RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3034
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres 1] , uit [plaats 1] , en
[eiseres 2] , uit [plaats 2] , eiseressen,
(gemachtigde: mr. R. Hörchner),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseressen op 1 juni 2026 hebben ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 26 maart 2026.1 In die uitspraak staat dat het college binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog moet beslissen op het handhavingsverzoek (de aanvraag) van eiseressen. Eiseressen stellen nu beroep in omdat het college dat volgens hen niet heeft gedaan.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2. De rechtbank heeft het college op 11 juni 2026 en 7 juli 2026 verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te dienen. Het college heeft per e-mail van 17 juli 2026 laten weten dat er op 21 juli 2026 overleg zou plaats vinden met de huisadvocaat AKD. Daarna zou de zaak verder worden opgepakt, zowel het indienen van de stukken als de inhoud van het besluit.
De rechtbank stelt vast dat zij tot op heden nog geen stukken, een verweerschrift of een besluit heeft ontvangen. Dit betekent dat de rechtbank op basis van de bij haar bekende stukken, ingediend door eiseressen, uitspraak zal doen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraak van 26 maart 2026 al een termijn heeft gesteld waarbinnen het college een beslissing op het bezwaar moest nemen.3
5. De rechtbank stelt vast dat de bij uitspraak van 26 maart 2026 (verzonden op 31 maart 2026) opgedragen termijn om een beslissing te nemen eindigde op 14 april 2026. Vanaf 15 april 2026 is de termijn waarbinnen de rechterlijke dwangsom wordt verbeurd, gaan lopen. Uitgaande van de opgelegde dwangsom van € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00, is de duur van deze periode 150 dagen. Dat betekent dat op 12 september 2026 de maximale dwangsom is verbeurd.
6. Op 1 juni 2026 hebben eiseressen nogmaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college. De maximale rechterlijke dwangsom was op die datum nog niet volledig verbeurd. Hoewel de in de uitspraak van 29 april 2026 opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd ten tijde van het instellen van het beroep, blijft bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is.4 Indien het beroep gedurende de termijn waarbinnen de rechterlijke dwangsom wordt verbeurd is ingediend, kan de rechtbank bij de vraag of vervolgens opnieuw een dwangsom zou moeten worden opgelegd en zo ja, hoe hoog, mogen betrekken dat de eerder door haar opgelegde dwangsom niet volledig was verbeurd en dat dat op dat moment ook nog enige maanden zou duren. Daarbij kan de rechtbank er bijvoorbeeld voor kiezen om die dwangsom in te laten gaan op het moment dat de eerst opgelegde dwangsom volledig was verbeurd.5
De rechtbank overweegt dat het tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen is ingediend op 1 juni 2026. Op dat moment was de dwangsom nog niet volledig verbeurd. Gelet op het op 1 juni 2026 ingestelde beroep had de rechtbank binnen acht weken na deze datum uitspraak moeten doen. Op dit moment is een groot aantal beroepen niet tijdig beslissen aanhangig. Het is de rechtbank niet gelukt tijdig uitspraak te doen. Ten tijde van het doen van deze uitspraak is de maximale dwangsom inmiddels wel verbeurd.
7. Het college heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op de aanvraag van eiseressen. De rechtbank stelt vast dat ook niet binnen de termijn van 150 dagen een besluit is genomen.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
8. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval een andere beslistermijn op te leggen. Het college heeft immers geen verweer gevoerd tegen het door eiseressen ingestelde beroep.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
9. Volgens het landelijke beleid6 wordt in gevallen als deze, waarin het college na een door de rechter gestelde termijn nog steeds geen besluit op het bezwaar heeft genomen, de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseressen gelijk krijgen, het college de onder 6. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 7. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseressen vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseressen een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
-
draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiseressen een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- ;
-
bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseressen moet vergoeden;
-
veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseressen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 7 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
Rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.