RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1573 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2026 op het verzet van
[opposant] , uit [plaats] , opposant1,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2026 in het geding tussen
opposant
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.2
Opposant heeft op 8 juni 2026 een verzetschrift tegen de uitspraak ingediend en verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het verzet op 28 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft opposant en [vertegenwoordiger college] als gemachtigde van het college deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 15 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel3 is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 15 mei 2026
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat op het moment van indiening van het beroepschrift er geen sprake was van niet tijdig beslissen door het college. De rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden aan het college en heeft het college opgedragen dit als zodanig in behandeling te nemen.
De gronden van het verzet
5. Opposant voert – samengevat – tegen de uitspraak aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dossier compleet is en dat de gemeente rechtmatig heeft beslist. Er is volgens hem sprake van onrechtmatige administratieve profilering wat heeft geleid tot een keten van systemische uitsluiting en onrechtmatige dataverwerking. Hij wil dat de gemeente gedwongen wordt om de volledige profileringsdata te overleggen. Opposant doet het verzoek aan de verzetsrechter om de gemeente formeel in gebreke te stellen wegens het herhaaldelijk en bewust schenden van de procesafspraken, de gemeente dwingend te bevelen de verzochte stukken te overhandigen, een direct opeisbare dwangsom te verbinden per dag dat de gemeente in gebreke blijft en de systematische uitsluiting van opposant te onderzoeken en ongedaan te maken.
Op zitting heeft opposant zijn verzetschrift verder toegelicht en gevraagd of de dwangsom van maximaal € 1400,- kan worden geregeld. Ook wil hij graag dat de rechtbank economisch met de tijd omgaat. Dat zou betekenen dat het nieuw ingediende beroep tegen de intussen genomen beslissing op bezwaar kan worden besproken. Over het verzet geeft opposant aan dat er niet volledig is beslist, hij heeft bij het college duidelijk aangegeven welke informatie hij wil en dit moet meer zijn dan de 55 pagina’s die hij nu heeft ontvangen. De informatie is wel beschikbaar, maar wordt achtergehouden. Opposant vindt het college niet zorgvuldig. Verder heeft opposant gezegd dat hij is beschadigd en dat hij problemen ervaart tijdens het solliciteren.
Slaagt het verzet?
6. Het verzet slaagt niet. Opposant dient verzetsgronden in, maar hij voert geen reden aan waarom er in de beroepszaak wel sprake zou zijn van niet tijdig beslissen door het college.
De verzetrechter oordeelt dat het verzoek om vaststelling van de dwangsom evenmin leidt tot een gegrond verzet. Op grond van artikel 8.2 van de Woo bestaat er in het kader van deze wet namelijk geen recht op een bestuurlijke dwangsom bij primaire besluiten en beslissingen op bezwaar. Dat betekent dat opposant in een zaak als deze geen recht heeft op een bestuurlijke dwangsom.
Verder kan het verzet alleen maar gaan over het oordeel in de uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2026. Dat betekent dat de verzetrechter alleen kan oordelen over verzetsgronden tegen de niet-ontvankelijk verklaring. In het verzet kan niet worden ingegaan over het optreden van de gemeente, de inhoud van de genomen besluiten en de extra verzoeken van opposant.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 15 mei 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op: