ECLI:NL:RBZWB:2026:9635

Datum uitspraak
05-10-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
BRE 25/3509
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

8:54; De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting. De ingebrekestelling wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de dwangsombeschikking is prematuur. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/3509

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 2 maart 2024 tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] en ook niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van 15 januari 2025 tegen de dwangsombeschikking van 14 januari 2025.

1.1.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat geen sprake is van niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 2 maart 2024 tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat de ingebrekestelling wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 15 januari 2025 tegen de dwangsombeschikking prematuur is. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Is er sprake van niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 2 maart 2024?

3. De heffingsambtenaar heeft op 2 maart 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 29 maart 2024 uitspraak op bewaar gedaan. De uitspraak op bezwaar is per e-mail aan belanghebbende verzonden. Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de uitspraak op bezwaar naar hem had moeten worden toegezonden.

3.1.

De rechtbank constateert dat de uitspraak op bezwaar op 29 maart 2024 rechtsgeldig bekend is gemaakt. Dit wordt niet anders doordat de uitspraak op bezwaar niet aan gemachtigde is toegezonden.1 Dit betekent dat er op het moment van de ingebrekestelling geen sprake was van niet tijdig beslissen op het bezwaar van 2 maart 2024. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is daarom niet-ontvankelijk.

Is het beroep wegens niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 15 januari 2025 ontvankelijk?

4. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.2 Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk.

4.1.

De heffingsambtenaar heeft op 14 januari 2025 een dwangsombeschikking genomen. Belanghebbende heeft hiertegen op 15 januari 2025 bezwaar gemaakt en de heffingsambtenaar op 25 april 2025 in gebreke gesteld.

4.2.

De rechtbank overweegt dat artikel 236, tweede lid van de Gemeentewet bepaalt dat op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar uitspraak wordt gedaan in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. Dit geldt ook voor een bezwaar dat is gericht tegen een dwangsombeschikking.3 De heffingsambtenaar had dan ook tot en met 31 december 2025 om uitspraak op bezwaar te doen.

4.3.

De rechtbank constateert dat belanghebbende de heffingsambtenaar op 25 april 2025 in gebreke heeft gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken en is de ingebrekestelling prematuur. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. Dit neemt echter niet weg dat de heffingsambtenaar gehouden is een beslissing op het bezwaar te nemen, indien hij dat nog niet heeft gedaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van 2 maart 2024 en 15 januari 2025 is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Dekkers, griffier.

griffier rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »