Artikel 26 Advocatenwet

Lid 1

De algemene raad is verantwoordelijk voor het uitvoeren van kwaliteitstoetsen bij advocaten. De kwaliteitstoetsen worden verricht door deskundigen die zijn aangewezen door de algemene raad.

Lid 2

Op het verrichten van de kwaliteitstoetsen en de krachtens het eerste lid aangewezen deskundigen zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:14, 5:15, eerste en derde lid, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Bij het opdragen van een kwaliteitstoets bepaalt de algemene raad over welke bevoegdheden als bedoeld in de eerste volzin de aangewezen deskundigen beschikken.

Lid 3

Bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming kunnen worden verwerkt door de krachtens het eerste lid aangewezen deskundigen, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de doelmatige en doeltreffende uitvoering van kwaliteitstoetsen.

Lid 4

Ten behoeve van het verrichten van de kwaliteitstoetsen door de aangewezen deskundigen, bedoeld in het eerste lid, zijn de advocaat, zijn medewerkers en personeel, alsmede andere personen die betrokken zijn bij de beroepsuitoefening, niet gehouden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 11a. In dat geval geldt voor de betrokken aangewezen deskundigen een geheimhoudingsplicht, gelijk aan die bedoeld in artikel 11a, en is artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

Lid 5

Bij of krachtens verordening als bedoeld in artikel 28, eerste lid, worden nadere regels gesteld betreffende het verrichten van de kwaliteitstoetsen.

Recente uitspraken

Art. 26 Advocatenwet is sinds 2001 in 6 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Amsterdam, Rb. Arnhem en Rb. Leeuwarden.

  • ECLI:NL:RBAMS:2021:6440 — 09-11-2021 Rb. Amsterdam
    Einduitspraak na tussenuitspraak. Verweerder had in het kader van het evenredigheidsbeginsel de feitelijke situatie van eiseres moeten onderzoeken. Verweerder zal zich dienen te beraden op de vraag of hoewel in het geval van eiseres naar de letter niet is voldaan aan de…
  • ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ8974 — 16-09-2009 Rb. 's-Gravenhage
    Eisers hebben geconstateerd dat, nadat een op een derdenrekening van een advocatenkantoor gestort bedrag van € 125.000,- verloren was gegaan, de Stichting Beheer Derdengelden statuten had die in strijd waren met het bepaalde in de Boekhoudverordening 1998 en met de zogenaamde…
  • ECLI:NL:RBARN:2007:BB3649 — 30-08-2007 Rb. Arnhem
    Het voorgaande betekent dat het verbod tot gebruik van de handelsnaam "Company Lawyers" zal worden toegewezen, omdat Juridische Diensten daarmee art. 6:194 sub i BW overtreedt. Het gevorderde verbod om het logo of een ander logo waarin een persoon in toga is te herkenen te…
  • ECLI:NL:RBLEE:2003:AN9461 — 03-12-2003 Rb. Leeuwarden
    Verbod op betalende praktijk Buro voor Rechtshulp. In navolging van de bestuursrechter wordt geoordeeld dat het door een stichting rechtsbijstand (lees: het Buro voor Rechtshulp) mede uitoefenen van een betalende rechtspraktijk niet in overeenstemming is te achten met de Wet op…
  • ECLI:NL:RBZUT:2001:AB1456 — 07-05-2001 Rb. Zutphen
    -

Bekijk alle 6 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.