202307074/1/V3.
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 november 2023 in zaak nr. NL23.33555 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 10 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. El Assrouti, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft op verzoek van de Afdeling daarop gereageerd.
De minister en appellant hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. De minister heeft appellant in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 met het oog op een overdracht aan Spanje. Meteen voorafgaand aan de inbewaringstelling van 21 oktober 2023 was appellant strafrechtelijk gedetineerd. Hij heeft van 10 september 2023 tot en met 21 oktober 2023 op strafrechtelijke titels vastgezeten. Uit het uittreksel van de Justitiële Informatiedienst blijkt dat de politierechter van de rechtbank Amsterdam appellant op 12 september 2023 heeft veroordeeld tot zes weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De minister heeft de maatregel op 14 november 2023 opgeheven, omdat hij appellant heeft overgedragen aan de Spaanse autoriteiten.
1.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant in de periode van 12 tot 27 september 2023 in preventieve hechtenis zat en dat de minister daarom geen inspanningsverplichting had om te voorkomen dat appellant aansluitend op de strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld (vergelijk paragraaf A5/6.12 van de Vc 2000). Uit een registratiekaart van de penitentiaire inrichting in Ter Apel van 6 oktober 2023 blijkt dat de strafrechtelijke detentie van appellant op 10 september 2023 is begonnen en dat de einddatum ervan op 21 oktober 2023 is gesteld. Het was naar het oordeel van de rechtbank daarom voor de minister op 6 oktober 2023 duidelijk dat appellant op 21 oktober 2023 in vrijheid zou worden gesteld.
Dat de minister vanaf 6 oktober 2023 geen voorbereidingshandelingen heeft getroffen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de minister in deze periode nog geen overdrachtsdossier had ontvangen en dat de periode tussen 6 en 21 oktober 2023 relatief kort is.
1.2. Op deze zaak is het recht en beleid van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Standpunten van partijen
2. Appellant klaagt over dat oordeel van de rechtbank. Hij betoogt in zijn enige grief dat de minister zijn inspanningsverplichting heeft geschonden, omdat de minister al vanaf 6 oktober 2023, het moment waarop hij bekend was met de einddatum van de strafrechtelijke detentie, voorbereidingshandelingen had kunnen verrichten, gericht op een overdracht op grond van de Dublinverordening. Omdat de minister dat heeft nagelaten, moet het belang van appellant bij de vaststelling van de onrechtmatigheid van de bewaring zwaarder wegen dan de belangen van de minister bij zijn bewaring.
2.1. Het vonnis van de rechtbank Amsterdam was op 27 september 2023 onherroepelijk. Vanaf dat moment was het volgens de minister voor de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Migratiecriminaliteit en Mensenhandel (de AVMM; voorheen: Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel) niet meer mogelijk om een overdrachtsdossier binnen dertig dagen voor het einde van de strafrechtelijke detentie, namelijk 21 oktober 2023, naar de Dienst Terugkeer en Vertrek (de DT&V) te versturen. Daarom heeft hij zijn inspanningsverplichting niet geschonden.
Beoordeling
3. De strafrechtelijke veroordeling van appellant tot een gevangenisstraf van zes weken geldt als lange strafrechtelijke detentie, omdat deze meer dan dertig dagen heeft geduurd. In zo’n geval moet de strafrechtketen uiterlijk dertig dagen voor het einde van de strafrechtelijke detentie een overdrachtsdossier naar de DT&V sturen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5411, onder 8.9 en 8.10, en ECLI:NL:RVS:2026:5413, onder 4.1.
3.1. De strafrechtketen had in het geval van appellant uiterlijk op 21 september 2023 een overdrachtsdossier naar de DT&V moeten versturen. Omdat de strafrechtketen dit niet heeft gedaan en de minister met het oog op het voorkomen van een aansluitende inbewaringstelling geen enkele voorbereidingshandeling heeft verricht, heeft hij zijn inspanningsverplichting geschonden.
3.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5412, onder 4.1, volgt dat er in zo’n geval ruimte is voor een belangenafweging. In dezelfde uitspraak heeft de Afdeling onder 4.2 en verder uitgelegd welke aspecten kenbaar in de belangenafweging betrokken kunnen worden.
3.3. De strafrechtketen heeft geen overdrachtsdossier naar de DT&V verstuurd, met als gevolg dat de DT&V vervolgens geen aanvang heeft gemaakt met het verrichten van voorbereidingshandelingen. Appellant heeft na het vonnis van de politierechter nog ruim een maand in strafrechtelijke detentie gezeten. Daarnaast heeft de aansluitende inbewaringstelling nog geruime tijd geduurd, te weten van 21 oktober 2023 tot en met 14 november 2023. Deze aspecten wegen zwaar in het nadeel van de minister bij de belangenafweging. Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat de minister tijdens de bewaring de nodige handelingen gericht op een overdracht heeft verricht. Maar de minister heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting geen uitleg gegeven waarom het nog tot 14 november 2023 heeft geduurd voordat hij appellant aan de Spaanse autoriteiten heeft overgedragen, terwijl de minister al op 27 oktober 2023 een claimakkoord van deze autoriteiten had ontvangen. Het is de Afdeling ook niet gebleken dat appellant zijn overdracht vanuit bewaring heeft gefrustreerd. Zo blijkt uit een verslag van een vertrekgesprek van 26 oktober 2023 dat hij heeft verklaard volledig mee te werken aan zijn vertrek uit Nederland.
3.4. Anders dan de rechtbank, komt de Afdeling tot het oordeel dat de ernst van de schending van de inspanningsverplichting maakt dat in dit geval het belang van appellant bij vaststelling van een onrechtmatige maatregel zwaarder weegt dan het belang van de minister bij een bewaring gericht op het kunnen overdragen van appellant. Als gevolg daarvan is de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig.
3.5. De grief slaagt.
Redelijke termijn niet overschreden
4. Appellant wijst op de lange duur van de behandeling van zijn hoger beroep. De termijn voor het doen van uitspraak is volgens hem in ernstige mate overschreden.
4.1. De behandeling van het hoger beroep heeft meer dan twee jaar geduurd. Daar wijst appellant terecht op. Dat leidt echter niet tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden. Uitgangspunt voor de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden, is de duur van de totale procedure. Het is mogelijk dat een voortvarende behandeling in beroep een te lange behandelingsduur in hoger beroep compenseert, zolang de totale procedure niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.8.2, en de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 11. Omdat de totale procedure in dit geval niet langer dan vier jaar heeft geduurd, is de redelijke termijn niet overschreden.
Arrest Remling
5. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
Conclusie
6. Omdat de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 november 2023 in zaak nr. NL23.33555;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 2.500,00 over de periode van 21 oktober 2023 tot en met 14 november 2023, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. V.V. Essenburg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026
922