RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2584
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
De heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag forensenbelasting voor het jaar 2024. Belanghebbende is het niet eens met de aanslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de aanslag forensenbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of er een schending van het evenredigheidbeginsel of het gelijkheidsbeginsel heeft plaatsgevonden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat geen schending van het evenredigheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel heeft plaatsgevonden. De aanslag forensenbelasting 2024 is terecht aan belanghebbende is opgelegd. Dit betekent dat de aanslag wordt gehandhaafd. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag forensenbelasting voor het jaar 2024 opgelegd van € 3.375 berekend naar een waarde van de woning van
€ 675.000 (de aanslag).
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 mei 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de partner van belanghebbende [partner] en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Feiten
3. Belanghebbende is in 2024 eigenaar van de woning aan [adres] (de woning).
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of de aanslag forensenbelasting 2024 terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
Belanghebbende stelt dat het verweerschrift door de heffingsambtenaar onredelijk laat is ingediend als gevolg waarvan sprake is van onbehoorlijk bestuur en de late indiening leidt tot een schending van het beginsel van fair play.
De rechtbank is het met belanghebbende eens dat het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken laat zijn ingediend. De late indiening kan echter niet tot gevolg hebben dat reeds om die reden het beroep gegrond moet worden verklaard. De termijn van artikel 8:42 Awb is geen termijn van openbare orde. Aan overschrijding van de termijn van artikel 8:42 van de Awb verbindt de wet geen directe gevolgen. In dit geval ziet de rechtbank, onder de gegeven omstandigheden, ook geen aanleiding te oordelen dat de eisen van een goede procesorde maken dat het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten. Het verweerschrift is beknopt en is grotendeels een herhaling van de standpunten die de inspecteur in de eerdere stukkenwisseling heeft ingenomen. Belanghebbende heeft in zijn stuk van 17 augustus 2026 en op de zitting ook inhoudelijk op het verweerschrift gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken daarom worden meegenomen bij de beoordeling.
Evenredigheidsbeginsel
Uit artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet volgt – voor zover van belang – dat gemeenten een forensenbelasting kunnen heffen “van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden”. 1 De gemeente Sluis heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt in de Verordening forensenbelasting 2024 (de Verordening).
Niet in geschil is dat belanghebbende in het jaar 2024 aan de voorwaarden voor het heffen van forensenbelasting uit de Verordening voldoet en de heffingsambtenaar daarom in beginsel bevoegd was een aanslag forensenbelasting aan belanghebbende op te leggen.
Belanghebbende stelt dat de gemeente Sluis de forensenbelasting in de periode 2018-2024 zodanig heeft verhoogd dat sprake is van een aanzienlijke lastenverzwaring, zonder dat daarbij (voldoende) inzichtelijk is gemaakt welke belangenafwegingen daaraan ten grondslag hebben gelegen. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar het arrest van de Hoge Raad van 13 september 20242 en verzoekt de rechtbank om de Verordening forensenbelasting 2024 van de gemeente Sluis onverbindend te verklaren.
Volgens belanghebbende is voorts door de sterke stijging van de forensenbelasting en de gelijktijdige daling van de onroerendezaakbelasting-tarieven een disproportionele belastingdruk ontstaan voor niet-ingezetenen ten opzichte van ingezetenen.
Dit onderscheid is in strijd met de algemene rechtsbeginselen. Belanghebbende stelt verder dat gelet op de aan de parkbeheerder verschuldigde retributievergoeding en overige lasten die betrekking hebben op de woning de totale financiële lasten niet in verhouding staan tot het gemeentelijke profijt van belanghebbende dat de forensenbelasting beoogt te compenseren.
De heffingsambtenaar stelt dat het tarief in 2024 gelijk is aan het tarief dat volgt uit de Verordening forensenbelasting 2023 en Verordening forensenbelasting 2022 en dat er dus geen sprake is van een verhoging ten opzichte van deze jaren. Volgens de heffingsambtenaar kan onder verwijzing naar een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 9 december 20253 belanghebbende zich in dit geval niet beroepen op een lastenverzwaring in het verleden. De heffingsambtenaar stelt dat uit een aan de rechtbank overgelegd rapport van de Rekenkamercommissie uit 2017 volgt dat de uitgaven aan toerisme de inkomsten met 1,8 miljoen euro overstijgen. Mede naar aanleiding daarvan is volgens de heffingsambtenaar door de commissie Samenleving/Middelen in 2019 een ‘notitie onderzoek belastingen’ ingebracht waarin de mogelijkheden zijn uitgewerkt om meer middelen te genereren uit recreatie en toerisme. De verhoging van het tarief van de forensenbelasting valt volgens de heffingsambtenaar binnen de beleidsvrijheid van de gemeente Sluis. De besluitvorming over de tariefsverhoging van de forensenbelasting door de gemeenteraad is vastgelegd in de Kadernota 2020-2023 die is gepubliceerd op 4 juli 2019. Met het belang van de eigenaren van recreatiewoningen is volgens de heffingsambtenaar voorts rekening gehouden door de gewenste tariefverhoging te faseren en met 3,5 promille in 2020, 4,25 promille in 2021 en 5 promille in 2022.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 september 20244 het volgende overwogen:
Indien de rechtmatigheid van een voorschrift in een gemeentelijke belastingverordening dat leidt tot een lastenverzwaring, met een beroep op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wordt bestreden, dient de rechter in de eerste plaats te onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de rechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift in de verordening. Indien de belastingrechter als gevolg van een dergelijke onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet kan beoordelen of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, kan dit ertoe leiden dat die rechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit om die reden vernietigt.
Het ligt niet op de weg van de rechter om de betrokken belangen alsnog af te wegen indien de gemeentelijke wetgever dit heeft nagelaten. Indien als gevolg van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet valt te beoordelen of een voorschrift dat tot een lastenverzwaring leidt in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, brengt dit als regel mee dat de rechter dit voorschrift buiten toepassing dient te laten. Dat is slechts anders indien de negatieve gevolgen van dat voorschrift zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen.
De rechtbank stelt voorop dat de forensenbelasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen. Het forensenbelastingtarief in het belastingjaar 2023 bedroeg 5 promille van de heffingsmaatstaf, met een minimumbedrag van € 500 en een maximumbedrag van € 3.500.5 Het forensenbelastingtarief in het jaar 2024 bedroeg ook 5 promille van de heffingsmaatstaf, met een minimumbedrag € 500 en een maximumbedrag van € 5.000.6 Van een verhoging van het tarief in 2024 ten opzichte van 2023 is geen sprake.
In de onderhavige procedure ligt uitsluitend de aanslag forensenbelasting voor het belastingjaar 2024 ter beoordeling voor. Dit betekent dat de rechtbank de evenredigheid van de tariefstelling in de voor eerdere belastingjaren geldende verordeningen niet beoordeelt.7 En juist in de verhoging in die eerdere jaren ziet belanghebbende de strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel. Gelet hierop en op de omstandigheid dat het tarief voor 2024 ten opzichte van 2023 niet is verhoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is dat de door belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen niet zijn meegewogen voor het betreffende jaar. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van het evenredigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat door de sterke stijging van de forensenbelasting en de gelijktijdige daling van de onroerendezaakbelasting-tarieven een disproportionele belastingdruk is ontstaan voor niet-ingezetenen ten opzichte van ingezetenen. De rechtbank vat deze stelling op als een beroep op een schending van het gelijkheidsbeginsel.
Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de Gemeentewet zelf in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, geldt het volgende. Het is vaste rechtspraak dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid aan de toetsing van wetten in formele zin, zoals de Gemeentewet, aan algemene rechtsbeginselen in de weg staat en dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht.8
Wat betreft het verschil in tariefstelling overweegt de rechtbank dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel allereerst vereist is dat sprake is van gelijke gevallen. De forensenbelasting en onroerendezaakbelasting kennen ieder een eigen grondslag in de Gemeentewet en zien op verschillende belastbare feiten. Van gelijke gevallen is dus geen sprake. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
Retributievergoeding en overige lasten
De stelling van belanghebbende dat aan de parkbeheerder een retributievergoeding is betaald en dat met het houden van de woning andere lasten gemoeid zijn kan belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet baten. Deze vergoeding staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de gemeente om forensenbelasting te heffen. De hoogte van eventuele andere verschuldigde vergoedingen, die verbonden zijn aan het houden van de woning, zijn daarop niet van invloed.
Gelet op voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de aanslag forensenbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. De aanslag forensenbelasting 2024 blijft daarom gehandhaafd. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 9 oktober 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.