ECLI:NL:RBZWB:2026:9697

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
BRE 26/3066
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

NTB KOT

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/3066

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),

en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2025.1 In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken moet beslissen op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens haar niet heeft gedaan.

1.1.

De gemachtigde van eiseres heeft verzocht om te worden gehoord, de rechtbank heeft echter in het verzoek geen aanleiding gezien om de zaak op een zitting te behandelen. De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om schriftelijk aanvullende gronden in te dienen.

1.2.

Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

Is het beroep kennelijk gegrond?

3. Het beroep is kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraken van 23 april 20253 en 22 december 2025 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing op de aanvraag moest nemen.4

4. Verweerder heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op de aanvraag.

Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?

5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.

5.1.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.

5.2.

In het verweerschrift verzoekt verweerder om, naar analogie met de bepaalde beslistermijn in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juni 20265, de nadere beslistermijn te bepalen op twee weken. Daarbij verzoekt verweerder de rechterlijke dwangsom overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling op nihil vast te stellen.

5.3.

In haar uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld hoe zij vanaf die datum omgaat met het bepalen van de duur van de nadere beslistermijn in beroepen tegen het niet op tijd nemen van een besluit op aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wht. De Afdeling overweegt dat er gezien de huidige omstandigheden geen mogelijkheid is om vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. Daarbij is meegenomen dat de besluitvorming in deze aanvraagfase volledig is vastgelopen, terwijl de ingezette versnellingsmaatregelen in de huidige vorm op gespannen voet staan met doel en strekking van de Wht. De Afdeling bepaalt daarom dat moet worden teruggevallen op de wettelijke beslistermijn, waarbij een bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken. Onder de huidige omstandigheden is er volgens de Afdeling ook geen aanleiding om bij voorbaat uitzonderingen te formuleren met betrekking tot tijd die is gemoeid met alternatieve hersteltrajecten of bedenktijd.

5.4.

De rechtbank sluit zich hierbij aan en ziet in dit individuele geval geen bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om hiervan af te wijken. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.

Verbindt de rechtbank aan deze uitspraak een dwangsom? 6. Bij een gegrond beroep bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft om de uitspraak na te leven. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere voorziening treffen.66.1. In voornoemde uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat onder de huidige omstandigheden de nadere dwangsom die aan een uitspraak op een beroep over het niet op tijd beslissen op een aanvraag voor aanvullende compensatie wordt verbonden, op nihil moet worden gesteld. De Afdeling is ervan overtuigd dat het bij de huidige stand van zaken contraproductief werkt om dwangsommen aan verweerder op te leggen, omdat daardoor overmatig capaciteit wordt besteed aan beroepen die zijn gericht tegen het niet op tijd nemen van een besluit, terwijl deze capaciteit moet worden besteed aan de inhoudelijke besluitvorming. De huidige praktijk rondom besluitvorming is dusdanig ontspoord, dat het niet zinvol is om een financiële prikkel op te leggen.

6.2.

De rechtbank sluit zich hierbij aan en ziet geen aanleiding om in deze zaak daarvan af te wijken. Dit betekent dat de nadere dwangsom op nihil zal worden gesteld.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 5.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de aan deze uitspraak te verbinden dwangsom wordt gesteld op nihil.

7.1.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

  • draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;

- bepaalt dat de nadere dwangom die aan deze uitspraak wordt verbonden op nihil wordt gesteld;

  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;

  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 7 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »