Artikel 25 Wet op de omzetbelasting 1968

Lid 1

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. jaaromzet in Nederland: het totaal van de vergoedingen ter zake van de volgende leveringen van goederen en diensten verricht door een ondernemer binnen Nederland gedurende een kalenderjaar:

    1. leveringen van goederen en diensten, voor zover die zonder toepassing van artikel 25a, eerste lid, belast zouden zijn in Nederland;

    2. leveringen van goederen en diensten die in Nederland zijn vrijgesteld bij of krachtens artikel 11, eerste lid, onderdelen a, b, i en j, en verzekerings- en herverzekeringsdiensten, tenzij die leveringen van goederen en diensten met andere handelingen samenhangende handelingen zijn;

    3. leveringen van goederen waarvoor aan de afnemer teruggaaf of ontheffing wordt verleend op de voet van artikel 24, eerste of tweede lid; en

    4. leveringen van goederen en diensten waarvoor bij of krachtens artikel 39 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan de afnemer vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend;

  2. jaaromzet in de Unie: de jaaromzet in Nederland en het totaal van de vergoedingen ter zake van leveringen van goederen en diensten, bedoeld in artikel 288 van de BTW-richtlijn 2006, verricht door een ondernemer binnen de andere lidstaten van de Unie gedurende een kalenderjaar.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt bij de vaststelling van de jaaromzet in Nederland niet in aanmerking genomen de vergoeding voor de levering van door de ondernemer in zijn bedrijf gebruikte:

  1. onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen; en

  2. roerende zaken waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft of waarop de ondernemer zou kunnen afschrijven indien diegene aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen.

Wordt genoemd in:

Recente uitspraken

Art. 25 OB1968 is sinds 1997 in 5 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof 's-Hertogenbosch, Hof Amsterdam en Hoge Raad.

  • ECLI:NL:HR:1997:AA2136 — 26-03-1997 Hoge Raad
    -
  • ECLI:NL:GHAMS:2021:93 — 21-01-2021 Hof Amsterdam
    WOZ-woning. heffingsambtenaar heeft de door hem vastgestelde waarde aannemelijk gemaakt. Geen recht op Pkv - gemachtigde heeft niet onderbouwd dat sprake is van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening.
  • ECLI:NL:GHSHE:2018:2713 — 21-06-2018 Hof 's-Hertogenbosch
    Na verwijzing (HR 10 maart 2017, nr. 16/04162, ECLI:NL:HR:2017:387) is uitsluitend in geschil of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het Hof is van oordeel dat het aan belanghebbendes grove schuld is te wijten dat te weinig omzetbelasting is afgedragen…
  • ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ6305 — 22-04-2011 Hof 's-Hertogenbosch
    Belanghebbende exploiteert een beautysalon en werkt als prostituee. Naar aanleiding van een suppletieaangifte legt de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting met boete op. Nadat de rechtbank heeft beslist dat de inspecteur onvoldoende onderzoek naar de cijfers van…
  • ECLI:NL:RBBRE:2011:BV1052 — 23-12-2011 Rb. Breda
    Nu belanghebbende niet in Nederland is gevestigd en hij hier geen vaste inrichting heeft, heeft hij op grond van de letterlijke tekst van artikel 25 van de Wet OB geen recht op toepassing van de KOR. De rechtbank acht het oordeel van het HvJ in de zaak Schmelz ook in het kader…

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.