Artikel 13a Wet loonbelasting 1964
Lid 1
Loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het:
betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel
vorderbaar en tevens inbaar wordt.
Lid 2
Indien is overeengekomen dat het loon geheel of gedeeltelijk op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten, wordt daarmee voor de toepassing van het eerste lid geen rekening gehouden.
Lid 3
Voor zover ingevolge artikel 12a het loon hoger is dan het werkelijk genoten loon, wordt het meerdere geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt.
Lid 4
In afwijking van het eerste lid:
wordt het bedrag dat als gevolg van de toepassing van artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of twaalfde lid tot het loon behoort geacht te zijn genoten ten tijde van de uitoefening van het aandelenoptierecht, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 1°;
wordt het bedrag dat als gevolg van de toepassing van artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, tot het loon behoort geacht te zijn genoten ten tijde van het verhandelbaar worden van de aandelen, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 2°;
wordt het bedrag dat als gevolg van de toepassing van artikel 10a, elfde lid, tot het loon behoort geacht te zijn genoten ten tijde van de vervreemding van de aandelen, bedoeld in artikel 10a, elfde lid;
wordt loon dat ingevolge artikel 27bis is begrepen in de laatste aangifte van het kalenderjaar, geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt;
worden vergoedingen ter zake van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer, op andere wijze dan per taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, voor zover deze € 0,23 per kilometer te boven gaan en voor zover deze niet hoger zijn dan de werkelijke kosten, geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of bij het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt, indien in het kalenderjaar ook vergoedingen ter zake van de hiervoor bedoelde wijze van vervoer zijn of naar verwachting zullen worden berekend naar een bedrag van minder dan € 0,23 per kilometer.
Lid 5
Het vierde lid, onderdeel e, is niet van toepassing op vergoedingen ter zake van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer, per openbaar vervoer indien deze vergoedingen zijn vastgesteld op basis van de werkelijke kosten.
Lid 6
Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel e, wordt onder vervoer vanwege de inhoudingsplichtige verstaan:
vanwege de inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer;
het reizen per openbaar vervoer op basis van door de inhoudingsplichtige aangeschafte en door hem aan de werknemer verstrekte plaatsbewijzen.
Lid 7
In afwijking van het eerste lid wordt loon dat door de inhoudingsplichtige overeenkomstig een door hem bestendig gevolgde gedragslijn aan een eerder in het kalenderjaar gelegen tijdvak wordt toegerekend dan het tijdvak waarin het ingevolge het eerste lid wordt genoten, geacht in dat eerdere tijdvak te zijn genoten.
Dit artikel verwijst naar:
Recente uitspraken
Art. 13a LB1964 is sinds 2013 in 5 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam, Rb. Gelderland en Rb. Noord-Holland.
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1205 — 07-05-2020 Hof Amsterdam
Niet-uitbetaald loon (en pensioen) is genoten. De bedragen waren vorderbaar en inbaar; konden (volledig) worden verrekend met schulden in rekening-courant aan de B.V. Om die reden is dan ook geen sprake van een waardevermindering van de vorderingen. Er bestaat evenmin aanleiding… - ECLI:NL:GHAMS:2015:2353 — 28-05-2015 Hof Amsterdam
Crisisheffing. Artikel 32bd vormt voldoende wettelijke basis voor de crisisheffing. Geen strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM noch met artikel 14 EVRM en 26 IVBPR. Het Hof oordeelt dat het Handvest van de grondrechten van de EU in de onderhavige procedure… - ECLI:NL:GHAMS:2015:2352 — 28-05-2015 Hof Amsterdam
Crisisheffing. Niet kan worden geoordeeld dat er geen wettelijke basis is voor de crisisheffing. Geen strijd met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Geen sprake van schending van artikel 14 EVRM en/of artikel 26 IVBPR. Het Handvest van de grondrechten van de EU speelt naar… - ECLI:NL:RBNHO:2019:2663 — 03-04-2019 Rb. Noord-Holland
Het loon was vorderbaar en inbaar en derhalve dat jaar genoten en terecht in de heffing betrokken. Voor het antwoord op de vraag of de bedragen ook inbaar waren, is van belang dat eiser in de relevante jaren een rekening-courantschuld aan de BV had. Dat betekent dat het niet… - ECLI:NL:RBGEL:2013:3001 — 17-09-2013 Rb. Gelderland
Artikelen: 6:15 en 7:1a Awb, 3.146 en 9.6 Wet IB, 13a Wet LB Afwijzing verzoek ambtshalve vermindering aanslag IB/PVV 2011 ten onrechte niet voorzien van bezwaarclausule. Eiser komt in beroep. De rechtbank besluit de bepaling voor rechtstreeks beroep niet toe te passen, nu er te…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.