Artikel 130 Wet op de rechterlijke organisatie
Lid 1
Er is een College van procureurs-generaal.
Lid 2
Het College staat aan het hoofd van het openbaar ministerie.
Lid 3
Het College bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf procureurs-generaal. Bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister wordt een van de procureurs-generaal benoemd tot voorzitter van het College voor een periode van ten hoogste drie jaar. Hij kan eenmaal worden herbenoemd. De voorzitter ontvangt in verband met het verrichten van werkzaamheden als voorzitter een toelage op het salaris dat hij als procureur-generaal geniet, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Toekenning van de toelage geschiedt door Onze Minister.
Lid 4
Ten hoogste één van de procureurs-generaal, bedoeld in het derde lid, wordt niet aangesteld als rechterlijk ambtenaar. Deze procureur-generaal wordt niet benoemd tot voorzitter van het College.
Lid 5
De in het vierde lid bedoelde procureur-generaal wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister aangewezen, geschorst en ontslagen. Artikel 3, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017 is niet van toepassing op deze procureur-generaal.
Lid 6
Het College kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 130 RO is sinds 2001 in 59 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Arnhem-Leeuwarden, Rb. Noord-Nederland en Hoge Raad.
- ECLI:NL:HR:2026:1615 — 06-10-2026 Hoge Raad
Prejudiciële beslissing HR, art. 553 Sv. Post-Landeck, maken van “image” zonder rechterlijke machtiging en onderzoek aan digitale-gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones. Staat Unierecht eraan in de weg dat na inbeslagneming van (digitale-gegevensdrager… - ECLI:NL:HR:2026:178 — 10-02-2026 Hoge Raad
Onderzoek Vidar. Eendaadse samenloop van medeplegen bereiden en aanwezig hebben van speed (art. 2.B en 2.C Opiumwet), medeplegen witwassen van geldbedrag (art. 420bis.1.b Sr) en gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. HR wijdt algemene… - ECLI:NL:HR:2018:25 — 30-01-2018 Hoge Raad
OM-cassatie. Gedoogbeleid. Coffeeshop. Ontvankelijkheid OM in de vervolging. De n-o van het OM in de vervolging ter zake van het tlgd. berust in de kern op ‘s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte aan de Aanwijzing Opiumwet "het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen" dat hij… - ECLI:NL:HR:2017:953 — 23-05-2017 Hoge Raad
ISD-maatregel, art. 38m.1 Sr. Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers (i.h.b. de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders). HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BH9943, inhoudende dat de Richtlijn moet worden beschouwd als… - ECLI:NL:HR:2015:3024 — 13-10-2015 Hoge Raad
Kopschopperzaak Eindhoven. OM-cassatie. Jeugdzaak. Rekening houden met (nadelige) media-aandacht voor (minderjarige) verdachte bij strafoplegging. 8 EVRM en 359a Sv. De HR geeft – onder verwijzing naar de in de CAG aangehaalde EHRM-jurisprudentie – een opsomming van de van…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.