hij werkzaam was in het beroep, dat — of de beroepen, welke — hij gewoonlijk uitoefende, gerekend naar het loonpeil op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, gedurende het daaropvolgende jaar bij een vijfdaagse werkweek gemiddeld per dag zou kunnen verdienen.
2. Onze Minister stelt met betrekking tot de vaststelling van het dagloon nadere regels.
3. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, zo nodig in afwijking van de door Onze Minister op grond van het tweede lid gestelde regels, regels stellen met betrekking tot de vaststelling van het dagloon voor één of meer categorieën van werknemers. Deze regels behoeven goedkeuring van Onze Minister.
Dagloonregelen Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering
Artikel 3
1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon, dat de uitkeringsgerechtigde in het jaar, aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over in dat jaar gelegen dagen, waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in dat beroep werkzaam was, met dien verstande, dat bij deze berekening:a. een evenredig deel van de vakantietoeslag, alsmede een evenredig deel van een uitkering, die het karakter heeft van een 13e maandloon of eindejaarsuitkering, wordt aangemerkt als loon, dat over bedoelde dagen is genoten.
b. buiten aanmerking blijven de in dat jaar gelegen dagen, waarop hij tengevolge van arbeidsongeschiktheid niet tegen zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen genoten loon;
c. buiten aanmerking blijft hetgeen hij heeft genoten in de vorm van uitkeringen, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, welke tot het normale regelmatig verstrekte loon behoren;
d. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek wordt geacht niet meer dan 5 te bedragen.
2. Voor de vaststelling van de periode van een jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt onbetaald verlof tot een maximum van 18 maanden niet in aanmerking genomen.
Artikel 4
1. Indien een of meer uitkeringen, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, tot het normale regelmatig verstrekte loon behoorden, of - als de uitkeringsgerechtigde niet arbeidsongeschikt was geworden daartoe zouden hebben behoord, wordt de uitkomst van de berekening ingevolge het vorige artikel ter zake van elk dier uitkeringen verhoogd op de wijze, in de volgende leden bepaald.
2. Indien een uitkeringsgerechtigde in een periode van 3 jaren aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande een dergelijke uitkering genoot:
a. in elk van die 3 jaren, bedraagt de verhoging 1/783 van de som van het bedrag der uitkeringen in die 3 jaren;
b. in 2 van die 3 jaren, bedraagt de verhoging 1/522 van de som van het bedrag der uitkeringen in die 2 jaren;
c. in 1 van die 3 jaren, bedraagt de verhoging 1/261 van het bedrag der uitkeringen in dat jaar.
3. Indien de uitkeringsgerechtigde een dergelijke uitkering niet heeft genoten in de periode van 3 jaren bedoeld in het vorige lid, doch wel heeft genoten, dan wel - als hij niet arbeidsongeschikt was geworden zou hebben genoten in het jaar aan de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering voorafgaande, wordt de verhoging vastgesteld op 1/261 van het bedrag van de uitkering die hij in dat jaar heeft, dan wel zou hebben genoten.
Artikel 5
Indien het loon van de uitkeringsgerechtigde na de aanvang van het in artikel 3 bedoelde jaar, uiterlijk op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, krachtens een voor hem geldende regeling is of zou zijn gewijzigd, wordt de uitkomst van de berekening ingevolge de vorige artikelen - voor zoveel nodig - herzien, alsof die wijziging reeds was ingegaan op de eerste dag, waarop hij zijn beroep uitoefende in het jaar, in artikel 3 bedoeld.
Artikel 7
1. Indien de uitkeringsgerechtigde laatstelijk vóór het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in zijn beroep werkzaam was tegen een loon, dat was vastgesteld op een vast bedrag per dag, week, maand of jaar - al dan niet vermeerderd met uitkeringen, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, voor zover deze tot het normale regelmatig verstrekte loon behoorden - wordt het dagloon vastgesteld op de wijze, in de volgende leden bepaald. Regelmatig verstrekte, naar tijdsruimte vastgestelde, toeslagen worden tot het vaste bedrag gerekend.
2. Indien het loon uitsluitend bestond uit een vast bedrag, als bedoeld in het vorige lid, is het dagloon gelijk aan respectievelijk het vaste bedrag per dag, 1/260 van het 52-voud van het weekloon of 1/261 van het 12-voud van het maandloon of van het jaarloon.
3. Het bepaalde in de artikelen 4 en 5 is van overeenkomstige toepassing.
4. Het in dit artikel bepaalde blijft buiten toepassing indien het - mede gelet op het loon, dat de uitkeringsgerechtigde in zijn beroep pleegt te genieten - tot een kennelijk onjuist dagloon zou leiden.
Artikel 8
Voor het geval het loonpeil in het beroep van de uitkeringsgerechtigde op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering afwijkt van dat, hetwelk mede bepalend was voor het loon, waarmede bij de toepassing van de vorige artikelen rekening werd gehouden, wordt dit loon - voor zoveel nodig - in overeenstemming met eerstbedoeld loonpeil herzien.