ECLI:NL:RBZWB:2026:9710

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
BRE 25/2371 tpt en met 25/2373
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Omzetbelasting / negatief jaarsaldo margeregeling

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 25/2371 tot en met 25/2373 en 26/5660

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] B.V., statutair gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende op 9 oktober 2024 gegeven (gecorrigeerde) beschikkingen negatief jaarsaldo margeregeling1 voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2022 (de beschikkingen). Belanghebbende is het niet eens met de beschikkingen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de beschikkingen niet tot te lage bedragen zijn vastgesteld.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn vanwege schending van het hoorrecht. De overige beroepsgronden slagen niet. Dit betekent dat de beschikkingen in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De inspecteur heeft aan belanghebbende de beschikkingen gegeven.

2.1.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 3 april 2025 de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

2.3.

De rechtbank heeft de beroepen op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

Feiten

3. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de in- en verkoop van youngtimer auto’s en exclusieve horloges. Belanghebbende kwalificeert voor deze activiteiten als ondernemer voor de omzetbelasting.

3.1.

Ten aanzien van de verkoop van auto’s en horloges past belanghebbende de margeregeling toe. Voor de berekening van de verschuldigde omzetbelasting heeft belanghebbende de zogenoemde globalisatieregeling toegepast. Omdat de jaarwinstmarges volgens belanghebbende negatief waren zijn beschikkingen negatief jaarsaldo vastgesteld.

3.2.

Bij beschikking van 15 april 2019 is een negatief jaarsaldo vastgesteld voor het kalenderjaar 2018 van € 104.883. Tegen deze beschikking heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt.

3.3.

Voor de kalenderjaren 2020 tot en met 2022 zijn eveneens beschikkingen negatief jaarsaldo vastgesteld.

3.4.

Bij belanghebbende zijn boekenonderzoeken ingesteld. Daarbij is de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 en over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 onderzocht. De boekenonderzoeken hebben geleid tot de (gecorrigeerde) beschikkingen van 9 oktober 2024.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf

4. Belanghebbende heeft na de zitting nog stukken ingezonden. De rechtbank heeft daarin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en heeft de stukken niet aan het procesdossier toegevoegd.

Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij het horen van belanghebbende in de bezwaarfase artikel 7:5, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden. Ter zitting heeft belanghebbende de rechtbank verzocht om de zaak niet terug te wijzen naar de inspecteur om opnieuw te worden gehoord, maar om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal wel, in verband met de schending van artikel 7:5, eerste lid, onderdeel b, van de Awb, het beroep gegrond verklaren en bepalen dat de inspecteur het griffierecht en de proceskosten aan belanghebbende moet vergoeden.

4.2.

Belanghebbende stelt verder dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uitspraken op bezwaar, in samenhang met de rapporten boekenonderzoek waarnaar wordt verwezen in de uitspraken op bezwaar, voldoende gemotiveerd. De inspecteur legt uit waarom de beschikkingen zijn gegeven en waarom deze worden gehandhaafd.

Ten aanzien van de gecorrigeerde beschikkingen

4.4.

Belanghebbende bestrijdt niet de juistheid van de correcties, die zijn voortgekomen uit de in 3.4 bedoelde boekenonderzoeken. Hij stelt dat het negatief jaarsaldo voor het kalenderjaar 2018, van € 104.883, onjuist is. Doordat dit negatief jaarsaldo als beginsaldo voor het kalenderjaar 2019 geldt, zijn de negatieve saldi in de jaren 2019 tot en met 2022 volgens belanghebbende ook op te lage bedragen vastgesteld.

4.5.

De rechtbank overweegt dat het negatief jaarsaldo voor het kalenderjaar 2018 onherroepelijk vaststaat nu belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikking waarbij dit negatief jaarsaldo is vastgesteld. Het kalenderjaar 2019 is dus begonnen met een vaststaand negatief jaarsaldo van € 104.883. Dat kan in deze procedure niet worden gewijzigd. Nu belanghebbende de juistheid van de in 4.1 bedoelde correcties niet bestrijdt, zijn de beschikkingen niet tot te lage bedragen vastgesteld. De beschikkingen blijven dan ook in stand.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn gegrond vanwege schending van het hoorrecht. De beroepsgronden gericht tegen de beschikkingen slagen niet. Dat betekent dat de beschikkingen in stand blijven. De inspecteur moet wel het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De proceskosten zijn becijferd op de reiskosten die de gemachtigde van belanghebbende heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting op basis van openbaar vervoer tweede klasse. De rechtbank zal een proceskostenvergoeding toekennen van € 68,02.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- bepaalt dat de beschikkingen in stand blijven;

- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 385 aan belanghebbende moet vergoeden;

- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 68,02 aan proceskosten aan belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

griffier

rechter

Uitgesproken op 7 oktober 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »