ECLI:NL:RBZWB:2026:9820

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Zaaknummer
12039294 \ CV EXPL 26-40
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

uitleg cao-bepaling. Overmacht aan de zijde van werkgever dat niet aan die bepaling is voldaan.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 12039294 \ CV EXPL 26-40

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: mr. S.K. Boelens, stichting Univé Rechtshulp,

tegen

STICHTING [werkgever],

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [werkgever] ,

gemachtigde: mr. D.J. Kolk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding met producties,

 de conclusie van antwoord met producties,

 de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

 de akte wijziging van eis, tevens houdende overlegging van nadere producties van [werknemer] ,

 de antwoordakte na eiswijziging, tevens inhoudende overlegging producties van [werkgever] ,

 de mondelinge behandeling van 8 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

 de spreekaantekeningen van mr. Boelens,

 de spreekaantekeningen van mr. Kolk.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] is op 1 september 2022 als arts in opleiding tot specialist (aios) bij [werkgever] in dienst getreden. In de arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“7. Het dienstverband eindigt van rechtswege zodra de opleidingsovereenkomst eindigt door voltooiing of beëindiging van de opleiding.

(…)

9. De Cao [werkgever] zoals deze luidt of zal komen te luiden, alsmede de personeelsinformatie op de website van de [werkgever] zoals deze luidt of zal komen te luiden, is op deze arbeidsovereenkomst van toepassing. (…)”

2.2.

Gelijktijdig met de arbeidsovereenkomst is een opleidingsovereenkomst gesloten met [ziekenhuis] te [plaats 3] .

2.3.

Op 13 juli 2023 is [werknemer] arbeidsongeschikt geraakt. Het [ziekenhuis] heeft de opleidingsovereenkomst beëindigd per 1 september 2024. Als gevolg hiervan is per die datum ook de arbeidsovereenkomst geëindigd.

2.4.

Bij aanvang van de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] was de ‘Collectieve Arbeidsovereenkomst [werkgever] 2022-2023’ van toepassing. Hierin was onder meer het volgende opgenomen:

“Artikel A-16: Verzekeringen

4. Arbeidsongeschiktheid

a. [werkgever] sluit ten behoeve van de arts in opleiding tot huisarts, tot specialist ouderengeneeskunde en tot arts verstandelijk gehandicapten een verzekering, die,

in het geval de aios gedurende een periode langer dan een jaar arbeidsongeschikt

wordt geacht om het beroep van basisarts uit te oefenen, een uitkering garandeert

zoals vermeld in bijlage 1 van het bij de opleiding van de aios behorende onderdeel

van de cao. 1. Zowel op het verzekerde dagbedrag als op het bedrag dat bij

arbeidsongeschiktheid op enig moment wordt uitgekeerd, is een indexatie van

toepassing. De uitvoerder van deze verzekering is Movir.

b. Voor de arts in opleiding tot (profiel)arts Maatschappij + Gezondheid sluit [werkgever] een

arbeidsongeschiktheidsverzekering die een aanvulling geeft op de WGA-uitkering

bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (35-80%). De premie voor deze verzekering

wordt volledig door [werkgever] betaald. De uitvoerder van deze verzekering is Nationale

Nederlanden.”

In de genoemde bijlage stond dat de uitkering bij arbeidsongeschiktheid € 54,00 bruto per dag bedroeg.

2.5.

[werkgever] heeft een collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Movir. [werkgever] en Movir hebben een mantelovereenkomst gesloten waarin zij enkele nadere afspraken hebben vastgelegd. In de mantelovereenkomst uit 2021 is onder meer het volgende opgenomen:

“2. Movir verzekert de door de [werkgever] aangemelde c.q. bij de aanvang van de opleiding aan te melden werknemers aan de opleiding tot huisarts, specialist ouderengeneeskunde of arts voor verstandelijke gehandicapten tegen arbeidsongeschiktheid op basis van de geldende voorwaarden van verzekering, Lang lopende verzekering (L) Versienummer L 2019/01.

(…)

4. In de voorwaarden Lang lopende verzekering (L) Versienummer 2019/01 is in artikel 1.I opgenomen: ‘Met deze verzekering verzekert u zich tegen de mogelijke financiële gevolgen van arbeidsongeschiktheid. De verzekering keert uit ongeacht of u daadwerkelijk verlies van inkomsten hebt Dit noemen wij een Sommen verzekering’ .

In tegenstelling tot hetgeen vermeld staat in artikel 1.1, zijn wij onderling overeen gekomen dat de verzekering overige inkomsten uit arbeid kort op de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het karakter van de verzekering wijzigt hierdoor van een Sommenverzekering naar een Schadeverzekering. Dit staat in het onderstaande artikel beschreven. Deze wijziging gaat in voor arbeidsongeschiktheid ontstaan op of na 1-2-2021.

(…)”

2.6.

Movir heeft over de periode van 8 juli 2024 tot 1 januari 2025 een uitkering betaald aan [werknemer] van € 56,00 per dag. Over de periode van 1 januari 2025 tot 1 februari 2025 heeft Movir een bedrag van € 58,00 per dag uitgekeerd. Movir heeft een deel van deze uitkering teruggevorderd van [werknemer] omdat bij de uitkering geen rekening was gehouden met andere inkomsten van [werknemer] .

2.7.

Sinds 1 februari 2025 heeft Movir niets meer uitgekeerd aan [werknemer] .

2.8.

Per 10 juli 2025 ontving [werknemer] een voorschot op een WIA-uitkering (IVA-uitkering). Bij besluit van 4 mei 2026 is aan [werknemer] een WIA-uitkering toegekend vanaf 10 juli 2025 van € 4.220,71 bruto per maand exclusief vakantiegeld.

2.9.

Bij brief van 1 september 2025 heeft [werknemer] [werkgever] aansprakelijk gesteld voor het afsluiten van een ondeugdelijke verzekering ten behoeve van arbeidsongeschiktheid.

3 Het geschil

3.1.

[werknemer] vordert, na wijziging van eis:

zowel primair als subsidiair

  1. voor recht te verklaren dat [werkgever] aansprakelijk is voor alle schade welke [werknemer] geleden heeft of zal lijden als gevolg van het niet afgesloten hebben van een deugdelijke verzekering door [werkgever] ,

  2. te oordelen dat [werkgever] [werknemer] vrijwaart van enige terugbetaling aan Movir en het door Movir gevorderde bedrag rechtstreeks aan Movir betaalt zodra de terugvordering opeisbaar is,

  3. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de reeds vaststaande schade tot 1 januari 2027,

primair

[werkgever] te veroordelen om jaarlijks aan [werknemer] te betalen het verschil per 1 januari 2027 tussen:

  • het geïndexeerde dagbedrag vermenigvuldigd met het aantal kalenderdagen in het betreffende jaar, en

  • de feitelijk door Movir betaalde uitkering over het betreffende jaar; zolang [werknemer] volgens het criterium van de verzekering beroepsarbeidsongeschikt is, uiterlijk tot de contractuele eindleeftijd van de verzekering, tenzij een latere eindleeftijd uit de polis blijkt,

subsidiair

[werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de schade per 1 januari 2027 nader op te maken bij staat;

zowel primair als subsidiair

De buitengerechtelijke incassokosten van € 1.204,43 exclusief btw,

De punten c, d, e en f te vermeerderen met de wettelijke rente,

[werkgever] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[werknemer] legt – samengevat – aan de vordering ten grondslag dat [werkgever] op grond van de cao een sommenverzekering had moeten afsluiten. Nu [werkgever] in plaats daarvan een schadeverzekering heeft afgesloten, krijgt [werknemer] een lagere uitkering uit de arbeidsongeschiktheidsverzekering dan waar zij op grond van de cao recht op heeft. Zij stelt zich op het standpunt dat [werkgever] de schade die zij daardoor lijdt, moet vergoeden.

3.3.

[werkgever] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure. [werkgever] betwist dat zij de collectieve afspraken in de cao niet is nagekomen en/of dat zij een ondeugdelijke verzekering heeft afgesloten. Voor zover zou worden geoordeeld dat [werkgever] hierin wel is tekortgeschoten, is deze tekortkoming niet toerekenbaar omdat Movir in 2021 te kennen heeft gegeven dat het afsluiten van een collectieve sommenverzekering niet langer mogelijk was. Ook andere verzekeraars boden een dergelijke verzekering niet aan.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Juridisch kader

4.1.

Partijen verschillen van mening over de vraag of [werkgever] met de afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft voldaan aan haar verplichting uit de cao. In lijn met vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de kantonrechter de bepaling in de cao uitleggen aan de hand van de zogenaamde cao-norm. Daarin gaat het erom dat bij de totstandkoming van een cao de individuele werknemers niet betrokken zijn, terwijl de individuele werkgever daarbij betrokken kan, maar niet hoeft te zijn. Bij het bepalen van de inhoud en strekking van de cao-bepalingen staan geen andere gegevens ter beschikking dan de tekst van de cao zelf (en de eventueel daaraan toegevoegde schriftelijke toelichting). Dit brengt mee dat voor de uitleg van de bepalingen van een cao, de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Het komt hierbij dus niet aan op de bedoeling van partijen maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao en de eventuele toelichting zijn gesteld.

Uitleg cao-bepaling

4.2.

[werknemer] is op 13 juli 2023 arbeidsongeschikt geworden. Tussen partijen is niet in geschil dat gekeken moet worden naar de cao die op dat moment van toepassing was, te weten de ‘Collectieve Arbeidsovereenkomst [werkgever] 2022-2023’. [werkgever] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij zich in de cao niet heeft verplicht tot het afsluiten van een bepaald type verzekering maar hierin volgt de kantonrechter haar niet. De cao moet strikt worden uitgelegd aan de hand van voornoemde cao-norm. In artikel A16 lid 4 onder a. van deze cao (zie rechtsoverweging 2.4) is bepaald dat [werkgever] een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Movir moet afsluiten, die een uitkering garandeert zoals genoemd in bijlage 1 bij de cao. Uit die bijlage volgt dat een arbeidsongeschikte aios (in 2022/2023) een bedrag van € 54,00 per dag uitgekeerd krijgt. Uit dit artikel volgt op geen enkele wijze dat bij de uitkering rekening wordt gehouden met andere inkomsten van de arbeidsongeschikte werknemer. De kantonrechter oordeelt dat hieruit volgt dat [werkgever] de verplichting had een sommenverzekering af te sluiten. Dit volgt te meer uit het feit dat onder b. een aparte regeling is beschreven voor de arts in opleiding tot profielarts Maatschappij + Gezondheid. Anders dan onder a., is ten aanzien van die artsen wel bepaald dat er een arbeidsongeschiktheidsverzekering moet worden afgesloten die een aanvulling geeft op de WGA-uitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Uit de tekst blijkt niet dat de cao-partijen ruimte aan [werkgever] hebben willen geven om zelf een keuze voor een schade- of sommenverzekering te maken. Daarover is niets opgenomen in de cao en er is ook geen considerans die daar inzicht in biedt.

Tekortkoming

4.3.

[werkgever] stelt ten onrechte dat zij aan haar verplichting heeft voldaan nu zij een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten bij Movir. In de voorwaarden die op de afgesloten verzekering van toepassing zijn, wordt weliswaar uitgegaan van een sommenverzekering maar Movir heeft in de mantelovereenkomst aanvullende voorwaarden gesteld. [werkgever] is ook akkoord gegaan met die nadere voorwaarden. Uit de mantelovereenkomst blijkt dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering vanaf 2021 het karakter heeft gekregen van een schadeverzekering in plaats van een sommenverzekering. Dit betekent dat [werkgever] niet heeft voldaan aan haar verplichting uit de cao om een sommenverzekering af te sluiten ten behoeve van (onder meer) [werknemer] . [werkgever] is hiermee dus tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting uit artikel A16 lid 4 onder a van de cao. Dat [werknemer] door het feit dat zij een WIA-uitkering krijgt feitelijk geen schade heeft geleden maakt dit niet anders.

Overmacht

4.4.

[werkgever] stelt zich op het standpunt dat deze tekortkoming haar niet kan worden toegerekend omdat er sprake is van overmacht. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de verplichting uit de cao niet uitvoerbaar was nu Movir in 2021 te kennen heeft gegeven dat de verzekering niet langer onder de bestaande voorwaarden kon worden voortgezet omdat de verzekering niet kostendekkend was. Het was voor [werkgever] vanaf dat moment dus niet meer mogelijk om nog langer een sommenverzekering af te sluiten bij Movir en ook bij andere verzekeraars bleek dit niet mogelijk te zijn.

4.5.

De kantonrechter oordeelt in dit kader dat een werkgever zich bij een onmogelijkheid tot nakoming van een cao-bepaling, niet snel op overmacht kan beroepen. Cao-afspraken zijn in beginsel immers verbindend en deze kunnen niet eenzijdig buiten toepassing worden gelaten. In dit geval heeft [werknemer] echter niet gemotiveerd weersproken dat het voor [werkgever] vanaf 1 maart 2021 niet meer mogelijk was om nog een collectieve sommenverzekering voor arbeidsongeschiktheid af te sluiten bij Movir of een andere verzekeraar. Hiermee staat voldoende vast dat nakoming van de verplichting uit de cao voor [werkgever] onmogelijk was geworden. De kantonrechter is daarom met [werkgever] van oordeel dat de tekortkoming in de nakoming van de cao-bepaling in dit specifieke geval niet aan [werkgever] kan worden toegerekend. Het is immers niet aan de schuld van [werkgever] te wijten en komt evenmin voor rekening van [werkgever] dat Movir de verzekeringsvoorwaarden per 1 maart 2021 wijzigde. Wat haar wel kan worden verweten is dat zij de cao-bepaling vervolgens pas in de cao van 2026 heeft aangepast. Hierdoor heeft zij gedurende een aantal jaar een bepaling in de cao laten staan waarvan zij wist dat zij die niet meer kon nakomen. Dit doet echter niets af aan het feit dat de verplichting tot het sluiten van een sommenverzekering feitelijk niet uitvoerbaar was zodat de situatie van overmacht steeds is blijven bestaan.

4.6.

Daar komt bij dat [werkgever] via haar website heeft gecommuniceerd dat de sommenverzekering was omgezet in een schadeverzekering. De personeelsinformatie op de website is in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst op die overeenkomst van toepassing verklaard. Feitelijk was er vanaf de aanvang van de arbeidsovereenkomst van [werknemer] dus al sprake van een schadeverzekering bij arbeidsongeschiktheid en wist [werknemer] daar ook van, althans had zij dat kunnen weten.

4.7.

Onder de voorgaande omstandigheden kan [werknemer] niet het door haar gestelde recht ontlenen aan artikel A16 lid 4 onder a van de cao. De vordering van [werknemer] zal daarom worden afgewezen.

proceskosten

4.8.

[werknemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting [werkgever] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

434,00

(2 punten × € 217,00)

- nakosten

€

108,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

542,50

4.9.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [werknemer] af,

5.2.

veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [werknemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »