ECLI:NL:RVS:2026:5884

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Raad van State
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
BRS.26.004645
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

BRS.26.004645 en BRS.26.004646

ECLI:NL:RVS:2026:5884

Datum uitspraak: 6 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 augustus 2026 in zaak nr. NL26.40009 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 19 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.        Bij uitspraak van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:193, heeft de Afdeling onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie en het EHRM, overwogen dat huiselijk geweld in het licht van het Verdrag van Istanboel een vorm van vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM kan zijn. Gelet op deze uitspraak van de Afdeling, klaagt appellant in de eerste grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister haar asielrelaas over haar mishandelingen door haar tante in de Comoren niet als asielmotief heeft hoeven aanmerken. Hoewel de minister geloofwaardig heeft geacht dat appellant huiselijk geweld heeft ondergaan en heeft beoordeeld of dit een grond voor subsidiaire bescherming oplevert, heeft hij nagelaten dit relaas als asielmotief te kwalificeren en te beoordelen of appellant hierdoor bij terugkeer naar de Comoren een gegronde vrees heeft voor vervolging. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister dit heeft nagelaten. De eerste grief slaagt.

2.        Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

3.        Het hoger beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het besluit van 10 juli 2026. Het is niet nodig wat appellant verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. De minister moet namelijk een nieuw besluit nemen op haar asielaanvraag waarbij hij moet beoordelen of het feit dat zij in het verleden is blootgesteld aan huiselijk geweld betekent dat zij een gegronde vrees heeft dat zij in het land van herkomst wordt vervolgd. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 augustus 2026 in zaak nr. NL26.40009;

III.        verklaart het beroep gegrond;

IV.        vernietigt het besluit van 10 juli 2026, V-298.797.4398;

V.        wijst het verzoek af;

VI.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.

w.g. Verburg

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Jong

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026

907

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »