ECLI:NL:RBZWB:2026:9701

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
BRE 26/3035
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

NTB handhavingsverzoek - herhaald (tweede) beroep.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/3035

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres 1] , uit [plaats] , en

[eiseres 2] , eiseressen,

(gemachtigde: mr. R. Hörchner),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseressen hebben ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 29 april 2026.1 In die uitspraak staat dat het college binnen twee weken moet beslissen op het handhavingsverzoek (de aanvraag) van eisers. Eiseressen stellen nu beroep in omdat het college dat volgens hen niet heeft gedaan.

1.1.

Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?

3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraak van 29 april 2026 al een termijn heeft gesteld waarbinnen het college een beslissing op het bezwaar moest nemen.3

4. De rechtbank stelt vast dat de bij uitspraak van 29 april 2026 (verzonden op 30 april 2026) opgedragen termijn om een beslissing te nemen eindigde op 14 mei 2026. Vanaf 15 mei 2026 is de termijn van de rechterlijke dwangsom is gaan lopen. Uitgaande van de opgelegde dwangsom van € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00, is de duur van deze periode 150 dagen. Dat betekent dat op 12 oktober 2026 de maximale dwangsom verbeurd zal zijn.

5. Op 1 juni 2026 hebben eiseressen nogmaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college. De maximale rechterlijke dwangsom was op die datum nog niet volledig verbeurd. Hoewel de in de uitspraak van 29 april 2026 opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd ten tijde van het instellen van het beroep, blijft bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is.4 Indien het beroep gedurende de termijn waarbinnen de rechterlijke dwangsom wordt verbeurd is ingediend, kan de rechtbank bij de vraag of vervolgens opnieuw een dwangsom zou moeten worden opgelegd en zo ja, hoe hoog, mogen betrekken dat de eerder door haar opgelegde dwangsom niet volledig was verbeurd en dat dat op dat moment ook nog enige maanden zou duren. Daarbij kan de rechtbank er bijvoorbeeld voor kiezen om die dwangsom in te laten gaan op het moment dat de eerst opgelegde dwangsom volledig was verbeurd.5

De rechtbank stelt vast dat het college niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiseressen. De rechtbank overweegt dat het tweede beroep is ingediend op 1 juni 2026. Op dat moment was de dwangsom nog niet volledig verbeurd. Ook nu is die termijn nog niet voorbij.

Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?

6. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval een andere beslistermijn op te leggen. In de brief van 17 juli 2026 geeft het college namelijk zelf aan dat het verwacht binnen twee weken na 17 juli 2026 een besluit te kunnen nemen. Deze termijn is inmiddels ruimschoots verstreken.

Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?

7. Volgens het landelijke beleid6 wordt in gevallen als deze, waarin verweerder na een door de rechter gestelde termijn nog steeds geen besluit op het bezwaar heeft genomen, de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.

Hierbij merkt de rechtbank het volgende op. De bij uitspraak van 29 april 2026 opgelegde dwangsom is op het moment van deze uitspraak nog niet volledig verbeurd. Die dwangsom loopt vanaf 15 mei 2026 tot en met uiterlijk 12 oktober 2026 (maximaal 150 dagen). Gelet op het op 1 juni 2026 ingesteld beroep had de rechtbank binnen acht weken na deze datum uitspraak moeten doen. Op dit moment is een groot aantal beroepen niet tijdig beslissen aanhangig. Het is de rechtbank niet gelukt tijdig uitspraak te doen.

Gelet op de datum van uitspraak, 7 oktober 2026, en de aan het college gegeven termijn om alsnog te beslissen op het verzoek zal de nu op te leggen dwangsom van € 250,- per dag na 12 oktober 2026 worden verbeurd. Dit betekent dat door deze uitspraak een nieuwe dwangsom zal worden verbeurd volgend op de eerder verbeurde dwangsom, indien het college voor die tijd niet op het verzoek van eiseressen heeft beslist.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseressen gelijk krijgen, het college de onder 6. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 7. genoemde dwangsom wordt opgelegd.

8.1.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseressen vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseressen een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

  • draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat het college vanaf 12 oktober 2026 aan eiseressen een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag dat het nog geen besluit bekend heeft gemaakt, met een maximum van € 37.500,- ;

  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseressen moet vergoeden;

  • veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseressen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 7 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »