RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12367613 \ VV EXPL 26-92
Vonnis in kort geding van 6 oktober 2026
in de zaak van
WOONZORG NEDERLAND,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonzorg,
gemachtigde: mr. C.J.P. Schellekens,
tegen
[huurder] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
procederend in persoon.
1 De zaak in het kort
Tussen Woonzorg en [huurder] bestaat sinds 30 januari 2026 een huurovereenkomst voor de woning aan de [adres] . Hiervoor huurde [huurder] een woning van Woonzorg op een andere locatie. Vanaf juli 2025 tot heden beledigt, intimideert en bedreigt [huurder] omwonenden en medewerkers van Woonzorg. Er is sprake van structurele overlast en omwonenden – maar ook de medewerkers van Woonzorg - voelen zich onveilig. Ook heeft [huurder] een huurachterstand laten ontstaan. Woonzorg vordert in deze procedure ontruiming van de huurwoning. Daarnaast wordt betaling van de huurachterstand en betaling van de maandelijkse huurprijs tot aan het moment van ontruiming gevorderd. De kantonrechter wijst de vorderingen toe.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de mondelinge behandeling van 22 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagde.
3 Het geschil
Woonzorg vordert in kort geding – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad ontruiming van het gehuurde, betaling van de huurachterstand en betaling van de huurprijs tot het moment van de ontruiming.
Woonzorg legt aan de vordering ten grondslag dat [huurder] tekort is geschoten in de nakoming van zijn huurovereenkomst. Hij is op grond van de huurovereenkomst, de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden en de wet verplicht het gehuurde te gebruiken als een goed huurder en ervoor zorg te dragen dat hij aan omwonenden geen overlast of hinder veroorzaakt. Uit de algemene voorwaarden volgt ook dat het [huurder] verboden is om medewerkers van Woonzorg of personen die namens Woonzorg in of rond het gehuurde aanwezig zijn uit te schelden, te bedreigen of fysiek te belagen en dat dit gedrag zal leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst. [huurder] schiet ernstig tekort in voorgaande verplichtingen. [huurder] intimideert omwonenden en medewerkers van Woonzorg. Hij beledigt hen, scheldt ze uit en bekladt ook muren met intimiderende leuzen. Hierover heeft Woonzorg veelvuldig klachten ontvangen van omwonenden. De impact hiervan is groot, omwonenden zijn bang van [huurder] en zij voelen zich onveilig. Voor Woonzorg heeft het gedrag van [huurder] zelfs het gevolg dat normale verhuurderswerkzaamheden niet meer op een veilige manier uitgevoerd kunnen worden en dat zij geen veilige werkomgeving kan garanderen. Uit veiligheidsoverwegingen heeft Woonzorg haar kantoorruimte momenteel zelfs gesloten en er komen geen medewerkers van Woonzorg meer bij het complex. [huurder] is onberekenbaar en de situatie verslechtert en de uitspraken van [huurder] worden steeds zorgwekkender.
Verder stelt Woonzorg dat [huurder] tot augustus 2026 een huurachterstand heeft laten ontstaan van € 2.564,88. [huurder] heeft aan Woonzorg aangegeven de huur niet meer te betalen.
Hoewel behoorlijk gedagvaard met inachtneming van de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten, is [huurder] ter zitting niet verschenen. Tegen hem is dan ook verstek verleend.
4 De beoordeling
Er is sprake van een spoedeisend belang
De kantonrechter overweegt dat voor toewijzing van een vordering in kort geding, allereerst is vereist dat er feiten of omstandigheden zijn die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Woonzorg heeft in dit kader aangevoerd dat van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een langdurige bodemprocedure afwacht, gedurende welke tijd het werkklimaat voor haar medewerkers onveilig blijft en de vele omwonenden nauwelijks nog woongenot hebben en in angst leven. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende duidelijk dat sprake is van een spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming.
De gevorderde ontruiming wordt toegewezen
Vervolgens moet beoordeeld worden of het aannemelijk is dat de vorderingen van Woonzorg in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het – mede gelet op de belangen van partijen over een weer – gerechtvaardigd is op de toewijzing vooruit te lopen door het treffen van een voorlopige voorziening zoals gevorderd.
De vraag die - kort gezegd - voor ligt is of aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [huurder] die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning rechtvaardigt. Op grond van artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft iedere tekortkoming van een partij de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat door Woonzorg voldoende gemotiveerd gesteld is dat sprake is van een ernstige en structurele overlast en dat zowel omwonenden als medewerkers van Woonzorg worden bedreigd en uitgescholden. Dit volgt uit de door Woonzorg overlegde meldingen en klachten die zij van de omwonenden van [huurder] hebben ontvangen, maar komt ook duidelijk naar voren in de overgelegde bestuurlijke rapportage die is opgesteld naar aanleiding van een aangifte. Het is duidelijk dat omwonenden zich onveilig en bedreigd voelen, dit geldt ook voor de medewerkers van Woonzorg. Situatie is niet langer houdbaar. Het is volgens de kantonrechter dan ook voorshands voldoende vast komen te staan dat [huurder] zich niet gedraagt als een goed huurder en hij op meerdere punten tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst. Verder is de kantonrechter voorshands van oordeel dat niet gesproken kan worden van een geringe tekortkoming. De kantonrechter is dan ook voorshands van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de vordering tot ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen, zodat de gevorderde ontruiming de kantonrechter ook niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De ontruiming zal dan ook worden toegewezen.
Door Woonzorg wordt gevorderd de ontruiming binnen een termijn van zeven dagen toe te wijzen. De kantonrechter ziet in dit geval geen aanleiding om van de termijn van veertien dagen af te wijken.
[huurder] moet de huurachterstand en de lopende huur tot de ontruiming betalen
De door Woonzorg gevorderde huurachterstand betreft een geldvordering en voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding dient niet alleen onderzocht te worden of de vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of een spoedeisend belang bestaat. De gestelde huurachterstand is door [huurder] niet weersproken en komt de kantonrechter ook niet onrechtmatig of ongegrond voor. Ten aanzien van de gevorderde huur is naar het oordeel van de kantonrechter in het algemeen geen sprake van onverwijlde spoed, maar uit het oogpunt van efficiency zal die toch worden toegewezen. Geen van partijen heeft er immers belang bij om – in geval van afwijzing van de geldvordering in kort geding – een tweede procedure te moeten voeren met de daarbij behorende hoge kosten. De gevorderde huurachterstand van € 2.564,88 zal dan ook worden toegewezen evenals de gevorderde wettelijke rente daarover.
Tijdens de zitting heeft Woonzorg aangegeven dat [huurder] aan Woonzorg heeft laten weten de huur niet langer te zullen betalen. Daarom heeft Woonzorg ook belang bij toewijzing van de na dagvaarding vervallen huur, tot aan de ontruiming. De vordering is toewijsbaar voor zover de huur door [huurder] daadwerkelijk onbetaald wordt gelaten.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
Woonzorg verzoekt het vonnis (gemotiveerd) uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Aangezien [huurder] geen verweer heeft gevoerd tegen de uitvoerbaarheid zal de kantonrechter de uitvoerbaarheid bij voorraad toewijzen. Aangezien het vonnis bij verstek is gewezen komt de kantonrechter niet toe aan een gemotiveerde belangenafweging.
[huurder] moet de proceskosten betalen
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonzorg worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
529,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
577,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.250,00 |
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Woonzorg zijn, en de sleutels af te geven aan Woonzorg,
veroordeelt [huurder] om te betalen aan Woonzorg:
a. a) € 2.564,88 aan achterstallige huur tot en met augustus 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
b) € 854,96 per maand vanaf september 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.250,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026. |
||